Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9576

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
07.662523-10 (ontneming)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering gedeeltelijk afgewezen, verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 07.662523-10 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juni 2015

in de ontnemingszaak tegen

[niet-veroordeelde/betrokkene] ,

geboren [1975] te Distrikt [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

hierna te noemen: [niet-veroordeelde/betrokkene] .

1 PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek, te weten:

  • -

    de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van 14 juni 2012 ten bedrage van € 114.576,--;

  • -

    een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 27 april 2012, opgemaakt door [A] , buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam als financieel deskundige bij de Financiële Recherche Dienst van Politie Flevoland;

- de overige stukken behorende tot het ontnemingsdossier met parketnummer 07.662523-10, waartoe onder meer behoren:

  • -

    een nadere conclusie van 31 maart 2015 van het openbaar ministerie, met als bijlage een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij van 24 februari 2013, opgemaakt door [B] , inspecteur, werkzaam als financieel rechercheur bij de Financiële Recherche Dienst van Politie Flevoland;

  • -

    een conclusie van mr. N. Hendriksen, advocaat te Purmerend, ontvangen door de rechtbank op 1 juni 2015;

- de stukken behorende tot het strafdossier met parketnummer 07.662523-10, waartoe onder meer behoort het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 16 februari 2015.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015, waarbij zijn gehoord:

  • -

    mr. C.J. Zweers, officier van justitie;

  • -

    mr. N. Hendriksen, raadsman van [niet-veroordeelde/betrokkene] .

Het onderzoek is gesloten op 23 juni 2015.

2 BEOORDELING

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag van het door [niet-veroordeelde/betrokkene] wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid (de rechtbank begrijpt: vijfde lid), van het Wetboek van Strafrecht vaststelt en aan [niet-veroordeelde/betrokkene] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel.

Bij vordering van 14 juni 2012 is gevorderd het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit onroerend goed vast te stellen op € 114.576,-- en aan [niet-veroordeelde/betrokkene] een betalingsverplichting voor dat bedrag op te leggen. Bij nadere conclusie van 31 maart 2015 is gevorderd het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij vast te stellen op € 44.525,25 en een betalingsverplichting voor dat bedrag toe te wijzen. Laatstgenoemde vordering is door de officier van justitie aangekondigd bij de behandeling van de onderliggende strafzaak tegen [niet-veroordeelde/betrokkene] ter terechtzitting van 23 januari 2015.

Bij requisitoir is gesteld dat de door de verdediging op 1 juni 2015 ingediende conclusie niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn is ingediend en dat de verdediging om die reden daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering af te wijzen voor zover deze ziet op vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel uit onroerend goed. Hij heeft daartoe gesteld dat [niet-veroordeelde/betrokkene] is vrijgesproken van de hem ten laste gelegde valsheid in geschrift en het witwassen van woningen, hypothecaire geldleningen en inkomsten uit verhuur van een woning. Voorts dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering voor zover deze betrekking heeft op vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. Er is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel om reden dat het openbaar ministerie op geen enkel moment sinds de start van de strafzaak tegen [niet-veroordeelde/betrokkene] melding heeft gemaakt van het voornemen om in relatie tot de hennepkwekerij voordeel te willen ontnemen. Bij [niet-veroordeelde/betrokkene] is daarom het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen betrekking had op vermeend voordeel uit de hennepplantage.

Oordeel van de rechtbank

Aan de verdediging is een nadere termijn gegeven voor het indienen van een conclusie, welke termijn eindigde op 1 juni 2015. Nu de conclusie op die datum door de rechtbank is ontvangen, zal de rechtbank rekening houden met (de inhoud van) deze conclusie.

Wederrechtelijk verkregen voordeel uit onroerend goed

[niet-veroordeelde/betrokkene] is bij vonnis van deze rechtbank van 16 februari 2015 vrijgesproken van de hem ten laste gelegde valsheid in geschrift (feit 1.) en het witwassen van woningen, hypothecaire geldleningen en inkomsten uit verhuur van woningen (feit 2.).

