Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9661

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
C/16/401328 / HA RK 15-231 MAR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Val in winkel over voorwerp op de winkelvloer. Kelderluik.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2016/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/401328 / HA RK 15-231 MAR

Beschikking van 30 december 2015

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. A.H. Blok,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A.S. WATSON (HEALTH & BEAUTY CONTINENTAL EUROPE) B.V.,

handelend onder de naam Kruidvat,

gevestigd te Renswoude,

2. de commanditaire vennootschap

AON NEDERLAND C.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweersters,

advocaat mr. J. Kruijswijk Jansen.

Partijen worden hierna [verzoekster] , Kruidvat en AON genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift op grond van artikel 1019w Rv, ter griffie ingekomen op 5 oktober 2015;

  • -

    het verweerschrift in deelgeschil, ter griffie ingekomen op 10 november 2015;

  • -

    de akte overlegging producties tevens akte wijziging verzoek d.d. 17 november 2015 van [verzoekster] ;

  • -

    de mondelinge behandeling op 17 november 2015, waarvan aantekening is gehouden;

  • -

    de pleitnota van mr. Blok.

1.2.

Vervolgens is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is op 12 mei 2014 in de vestiging van Kruidvat in [vestigingsplaats] ten val gekomen.

2.2.

Bij brief van 18 juni 2014 heeft [verzoekster] Kruidvat aansprakelijk gesteld voor de letselschade die zij als gevolg van de val op 12 mei 2014 lijdt.

2.3.

Namens Kruidvat heeft AON, de assurantietussenpersoon van Kruidvat, bij
e-mailbericht van 29 juli 2014 aansprakelijkheid voor het ongeval afgewezen.

2.4.

Een schriftelijke verklaring van mevrouw [A] , medewerkster van Kruidvat, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) Tijdens mijn werk in de winkel (…) werd ik aangesproken door een mevrouw die op zoek was naar de schoenen (Vans) uit de folder. Het was een maandag, we waren nog bezig met het verwerken van de folderartikelen dus de schoenen stonden nog achter in het magazijn op een kar. Ik zei mevrouw dat ik de kar met schoenen zou pakken en deze bij de kassa neer zou zetten zodat ze even rustig kon kijken. Ik kwam met de kar uit het magazijn en mevrouw liep achter me aan richting de kassa. We liepen in het middelste pad ter hoogte van de schoonmaakartikelen toen ik een harde klap hoorde achter me. Ik draaide me om en zag mevrouw op de grond liggen (…). Ik heb mevrouw aangesproken en meteen mijn collega (…) geroepen die in het volgende pad bij de tandpasta stond. (…) Intussen heb ik 112 gebeld en er zou een ambulance worden gestuurd. (…)”

2.5.

Een schriftelijke verklaring van mevrouw [B] , medewerkster van Kruidvat, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) Mijn collega is de kar met schoenen achter gaan halen voor deze klant. Mijn collega liep met de kar schoenen via het midden pad richting de kassa en de klant liep achter haar aan. Ik was in het eerste pad (een pad naast het pad waar mijn collega en de klant doorheen liepen) aan het werk (…). Ik hoorde een klap en dacht dat de dozen met schoenen bij mijn collega van de kar vielen maar toen hoorde ik mijn collega op een zeer dringende manier mijn naam roepen. Mijn reactie was zo snel mogelijk er heen te lopen, en zag toen de klant een mevrouw plat op de grond liggen. Bij haar gekomen zag ik dat er bloed uit haar oor kwam, mijn collega is gelijk naar achter gelopen om 112 te bellen en ik ben bij mevrouw gebleven. (…) Ook lag er een stukje karton links naast haar op de grond, ze zei dat ze daarover gevallen was maar ik heb dit helaas niet gezien dus kan dit niet bevestigen. (…)”

2.6.

Een schriftelijke verklaring van mevrouw [C] , filiaalhouder van Kruidvat, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) Ik zat op dat moment op kantoor (…). Ik rende de winkel in en zag mevrouw op de grond liggen. (…) Mevr. zei tegen ons dat ze was uitgegleden over een stukje karton (5 × 20 cm ongeveer). Er lag op dat moment wel een stukje karton langs haar op de grond. (…)

Bijgevoegd foto waar mevrouw is gevallen. Het stukje karton wat ik toen zag liggen was ongeveer de grootte van wat op de foto te zien is.”

2.7.

Een schriftelijke verklaring van de heer [D] , zoon van [verzoekster] , luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) Zij vertelde me dat zij in het Kruidvat te [vestigingsplaats] was uitgegleden over plastic stripje. Toen ik vroeg hoe dat kon, zei ze “ik had het niet gezien, maar toen ik gevallen was en om me heen keek, lag er zo’n plastic ding van een prijskaartje naast me”. (…)”

2.8.

De documentatie van de ritgegevens van de ambulance vermeldt onder meer het volgende:

Opdracht gegevens

Medisch kladblok meldkamer (…) gestruikeld in de winkel (…) gestruikeld over stripje (…)

Event Ongeval overige, gestruikeld.

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt – na vermeerdering/wijziging van het verzoek – dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat Kruidvat aansprakelijk is voor het ongeval dat [verzoekster] op 12 mei 2014 is overkomen;

  2. voor recht verklaart dat AON aan [verzoekster] dient te voldoen hetgeen waartoe zij, alsmede de door haar vertegenwoordigde verzekeraar, uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst ten opzichte van Kruidvat gehouden zijn;

  3. bepaalt dat Kruidvat en AON hoofdelijk gehouden zijn om aan [verzoekster] te voldoen de kosten van dit deelgeschil ten bedrage van € 9.281,61 en dat deze kosten binnen 14 dagen na datum van de beschikking moeten worden voldaan op de derdengeldenrekening van mr. Blok, te vermeerderen met wettelijke rente indien de kosten niet binnen deze termijn zijn voldaan;

  4. primair bepaalt dat waar is vermeld AON tevens moet worden gelezen AIG Europe Limited, subsidiair verklaart dat AON ten deze geldt als vertegenwoordiger van AIG Europe Limited, zowel primair als subsidiair bepaalt dat AIG Europe Limited aan [verzoekster] dient te voldoen hetgeen waartoe zij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst ten opzichte van Kruidvat gehouden is.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat Kruidvat ten opzichte van haar onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor haar schade. Zij stelt daartoe dat zij is uitgegleden over een plastic of kartonnen strip die op de winkelvloer lag, volgens [verzoekster] een strip met prijskaartje zoals die destijds veel door Kruidvat in haar winkels werden gebruikt en die makkelijk losschoten en op de grond vielen. Het gebruik van die strips was volgens [verzoekster] gevaarzettend. Indien het door Kruidvat gehanteerde systeem van de plastic strips niet als gevaarzettend kan worden aangemerkt, is Kruidvat volgens [verzoekster] haar zorgplicht niet nagekomen doordat Kruidvat er onvoldoende zorg voor heeft gedragen dat op de grond gevallen strips direct, althans tijdig werden verwijderd. Zij voert daartoe aan dat in dit filiaal regelmatig dergelijke strips op de grond liggen in het gangpad en zij onderbouwt dat met foto’s.

[verzoekster] heeft als gevolg van de val onder meer haar kaak gebroken, kin-, nek- en schouderletsel, problemen van het gezichtsvermogen en een beschadigde gehoorgang van de beide oren.

3.3.

Kruidvat en AON voeren gemotiveerd verweer.

3.4.

De rechtbank zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] op 12 mei 2014 tijdens een bezoek aan het filiaal van Kruidvat in [vestigingsplaats] ten val is gekomen. Partijen verschillen wel van mening over de toedracht van de val. Daarnaast verschillen partijen van mening over de vraag of Kruidvat ten opzichte van [verzoekster] aansprakelijk is voor de gevolgen van de val.

4.2.

Over de toedracht van haar val stelt [verzoekster] in het verzoekschrift dat zij is uitgegleden over een plastic strip die op de winkelvloer lag. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] aangegeven dat op basis van de getuigenverklaringen in ieder geval vaststaat dat zij is gevallen over een op de grond liggend object en dat het voor de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag niet uitmaakt of zij over een plastic strip (een zogenoemde “klapbarker”) of over een kartonnen strip van circa 5 × 20 cm (zoals die in de klapbarker worden gebruikt) ten val is gekomen.

Kruidvat en AON zijn van mening dat, op basis van de getuigenverklaringen, de gestelde toedracht niet vaststaat en dat niet duidelijk is wat er precies is gebeurd.

4.3.

De rechtbank acht op basis van de hiervoor onder de feiten opgenomen verklaringen, in het bijzonder die van [B] , [C] en [D] , in combinatie met het feit dat [A] bij de melding bij 112 heeft aangegeven dat
[verzoekster] is gestruikeld over een stripje, voldoende aannemelijk dat [verzoekster] , zoals zij stelt, is gevallen over een voorwerp dat behoort tot de winkel(inventaris) van Kruidvat, en wel een zogenoemde klapbarker of een kartonnen strip. [B] maakt immers melding van het feit dat er een stukje karton links naast [verzoekster] op de grond lag en waarvan [verzoekster] kort na de val tegen haar heeft gezegd dat zij daarover gevallen was. Ook [C] noemt het stukje karton dat op de grond lag. [A] heeft bij haar melding bij 112 gezegd dat [verzoekster] gevallen is over een stripje. Hieruit volgt, zoals de rechtbank reeds overwoog, dat [verzoekster] ergens over gevallen is en in ieder geval niet “zomaar” gestruikeld of onderuit gegaan is. De verklaringen van het personeel van Kruidvat komen in voormelde zin overeen met de stelling van [verzoekster] en de verklaring van haar zoon, die verklaart dat
[verzoekster] hem vanuit het ziekenhuis heeft gebeld en verteld heeft dat zij is gevallen over een plastic ding van een prijskaartje. Bij dit oordeel heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat [C] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij circa
6 weken na de valpartij van [verzoekster] op 12 mei 2014 op verzoek van het hoofdkantoor van Kruidvat een foto heeft gemaakt van de situatie ten tijde van de val en dat zij daartoe een stukje karton op maat heeft geknipt, zoals dat ten tijde van de val in het gangpad werd aangetroffen. Uit een en ander volgt genoegzaam dat [verzoekster] gevallen was over een voorwerp toebehorend aan de winkel(inventaris). Of dit een plastic strip, een klapbarker of een stukje karton is geweest, is voor de vraag naar de aansprakelijkheid niet van (doorslaggevende) betekenis.

4.4.

Bij de beoordeling van de vraag of Kruidvat ten opzichte van [verzoekster] aansprakelijk is voor de gevolgen van de val, stelt de rechtbank het volgende voorop.
De vraag of aansprakelijkheid bestaat op grond van artikel 6:162 BW als gevolg van het in het leven roepen of laten voortbestaan van een situatie die voor anderen, bij niet-inachtneming van de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid, gevaarlijk is, dient beantwoord te worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij in het bijzonder moet worden betrokken de mate van waarschijnlijkheid dat niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat dit tot ongevallen leidt, de ernst van de gevolgen van zodanige ongevallen en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen, zo volgt uit het zogenaamde Kelderluik-arrest van de Hoge Raad van 5 november 1965 (NJ 1966/136).

4.5.

De enkele aanwezigheid van een voorwerp (een plastic strip, een klapbarker of een stukje karton) op de winkelvloer maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat sprake is van zodanige gevaarzetting dat Kruidvat op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] daardoor lijdt. Dat is anders als, zoals door
[verzoekster] gesteld, het gaat om voorwerpen van Kruidvat zelf die regelmatig op de grond terechtkomen en daarmee een gevaar vormen voor (onoplettende) klanten. [verzoekster] heeft met foto’s onderbouwd dat er regelmatig klapbarkers en/of kartonnen strips op de grond liggen in dit filiaal van Kruidvat en dat het – kennelijk – gaat om strips die makkelijk losschieten en vallen. Kruidvat heeft dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weersproken. Zij betwist de juistheid van de foto’s en stelt dat haar geen klachten over het losraken van klapbarkers bekend zijn en dat dit filiaal juist als heel netjes bekend staat. Daarmee heeft zij de stelling van [verzoekster] niet kunnen weerleggen. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de foto’s van [verzoekster] en dat niet over dit filiaal of het losraken van strips en/of barkers is geklaagd betekent niet dat de stelling van [verzoekster] niet juist is. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de klapbarkers en/of strips (in ieder geval in het filiaal in [vestigingsplaats] ) regelmatig losschoten en op de grond lagen. Daarmee heeft Kruidvat haar klanten blootgesteld aan het aanmerkelijke gevaar daarover te struikelen of uit te glijden en op de vloer ten val te komen – met alle mogelijk ernstige gevolgen van dien – indien zij niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid betrachten. Dat winkelend publiek niet altijd voldoende oplettend en voorzichtig is acht de rechtbank voorzienbaar. Het ligt voor de hand dat een klant, ook als hij of zij meeloopt met een medewerkster, de blik (ook) richt op de schappen en de producten en daardoor niet steeds bedacht is op obstakels in het looppad of voorwerpen op de winkelvloer. Kruidvat moet er als winkelier daarom rekening mee houden dat bezoekers van de winkel niet steeds de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht nemen wanneer zij door de winkel lopen. Dat [verzoekster] bij haar gang door de winkel, waarbij zij achter een medewerkster van Kruidvat aanliep, in zodanige mate onoplettend is geweest dat Kruidvat daar in redelijkheid geen rekening mee behoefde te houden, is niet gebleken.

4.6.

