Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9463

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
22-01-2016
Zaaknummer
UTR 15 3998
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen verleende ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet (Ffw) voor activiteiten in verband met de herontwikkeling van Fort Uitermeer te Weesp. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de ecologische functionaliteit van de vaste rust- of verblijfplaatsen van de ringslang niet in het geding komt, zodat verweerder heeft kunnen concluderen dat artikel 11 van de Ffw niet zal worden overtreden. Verweerder heeft ontheffing kunnen verlenen voor de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis, de baardvleermuis, de heikikker, de waterspitsmuis, de bittervoorn, de rivierdonderpad, de kleine modderkruiper en de grote modderkruiper. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de gunstige stand van instandhouding van deze diersoorten niet in gevaar komt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor de herontwikkeling van Fort Uitermeer en dat sprake is van een dwingende reden van cultuur-historisch belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/3998

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 november 2015 in de zaak tussen

Stichting flora- en faunabescherming Weesp, te Weesp, eiseres

(gemachtigden: [A] , [B] en mr. A.H. Jonkhoff)

en

De Staatssecretaris van Economische Zaken, namens deze, de teammanager Juridische Zaken Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.W. Tieleman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Uiteraard Uitermeer, te Weesp

(gemachtigden: [X] , voorzitter).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij een ontheffing verleend op grond van de Flora- en faunawet (Ffw) voor activiteiten in verband met de herontwikkeling van Fort Uitermeer te Weesp.

Bij besluit van 3 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. Derde-partij heeft een reactie ingediend.

Deze zaak is gelijktijdig met het beroep met nummer UTR 14/3158 en het verzoek om een voorlopige voorziening met nummer UTR 15/3931 op de zitting van

10 september 2015 behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting toen aangehouden. De tussen partijen ter zitting gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een verkort proces-verbaal van 10 september 2015.

Eiseres en derde-partij hebben bij brieven van respectievelijk 27 en 25 september 2015 nadere reacties ingediend.

Het onderzoek ter zitting is, gelijktijdig met de hiervoor genoemde zaken, voortgezet op

16 oktober 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, vergezeld van [C] van [naam] en [D] van Stichting [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij is haar gemachtigde verschenen, vergezeld van [Y] van [naam] , [Z] van [naam] , [W] en [V] van EcoGroen en [U] , vrijwilliger van derde-partij.

In de genoemde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst voor de relevante feiten en omstandigheden naar haar uitspraak van heden met nummer UTR 14/3158.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 75, derde lid, van de Ffw ontheffing verleend voor de in de aanvraag genoemde werkzaamheden van de in artikel 11 van de Ffw neergelegde verboden voor de baardvleermuis, de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis, de heikikker, de bittervoorn, de grote modderkruiper, de kleine modderkruiper en de rivierdonderpad. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soorten tijdelijk worden verstoord, met uitzondering van de waterspitsmuis. Wat betreft de waterspitsmuis kunnen volgens het bestreden besluit door de werkzaamheden voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen worden beschadigd, vernield en verstoord. Volgens verweerder komt de gunstige staat van instandhouding van de genoemde soorten niet in gevaar, mits wordt gewerkt volgens de in het Activiteitenplan opgenomen maatregelen en de aan de ontheffing verbonden voorschriften. Verweerder heeft voorts getoetst aan artikel 75, zesde lid, van de Ffw in samenhang bezien met artikel 2, derde lid, onder e, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (Vrijstellingsbesluit). In dit verband heeft verweerder overwogen dat er geen bevredigend alternatief voor het project bestaat en dat er een dwingende reden van groot openbaar belang is om het project te realiseren.

Ten aanzien van de ringslag heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat door het uitvoeren van de in het Activiteitenplan opgenomen maatregelen wordt voorkomen dat de verbodsbepaling van artikel 11 van de Ffw wordt overtreden, zodat daarvoor geen ontheffing is vereist.

3. De ontheffing is verleend voor de periode van 24 april 2015 tot en met

31 december 2019. Aan de ontheffing zijn voorschriften verbonden.

4. Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, derde lid, van de Ffw kan verweerder ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a van de Ffw.