Gelet op deze vrijspraak moet de vordering, voor zover deze betrekking heeft op vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel uit onroerend goed, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op een bedrag van € 114.576,--, worden afgewezen.

Wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij

Gelet op hetgeen door de raadsman en door de officier van justitie naar voren is gebracht, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het voornemen tot het indienen van de vordering, voor zover deze betrekking heeft op vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt, door de officier van justitie geschat op een bedrag van € 44.525,25, op de bij de wet voorgeschreven wijze is aangekondigd.

Op grond van artikel 311, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering maakt de officier van justitie, voor zover dit aan de verdachte niet al eerder was gebleken, bij requisitoir kenbaar of het voornemen bestaat een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken. De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 december 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AK3574) vastgesteld dat deze bepaling een waarborgfunctie heeft, namelijk dat de betrokkene uiterlijk vóór de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg in de hoofdzaak bekend is met dit voornemen van de officier van justitie en dat dit voornemen in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt vastgelegd.

De vordering is gedaan bij nadere conclusie van het openbaar ministerie van 31 maart 2015. De officier van justitie heeft gesteld dat het voornemen om deze vordering aanhangig te maken kenbaar is gemaakt ter terechtzitting van 23 januari 2015, hetgeen door de raadsman wordt betwist.

De rechtbank heeft evenwel vastgesteld dat blijkens de zittingsaantekeningen van de terechtzitting van 23 januari 2015 door de officier van justitie geen melding is gemaakt van een voornemen tot het aanhangig maken van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt.

Om die reden moet worden vastgesteld dat [niet-veroordeelde/betrokkene] pas bij nadere conclusie van het openbaar ministerie van 31 maart 2015 in kennis is gesteld van de (nadere invulling van de) vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt.


Voor de vraag of dit inderdaad, zoals door de verdediging bepleit, tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dient te leiden dient de rechtbank na te gaan of er sprake is van een gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen en indien daarvan sprake is of deze schending van dit vertrouwen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in die vordering.


In dat kader stelt de rechtbank vast dat dat de officier van justitie gedurende bijna drie jaren in de gelegenheid is geweest om aan te geven dat de ingediende ontnemingsvordering niet alleen zag op wederrechtelijk verkregen voordeel uit onroerend goed, maar tevens op wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij; namelijk van de aanvang van de behandeling van de strafzaak tegen [niet-veroordeelde/betrokkene] op 16 maart 2012 tot het sluiten van het onderzoek op 2 februari 2015. Dat is evenwel niet gebeurd. Voorafgaande aan de zitting van 23 januari 2015, waarin een getuige zou worden gehoord in het kader van de tenlastegelegde hennepkwekerij, heeft het openbaar ministerie weliswaar stukken uit het dossier van de getuige aan de verdediging toegestuurd waaronder ontnemingsstukken, maar ook toen is op geen enkele manier kenbaar gemaakt dat tegen veroordeelde een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt aanhangig zou worden gemaakt. Eerst na het wijzen van het vonnis door de rechtbank heeft de officier van justitie de vordering in die zin aangepast dat deze vanaf dat moment alleen nog zag op winsten gemaakt met de hennepkwekerij.

Mede gezien het aan de initiële ontneming ten grondslag liggende ontnemingsproces-verbaal, waarin over een hennepkwekerij niet wordt gesproken, heeft [niet-veroordeelde/betrokkene] er tot 31 maart 2015 vanuit mogen gaan dat de vordering betrekking had op wederrechtelijk verkregen voordeel uit onroerend goed en juist níet op het feit betreffende de hennepkwekerij.

Nu vast staat dat [niet-veroordeelde/betrokkene] voor de feiten betreffende het onroerend goed is vrijgesproken acht de rechtbank de aanpassing van de ontnemingsvordering zodanig in strijd met het vertrouwensbeginsel dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in deze ontnemingsvordering.

3 BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht voor zover deze vordering betrekking heeft op vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel uit onroerend goed;

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht voor zover deze vordering betrekking heeft op vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mrs. M.C. Oostendorp en E.M. de Stigter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2015.

Mr. F.R. Horst, griffier, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen