Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9538

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
UTR 15/3801
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Verweerder heeft eisers verklaring van geen bezwaar voor het vervullen van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven ingetrokken. Verweerder heeft in het bestreden besluit geen blijk gegeven van een concrete en individuele belangenafweging. Daarnaast heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt hoe hij het feit dat eiser niet langer wordt tegengeworpen dat hij zijn eigen behoeften boven de lichamelijke integriteit en veiligheid van anderen heeft gesteld omdat daarvan niet is gebleken, heeft meegewogen in deze belangenafweging. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/3801

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H.C. Vroege),

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder

(gemachtigden: mr. R.Z.J. Coret en mr. L.M.M. Heppe).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de afgegeven verklaring van geen bezwaar voor het vervullen van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, ingetrokken.

Bij besluit van 10 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is vanaf [datum] werkzaam als gezagvoerder bij [vliegtuigmaatschappij] . Voor het vervullen van deze vertrouwensfunctie is door verweerder aan eiser op 9 juni 2009 een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Op 3 juli 2014 is een hernieuwd veiligheidsonderzoek ingesteld in verband met het verstrijken van de vijfjaarstermijn na de vorige verklaring van geen bezwaar. Uit dat onderzoek is gebleken dat eiser onherroepelijk is veroordeeld wegens het in bezit hebben van een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, voorts het verspreiden daarvan, meermalen gepleegd. Verweerder heeft vervolgens het voornemen kenbaar gemaakt de verklaring van geen bezwaar in te trekken en eiser in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Eiser heeft hierop niet gereageerd, waarna verweerder het primaire besluit heeft genomen. Onder instemming met het advies van de Bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken (de commissie) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. In het advies van 19 maart 2015 heeft de commissie, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“In artikel 1, tweede lid, onder l, van de Beleidsregel [vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op burgerluchthavens (de beleidsregel)], is een restcategorie opgenomen van ‘andere feiten die een risico kunnen opleveren voor de veiligheid van de burgerluchtvaart’. De commissie acht het onderbrengen van delicten in deze categorie in het algemeen aanvaardbaar, mits deugdelijk wordt gemotiveerd waarom het betreffende delict een veiligheidsrisico oplevert voor de burgerluchtvaart. De commissie is van opvatting dat aan deze eis niet is voldaan, zodat het besluit niet steunt op een deugdelijke motivering. Verweerder heeft in het besluit niet aannemelijk gemaakt dat in de uitoefening door belanghebbende van de functie van gezagvoerder, een risico voor de nationale veiligheid niet kan worden uitgesloten. Het besluit bevat bovendien aannames over de intenties van belanghebbende gedurende de pleegperiode van het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld. Tegen de achtergrond van hetgeen hierover is gesteld in het aanvullend bezwaarschrift en hetgeen belanghebbende hierover ter zitting heeft verklaard, acht de commissie het (morele) oordeel van verweerder dat belanghebbende zijn eigen behoeften heeft gesteld boven de lichamelijke integriteit en veiligheid van anderen, onvoldoende gefundeerd. Gebreken in de motivering kunnen in het algemeen bij het besluit op bezwaar worden hersteld. In dit geval hoeft de heroverweging in het kader van de voorbereiding van dit besluit niet noodzakelijkerwijs tot een andere uitkomst te leiden.”

Verweerder heeft in het bestreden besluit ten aanzien van het advies van de commissie het volgende overwogen:

“Ik deel het oordeel van de commissie dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Ik merk hierover het volgende op. Het in het bezit hebben en houden van kinderpornografie, bij het vervaardigen waarvan de lichamelijke integriteit en veiligheid van kinderen is geschonden, is niet verenigbaar met het vervullen van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, nu bij het vervullen van een dergelijke vertrouwensfunctie juist het beschermen van de lichamelijke integriteit en veiligheid van personen voorop staat.[…] Conform het advies van de commissie wordt u niet langer tegengeworpen dat u uw eigen behoeften boven de lichamelijke integriteit en veiligheid van anderen heeft gesteld omdat hiervan niet is gebleken. Ik merk hierbij voorts op dat de functie die u uitoefent als vertrouwensfunctie is aangemerkt vanwege de plaats waar ze wordt uitgeoefend en niet om de functie op zichzelf.”