Kruidvat heeft aangevoerd dat zij diverse procedures heeft die erop gericht zijn de winkelvloer schoon en vrij te houden, waarin diverse checks zijn ingebouwd ter controle dat de vloer vrij is van rommel. Zij stelt dat zij zich voldoende heeft ingespannen om het gestelde gevaar door objecten op de vloer af te wenden. Kruidvat heeft daartoe verwezen naar een opschrift gestelde verklaring van [C] , een formulier “vulploeg voorbereidingencontrole” en een “GFA Stappenplan – versie 2015”. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van deze informatie slechts in zijn algemeenheid een beeld worden verkregen van – kort gezegd – het schoonmaakbeleid, nog daargelaten dat het formulier “vulploeg voorbereidingencontrole” niet gedateerd is en het “GFA Stappenplan” van 2015 is. Of en zo ja in hoeverre Kruidvat voldeed aan het (gestelde) schoonmaakbeleid op 12 mei 2014 blijkt daaruit niet. Kruidvat heeft zodoende onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij afdoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen ter afwending van gevaar. De omstandigheid dat het betreffende filiaal in de betreffende periode de hoogste kwalificatie kreeg op basis van checklists van de districtmanager en de omstandigheid dat uit rapporten van mysteryshoppers zou blijken dat de winkel er netjes en verzorgd uitziet, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat dit evenmin informatie geeft over de feitelijke situatie op het moment van de valpartij van [verzoekster] voor wat betreft de naleving van voorschriften en instructies over het schoon en vrij houden van de vloer.

4.7.

Hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.5 en 4.6 heeft overwogen leidt tot de conclusie dat Kruidvat op de voet van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] lijdt als gevolg van de val in de winkel op 12 mei 2014. De rechtbank zal het verzoek van [verzoekster] dit voor recht te verklaren dan ook toewijzen.

4.8.

[verzoekster] verzoekt daarnaast een verklaring voor recht dat AON aan [verzoekster] voldoet hetgeen waartoe zij, alsmede de door haar vertegenwoordigde verzekeraar, uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst ten opzichte van Kruidvat gehouden zijn, zie hiervoor bij punt 3.1 onder b). Hierbij verzoekt [verzoekster] ook dat de rechtbank primair bepaalt dat waar is vermeld AON, tevens moet worden gelezen AIG Europe Limited, en subsidiair dat AON heeft te gelden als vertegenwoordiger van AIG Europe Limited en zodoende voorts dat de rechtbank bepaalt dat AIG Europe Limited aan [verzoekster] dient te voldoen hetgeen waartoe zij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst ten opzichte van Kruidvat gehouden is, zie punt 3.1 onder d).

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:954 BW kan een benadeelde (in rechte) rechtstreeks van de verzekeraar betaling vorderen van het bedrag dat de aansprakelijke partij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst van de verzekeraar te vorderen zou hebben. De verzekeraar, AIG Europe Limited, is echter niet in deze procedure betrokken. Dat kan niet worden ondervangen door waar AON is vermeld tevens te lezen AIG Europe Limited, dan wel door te bepalen dat AON hier heeft te gelden als vertegenwoordiger van AIG Europe Limited, omdat AIG Europe Limited daarmee nog geen partij is in deze procedure en zij ook niet kan worden geacht in deze procedure te zijn verschenen om desgewenst verweer te voeren tegen het verzoek waarvan – als [verzoekster] hierin zou worden gevolgd – de uitspraak haar rechtstreeks zou binden. Dit deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen.

4.9.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. [verzoekster] maakt aanspraak op een bedrag van € 9.281,61, waarbij 17 uren tegen een tarief van € 280,00 en 12 uren tegen een tarief van € 205,00 zijn opgevoerd.
Kruidvat en AON voeren aan dat het uurtarief niet redelijk is, terwijl zij met betrekking tot het aantal bestede uren van mening zijn dat het buitenproportioneel is. Zij concluderen tot matiging van de kosten.

De onderhavige zaak is naar het oordeel van de rechtbank niet dermate complex dat dit een tijdsbesteding van 29 uren rechtvaardigt. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank daarom worden begroot op 20 uren x € 242,50, het gemiddelde van de gehanteerde uurtarieven, nu grofweg de helft van het aantal bestede uren tegen het (lagere) tarief van € 205,00 en de helft tegen het (hogere) tarief van € 280,00 is berekend. De kosten worden derhalve begroot op € 4.850,00 exclusief BTW en kantoorkosten, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 285,00. Kruidvat zal tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld.

4.10.

Omdat tegen een beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening open staat, zal de rechtbank deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat Kruidvat aansprakelijk is voor het ongeval dat [verzoekster] op 12 mei 2014 is overkomen;

5.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 4.850,00 exclusief BTW en kantoorkosten, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 285,00 en veroordeelt Kruidvat tot betaling daarvan aan [verzoekster] ;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Dondorp en in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 december 2015.1

1 type: MAR/4186coll: PD