Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9579

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
C/16/387878 / HA ZA 15-225
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat NUOVO op grond van de artikelen 6:162 en 6:170 BW aansprakelijk is voor de val van eiseres en de daaruit voortvloeiende schade. Eiseres stelt dat NUOVO is tekortgeschoten in haar verplichting om voor een veilige sportdag te zorgen en dat zij daardoor materiële en immateriële schade heeft geleden en nog zal lijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/387878 / HA ZA 15-225

Vonnis van 30 december 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. drs. V.N. van Waterschoot te Nijmegen,

tegen

de stichting

STICHTING OPENBAAR VOORTGEZET ONDERWIJS UTRECHT,

handelend onder de naam: NUOVO,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. dr. B.M. Paijmans te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en NUOVO genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 juni 2015 waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 17 november 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft op het [school] (hierna: [school] ) gezeten, een school die deel uitmaakt van NUOVO.

2.2.

Op 10 oktober 2007 nam [eiseres] deel aan de (jaarlijkse) sportdag van het [school] . Ze zat toen in klas 3B.

2.3.

De sportdag werd gehouden op het terrein van Sportpark Maarschalkerweerd. De klas van [eiseres] begon die dag met het onderdeel softbal. Later die dag werd door 3A en 3B het onderdeel sprinten uitgevoerd, over een afstand van 100 meter, op de atletiekbaan. De leerlingen van de lagere klassen liepen kortere afstanden.

2.4.

Bij het onderdeel sprinten liepen groepjes leerlingen van 3A en 3B ‘tegen’ elkaar, in tegengestelde richting. Leerlingen uit 3A liepen van de start van de baan naar de finishlijn (bij 100 meter) en leerlingen van 3B liepen in de richting van de startlijn. Een docent wiskunde hield toezicht op dit onderdeel, bijgestaan door twee leerlingen uit de zesde klas.

2.5.

De leerlingen liepen de sprint twee of drie keer; de beste tijd telde. Bij de tweede keer dat [eiseres] de sprint liep, is zij gevallen. Door haar val heeft zij letsel opgelopen aan haar knie. De medisch adviseur van [eiseres] schreef aan haar belangenbehartiger in maart 2011 onder meer het volgende:

Er is sprake van een knietrauma links op 10 oktober 2007 met een uiterst geprotaheerd klachtenbeloop bij een naar het zich laat aanzien complexe kniecasus. Aanvankelijk werd gedacht aan een forse kneuzing als (beperkt) ongevalsletsel, daarna door een sprotarts aan een patellofemoraal pijnsyndroom als uiting van het knieletsel, tot slot werd begin 2009, inmiddels ongeveer 14 maanden na het sporttrauma, door de orthopedisch chirurg letsel van de posterolaterale hoek vastgesteld – dat is een complexe structuur/regio van de knie, bestaande uit het laterale collaterale ligament en een aantal overige structuren posterolateraal in de knie-. In januari vindt een reconstructie-ingreep plaats aan deze insufficiënte posterolaterale hoek. (…)

Gelet op het bovenstaande komt ik tot de volgende conclusie:
Status na ernstig knieletsel links na sportongeval d.d. 10 oktober 2007, waarvoor in 2009 posterolaterale hoek-reconstructie. Daarna ernstige klachten en beperkingen gehouden met forse ADL-beperkingen ter zake de belastbaarheid van de knie.

2.6.

Bij brief van 6 januari 2011 is het [school] namens [eiseres] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt ten gevolge van de val tijdens de sportdag.

2.7. (

De verzekeraar van) NUOVO heeft onderzoek laten doen naar de toedracht van het ongeval van [eiseres] door expertisebureau [onderzoeksbureau] BV (hierna ook: het onderzoeksbureau) en heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat NUOVO op grond van de artikelen 6:162 en 6:170 BW aansprakelijk is voor de val van [eiseres] van 10 oktober 2007 en de daaruit voortvloeiende schade, partijen verwijst naar de schadestaatprocedure voor de begroting van de schade en NUOVO veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiseres] stelt dat NUOVO is tekortgeschoten in haar verplichting om voor een veilige sportdag te zorgen en dat zij daardoor materiële en imamteriële schade heeft geleden en nog zal lijden. Zij voert daartoe aan dat de baan voor de sprint niet goed was uitgezet waardoor zij te weinig uitloopruimte had. [eiseres] stelt dat zij na haar finish abrubt heeft moeten remmen om te voorkomen dat zij tegen een hek aan zou komen en dat zij daarbij ten val is gekomen.

3.3.

NUOVO voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

NUOVO heeft onder meer aangevoerd dat [eiseres] te laat heeft geklaagd. Het ongeval vond plaats in oktober 2007 en pas in januari 2011 heeft [eiseres] NUOVO aansprakelijk gesteld. [eiseres] had volgens NUOVO eerder kunnen en moeten klagen en NUOVO stelt door het tijdsverloop te worden benadeeld in haar bewijsmogelijkheden; stellingen van [eiseres] over de toedracht van het ongeval kan zij niet goed weerleggen en haar eigen stellingen zijn moeilijk te onderbouwen omdat de baan waarop de sprint destijds gelopen werd is afgebroken (al voor de aansprakelijkstelling) en getuigen zich het voorval niet goed kunnen herinneren. [eiseres] heeft betwist dat de klachtplicht van toepassing is bij vorderingen als de onderhavige uit onrechtmatige daad, omdat er geen sprake is van een (gebrekkige) prestatie waarover tijdig geklaagd zou moeten worden. De rechtbank volgt haar daarin. Voor zover NUOVO bij wijze van verweer heeft willen betogen dat [eiseres] het recht om een vordering in te stellen heeft verloren omdat zij niet tijdig heeft geklaagd in de zin van artikel 6:89 BW, en de vordering reeds om die reden zou moeten worden afgewezen, slaagt haar verweer niet. Overigens zou ook uitgaande van de toepasselijkheid van de klachtplicht in deze zaak dat naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot een afwijzing (of niet-ontvankelijkheid). Het is immers aan [eiseres] om haar stellingen ten aanzien van de toedracht te onderbouwen, zij draagt de bewijslast en daarmee ook het bewijsrisico zodat bewijsnood door het tijdsverloop in beginsel haar treft en niet, althans niet in overwegende mate, NUOVO. Hierna zal verder worden ingegaan op de vordering en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen.

4.2.

[eiseres] stelt in de dagvaarding dat [docent] , de docent die het onderdeel sprint die dag begeleidde, die dag ter plaatse heeft besloten dat de (atletiek)baan in twee delen zou worden gebruikt zodat de leerlingen in tegengestelde richtingen zouden lopen en dat zij daarbij de klas van [eiseres] – zonder startblokken – heeft laten starten op ongeveer 10 meter na de finishlijn (de 100 meterlijn) van de leerlingen uit 3B die bij de officiële startlijn begonnen te lopen. De finishlijn voor de klas van [eiseres] lag daarmee 10 meter verder dan de startlijn van de baan, waardoor de voor uitloop beschikbare ruimte vanaf de finishlijn voor [eiseres] beperkt was. Ook in de door [eiseres] overgelegde reactie op het in opdracht van NUOVO opgestelde onderzoeksrapport komt naar voren dat zij stellig meent dat deze keer – anders dan andere sportdagen – de looprichting en de startplaats opeens werd gewijzigd. Tussen partijen is niet in geschil dat het [school] de sportdag volgens een vast stramien organiseert en dat jaarlijks dezelfde onderdelen volgens een vaste instructie worden uitgezet en uitgevoerd. Uit die door het [school] aan het onderzoeksbureau overhandigde instructie voor het onderdeel sprint (bijlage 2 bij productie 10 bij dagvaarding) en uit de bij conclusie van antwoord overgelegde plattegrond volgt dat bij het onderdeel sprint de leerlingen telkens (in groepjes) tegen elkaar in liepen, een deel van de start naar de finishlijn en deel in de tegengestelde richting. NUOVO stelt dat het [school] die instructie en die plattegrond al jaren vrijwel ongewijzigd gebruikt; voor, tijdens en na 2007 en dat ook in voorgaande en latere jaren bij het onderdeel sprint de baan werd verdeeld en dat in twee looprichtingen tegelijk werd gelopen. [eiseres] heeft dat niet gemotiveerd weersproken. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat ook in de jaren voor en na 2007 het onderdeel sprint werd uitgevoerd door leerlingen in tegengestelde richtingen te laten lopen en dat daartoe niet die dag, op 10 oktober 2007, plotseling door docent [docent] is besloten.

4.3.

Voor zover [eiseres] NUOVO verwijt dat de looprichting op zich al gevaarzettend was en tot aansprakelijkheid leidt omdat er tegelijkertijd andere kinderen in tegengestelde richting liepen, overweegt de rechtbank dat niet is aangetoond dat het inrichten van de baan op die wijze onvoldoende zorgvuldig is. [eiseres] stelt wel dat de kans op botsingen daardoor wordt vergroot, maar dat dit een aanmerkelijk gevaar zou zijn valt niet direct in te zien omdat iedere leerling een eigen baan had om in te lopen en de sprint over een recht deel van de baan werd afgelegd. Bovendien is in deze zaak geen sprake geweest van een botsing en/of van een val doordat er leerlingen in tegengestelde richting liepen, maar – naar [eiseres] stelt – doordat zij onvoldoende uitloop had. Die gestelde (te) korte uitloop was niet zozeer het gevolg van het lopen in twee richtingen, maar van het verplaatsen van de finishlijn voor de leerlingen van 3B.

4.4.

Als – zoals gelet op de instructie te doen gebruikelijk was – de sprint zo was uitgevoerd dat de startlijn van 3B samenviel met de finishlijn van 3A, dat was de 100 meterlijn, dan zouden de leerlingen van 3B in ieder geval voldoende uitloopmogelijkheid hebben gehad. [eiseres] stelt dat op 10 oktober 2007 de startlijn voor 3B, en daarmee dus ook de finishlijn, 10 meter was opgeschoven door de docent die de sprint begeleidde, zodat er 10 meter minder uitloop was, namelijk maar 8 meter. NUOVO heeft dat betwist.

[eiseres] heeft haar stelling dat de startlijn was verschoven niet onderbouwd met bewijsmiddelen, terwijl dat, zeker gelet op het verweer van NUOVO en de inhoud van het ruimschoots voor deze procedure al opgestelde rapport van het onderzoeksbureau wel op haar weg lag. Wel biedt zij bewijs aan van (al) haar stellingen door het horen van twee klasgenoten, maar aan dat aanbod gaat de rechtbank voorbij omdat [eiseres] evenmin voldoende heeft onderbouwd dat de door haar gestelde resterende uitloopmogelijkheid van ongeveer 8 meter onder de gegeven omstandigheden te kort was en dat zij daardoor is gevallen. Een en ander kan niet zonder meer worden aangenomen en vormt de kern van het verwijt dat zij NUOVO nu maakt. Ook als alsnog bewijs zou worden geleverd van haar stelling dat die dag de start- en finishlijn waren verschoven waardoor er minder uitloopmogelijkheid was, zou haar vordering naar het oordeel van de rechtbank moeten stranden op dit punt. Daarbij is van belang dat de overgelegde stukken geen steun bieden voor de stelling van [eiseres] dat andere leerlingen (ook) last hadden van de (te) korte uitloopmogelijkheid. Dat 8 meter uitloop in het algemeen of voor [eiseres] in het bijzonder te kort is om veilig tot stilstand te kunnen komen is op geen enkele wijze nader onderbouwd. [eiseres] gaat in de dagvaarding nog in op de instructies voor en het toezicht tijdens de sprint, alsook op de nazorg na haar val. [eiseres] stelt dat er te weinig is geoefend voor de sprint, maar dat heeft zij verder niet onderbouwd en evenmin is gesteld of gebleken dat haar val daar enig verband mee hield. [eiseres] stelt dat de begeleidende docent (doordat andere leerlingen daar (ook) last van hadden) had moeten merken dat de uitloopmogelijkheid te kort was en dat te laat is gemerkt dat zij viel en mogelijkerwijs anders gehandeld had moeten worden na haar val. Ook dat is echter niet nader onderbouwd en door NUOVO betwist. Een en ander leidt tot de conclusie dat niet is gebleken dat (een docent van) NUOVO onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] zodat haar vorderingen moeten worden afgewezen.

4.5.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van NUOVO worden begroot op:

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.517,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van NUOVO tot op heden begroot op € 1.517,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2015.1

1 type: PD/4096 coll: JS