3. Eiser heeft aangevoerd dat de beslissing van verweerder afwijkt van het advies van de bezwaarcommissie. De commissie was van oordeel dat het bezwaar moest worden toegewezen, het besluit moest worden herroepen en een nieuwe (volledige) belangenafweging diende te worden gemaakt met inachtneming van hetgeen de commissie had gesteld. Op grond van artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rust er een verzwaarde motiveringsplicht op het bestuursorgaan dat besluit een advies van een adviescommissie te passeren. Aan deze verplichting is door verweerder in het geheel geen invulling gegeven. Verweerder komt in het bestreden besluit op een fundamenteel punt tegemoet aan het bezwaar door te vermelden dat hij niet langer tegenwerpt dat eiser zijn eigen behoeften boven de lichamelijke integriteit en veiligheid van anderen heeft gesteld. Dit had dan ook tot gegrond verklaring van het bezwaar dienen te leiden.

Hiernaast heeft eiser aangevoerd dat de bijzondere omstandigheden die hij heeft aangevoerd door verweerder ten onrechte niet althans niet inzichtelijk in de belangenafweging zijn betrokken, maar dat verweerder heeft volstaan met een onbepaalde en algemene formulering. Eiser heeft toegelicht dat sprake is van de volgende bijzondere omstandigheden. In 2007 is bij hem hiv geconstateerd. Niet lang daarna overleed zijn broer met wie hij zeer hecht was. Door deze traumatische gebeurtenissen heeft hij verkeerde keuzes gemaakt in zijn privésfeer. Eiser heeft ruzie gekregen met een ‘vriend’ die kinderpornografie op eisers computer heeft geplaatst na een ruzie over de terugbetaling van een door eiser verstrekte geldlening, waarna vervolging van eiser volgde. Gezien de unieke samenloop van omstandigheden is de kans op herhaling van het strafbare feit zeer onwaarschijnlijk. Eiser is zijn problemen door behandeling door een psycholoog en door een verhuizing en verandering van sociale omgeving alsmede door steun van zijn huidige sociale omgeving te boven gekomen. Verweerder werpt eiser bovendien niet langer tegen dat hij zijn eigen behoeften boven de lichamelijke integriteit en veiligheid van anderen heeft gesteld. Eiser wijst verder op zijn staat van dienst en functioneren.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van een motiveringsgebrek geen sprake is nu uit het advies van de commissie blijkt dat gebreken in de motivering in het algemeen bij het besluit op bezwaar kunnen worden hersteld. Ook heeft de commissie erop gewezen dat de heroverweging in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit niet noodzakelijkerwijs tot een andere uitkomst hoeft te leiden, aldus verweerder.

Verder heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) blijkt dat uitgangspunt bij de belangenafweging is, gelet op het bijzondere karakter van de functie, dat meer gewicht toekomt aan het belang van de nationale veiligheid dan aan het persoonlijke belang van de betrokkene. De door eiser aangevoerde omstandigheden wegen niet zo zwaar dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken, aldus verweerder.

5. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo) is – voor zover hier van belang – verweerder bevoegd, na het verstrijken van een termijn van vijf jaren of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van de verklaring of indien hem blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, een veiligheidsonderzoek te doen instellen naar een persoon die een vertrouwensfunctie vervult.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wvo is verweerder bevoegd tot intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien een nieuw veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om vast te stellen dat voldoende waarborgen aanwezig zijn.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit geen blijk heeft gegeven van een concrete en individuele belangenafweging. De door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden zijn door verweerder niet zichtbaar afgewogen. Daarnaast heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt hoe hij het feit dat eiser niet langer wordt tegengeworpen dat hij zijn eigen behoeften boven de lichamelijke integriteit en veiligheid van anderen heeft gesteld omdat daarvan niet is gebleken, heeft meegewogen in deze belangenafweging. De door verweerder in het verweerschrift en ter zitting gegeven toelichting maakt het voorgaande niet anders. Verweerder merkt daarin terecht op dat volgens vaste rechtspraak uitgangspunt bij de belangenafweging is dat, gelet op het bijzondere karakter van de functie, meer gewicht toekomt aan het belang van de nationale veiligheid dan aan het persoonlijke belang van de betrokkene. Dit betekent echter niet dat verweerder in een concrete zaak kan volstaan met de enkele vermelding dat dit uitgangspunt wordt gevolgd, zonder de bijzondere omstandigheden die zijn aangevoerd inzichtelijk te wegen en zonder te motiveren waarom die omstandigheden van onvoldoende gewicht zijn om in deze zaak van het uitgangspunt af te wijken.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a, van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder motiveren waarom, ondanks de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden, in dit concrete geval meer gewicht toekomt aan de belangen van de nationale veiligheid en dat bij het uitoefenen van de functie door eiser een risico voor de nationale veiligheid niet kan worden uitgesloten. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.

7. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

8. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Habermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele)

einduitspraak in deze zaak.