Ingevolge het vijfde lid van deze bepaling worden ontheffingen slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onderdeel c, wordt, onverminderd het vijfde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en, voor zover hier relevant, voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten, vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Vrijstellingsbesluit zijn aangewezen als beschermde dier- en plantensoorten als bedoeld in artikel 75, zesde lid, van de Ffw de dier- en plantensoorten, genoemd in bijlage 1 bij dit besluit.

Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder e, van het Vrijstellingsbesluit zijn als andere belangen als bedoeld in artikel 75, zesde lid, aanhef en onderdeel c, van de Ffw aangewezen dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (bijv. 21 maart 2012, ECLI:NL:RVSL2012:BV9455 en 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3701) vloeit uit artikel 75 van de Ffw voort dat bij de beoordeling van de vraag of een ontheffing kan worden verleend, een dwingend en beperkt toetsingskader wordt gehanteerd. De ontheffing kan slechts worden verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort. Dit geldt voor alle in de ontheffing betrokken diersoorten.

Voor de soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn en voor soorten genoemd in bijlage 1 bij het Vrijstellingsbesluit geldt als aanvullende voorwaarde dat ontheffing slechts kan worden verleend indien geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op de in artikel 75, zesde lid, van de Ffw en in het krachtens die bepaling vastgestelde Vrijstellingsbesluit nader aangeduide belangen. De baardvleermuis, de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis en de heikikker behoren tot de strikt beschermde soorten, zoals genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. De bittervoorn, de grote modderkruiper en de waterspitsmuis zijn opgenomen in bijlage 1 bij het Vrijstellingsbesluit.

Niet alle werkzaamheden in beoordeling ontheffing meegenomen?

5.1

Eiseres voert aan dat de ontheffing ten onrechte niet ziet op alle activiteiten die in het Inrichtingsplan zijn beschreven. Uit de ontheffing blijkt niet dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven dat er een ondergronds congrescentrum en restaurant zullen worden gerealiseerd, een informatiecentrum wordt opgericht, en de plofhuisjes als B&B zullen worden gebruikt. De gebruiksfase, waarin grote groepen bezoekers van het terrein gebruik maken, is ten onrechte niet in de beoordeling meegenomen. Ook is voor het gebruik van de verlichting op het terrein en voor het uitbaggeren van de grachten geen ontheffing verleend. Verweerder had bij de beoordeling rekening moeten houden met alle toekomstige ontwikkelingen in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer, aldus eiseres.

5.2

De rechtbank stelt vast dat uit het van de aanvraag om ontheffing deel uitmakende Activiteitenplan – en in het bijzonder tabel 4.2 (p. 31 en p. 39) – blijkt dat de aanvraag om ontheffing op een beperkt aantal werkzaamheden op en rondom Fort Uitermeer ziet. Het betreft de volgende werkzaamheden:

  • -

    Aanleggen van een parkeerplaats buiten het terrein.

  • -

    Inrichting van natuurvriendelijke oevers.

  • -

    Aanleg van een dwarssloot.

  • -

    Aantakking van de dwarssloot op omringende sloten.

  • -

    Aanleg sloepensteiger.

  • -

    Aanleg (kano)steiger, boothelling en versterken beschoeiing, en aantakken sloepensteiger op de oever.

  • -

    Afgraven grond tussen sloepenhaven en restaurant.

  • -

    Slopen/renoveren plofhuisjes.

  • -

    Optimaliseren kanonremise als winterverblijf voor vleermuizen.

  • -

    Aanleggen grondwal met beplanting tussen kanonremise en provinciaal wegensteunpunt.

  • -

    Verbreden aanlegsteiger Vecht.

  • -

    Opruimen van puin.

Uit het Inrichtingsplan blijkt dat derde-partij op termijn een congrescentrum, restaurant en informatiecentrum wil realiseren op Fort Uitermeer, plofhuisjes als B&B wil gebruiken en de aanwezige verlichting wil aanpassen en gebruiken, maar de rechtbank stelt vast dat niet het Inrichtingsplan maar het Activiteitenplan ten grondslag ligt aan de aanvraag om ontheffing. Ook uit het Activiteitenplan blijkt dat derde-partij voornemens is deze activiteiten op Fort Uitermeer te ontplooien, maar er wordt tweemaal expliciet aangegeven dat de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op de in tabel 4.2 van het Activiteitenplan genoemde werkzaamheden. Ter zitting is bevestigd dat die andere activiteiten niet in de nabije toekomst zullen worden gerealiseerd, maar dat daarvoor eerst financiële middelen moeten worden gevonden. Derde-partij verwacht dat dit na 2020 zal gebeuren.

Dit betekent dat de ontheffing alleen kan en moet zien op de werkzaamheden in tabel 4.2 van het Activiteitenplan. Nu derde-partij voor de door eiseres genoemde activiteiten en de daarbij behorende gebruiksfase geen ontheffing heeft aangevraagd, kan deze ontheffing daar dus geen betrekking op hebben. Dit sluit aan bij vaste rechtspraak van de ABRvS over de omvang van het geding bij een procedure tegen een ontheffing (bijv. 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2464).

Voor zover verweerder in de ontheffing omschrijft dat de aanvraag betrekking heeft op de realisatie van het project Inrichtingsplan Fort Uitermeer” en de werkzaamheden ook bestaan uit “herstel van de oorspronkelijke fortificatie met integratie van restaurant en realisatie congresruimte” en “aanpassing van de verlichting op het terrein”, berust dit naar het oordeel van de rechtbank op een onjuist uitgangspunt. Zoals uit het voorgaande blijkt, kan de ontheffing zoals nu verleend niet zien op die omschrijving, zodat de rechtbank er van uitgaat dat sprake is van een verschrijving van de zijde van verweerder. De beroepsgrond slaagt niet.

5.3

Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat door de werkzaamheden die niet in de ontheffing zijn meegenomen sprake is van een dreigende overtreding van verbodsbepalingen van de Ffw, waartegen verweerder handhavend dient op te treden, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van heden in zaak UTR 14/3158.

Ontheffing ziet niet op alle beschermde dier- en plantensoorten op Fort Uitermeer?

6.1

Eiseres voert aan dat derde-partij ook ontheffing had moeten aanvragen ten behoeve van andere dan in de aanvraag om ontheffing genoemde beschermde dier- en plantensoorten, namelijk voor de laatvlieger, de tweekleurige vleermuis, de rosse vleermuis, de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de rugstreeppad, de ransuil, de bosuil, de kerkuil, de gierzwaluw, de witsnuitlibel, de groene glazenmaker, de moerasandoorn, de rietorchis, het zomerklokje en overige door eiseres genoemde dier- en plantensoorten.

6.2

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak voortvloeit dat verweerder dient te beslissen op grondslag van de aanvraag zoals door de aanvrager ingediend en eventueel aangepast op zijn verzoek. Dit betekent dat, indien voor bepaalde soorten geen ontheffing is aangevraagd, de ontheffing daarop niet kan zien en deze niet in het kader van een procedure tegen de ontheffing aan de orde kunnen komen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de ABRvS van bijvoorbeeld 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1111. De beroepsgrond slaagt niet.

6.3

Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat door de voorgenomen werkzaamheden in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer sprake is van een dreigende overtreding van verbodsbepalingen van de Ffw voor de door eiseres onder 6.1 genoemde dier- en plantensoorten, waartegen verweerder handhavend dient op te treden, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van heden in zaak UTR 14/3158.

De ontheffing

De ringslang

7.1

Eiseres voert aan dat verweerder zich met betrekking tot de ringslang ten onrechte op het standpunt stelt dat artikel 11 van de Ffw niet wordt overtreden en dat geen ontheffing is vereist. In dat verband voert eiseres onder meer aan dat de ringslang de plofhuisjes als winterverblijfplaats gebruikt en een broeihoop op het terrein aanwezig is. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar het rapport “Afdoend onderzoek” van [naam] van 14 december 2014, “Inventarisatie Fort Uitermeer” van juli 2014 van [naam] en een opstel van [naam] en [D] van [naam] van 5 juni 2015.

7.2

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de ringslang in de directe omgeving van het plangebied is aangetroffen en dat het plangebied algemeen leefgebied van de ringslang vormt. Binnen het plangebied is een kunstmatige broeihoop aanwezig en de oevers en het aangrenzend gebied vormen een geschikt zomer- en foerageergebied. Door de realisatie van natuurvriendelijke oevers, het versterken van de oeverbeschoeiing en het aantakken van de sloepensteiger, zal een geschikt zomer- en foerageerbiotoop van de ringslang verdwijnen. Door het treffen van maatregelen, zoals beschreven op pagina 35 – 37 van het Activiteitenplan, wordt echter de ecologische functionaliteit van de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen niet aangetast, aldus verweerder. De maatregelen bestaan onder meer uit het aanleggen van broeihopen en neerleggen van takkenrillen ter versterking van de ringslangpopulatie, het ongeschikt maken van het leefgebied door de vegetatie op de oever kort af te maaien en het verrichten van de maatregelen in de minst gevoelige perioden. Daarnaast worden de maatregelen uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van de ringslang.

7.3

Volgens vaste rechtspraak (bijv. de uitspraak van de ABRvS van 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2464) vloeit uit de formulering van de verboden neergelegd in artikel 11 van de Ffw voort dat slechts maatregelen die zien op het voorkómen van overtreding van de in die bepaling opgenomen verboden, kunnen worden betrokken bij de beoordeling of die verboden worden overtreden.

7.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat met de voorgestelde maatregelen de ecologische functionaliteit van de vaste rust- of verblijfplaatsen van de ringslang niet, ook niet tijdelijk, in het geding komt. In het door eiseres aangevoerde ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voorgestelde maatregelen geen effect zullen hebben. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de door eiseres overgelegde rapporten en het opstel van [naam] en Jansen kan worden afgeleid dat het terrein en de directe omgeving een geschikt leefgebied voor de ringslang vormt. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. In de rapportage van [naam] wordt vervolgens gesteld dat als gevolg van de herinrichting sprake is van een aantasting van de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de ringslang, maar dit wordt niet concreet onderbouwd. Voor haar oordeel acht de rechtbank tevens van belang dat van de zijde van derde-partij is verklaard dat de plofhuisjes zijn geïnspecteerd en is vastgesteld dat deze ongeschikt zijn als winterverblijfplaats van de ringslang. Door een deskundige is vastgesteld dat de op het terrein aanwezige broeihoop niet functioneert en niet in gebruik is, onder meer vanwege de ongunstige ligging (schaduwwerking) ter plaatse. Op een andere plaats is onder begeleiding van een deskundige een nieuwe broeihoop gemaakt, aldus derde-partij. Gelet hierop, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ringslang terecht geconcludeerd dat artikel 11 van de Ffw niet zal worden overtreden. De beroepsgrond slaagt niet.

De gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis en de baardvleermuis

8.1.

Eiseres betoogt dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat de werkzaamheden aan de kanonremise tot een verbetering van het winterverblijf en het leefgebied van de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis en de baardvleermuis leiden. De werkzaamheden zorgen juist voor een aantasting en vernietiging van het winterverblijf en het leefgebied van deze soorten.

8.2

Uit het Activiteitenplan blijkt dat derde-partij voornemens is de kanonremise te verbeteren als winterverblijf voor de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis en de baardvleermuis. Daartoe wordt op de kanonremise een gronddek aangebracht en in de binnenruimte worden extra hang- en wegkruipmogelijkheden voor vleermuizen gerealiseerd.

8.3

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de kanonremise als gevolg van deze werkzaamheden geschikter wordt als overwinteringsplek voor de genoemde vleermuissoorten. Door de werkzaamheden kunnen voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de genoemde soorten worden verstoord, maar dit zal slechts een tijdelijke en geringe verstoring zijn, aldus verweerder. De gunstige staat van instandhouding van deze soorten komt volgens verweerder niet in gevaar, mits wordt gewerkt volgens de in de ontheffing opgenomen maatregelen en voorwaarden.

8.4

Het betoog van eiseres slaagt niet. Eiseres heeft niet iets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de gunstige staat van instandhouding van de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis en de baardvleermuis door de werkzaamheden in gevaar komt. Gelet hierop, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder de ontheffing ten aanzien van deze diersoorten niet heeft kunnen verlenen.

De heikikker

9.1

Eiseres voert aan dat het weiland waar de parkeerplaats is voorzien, te beschouwen is als een vaste rust- of verblijfplaats van de heikikker. Als gevolg van de realisatie van de parkeerplaats wordt die vaste rust- of verblijfplaats van de heikikker beschadigd en vernield, zodat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van een tijdelijke verstoring van vaste rust- of verblijfplaatsen van deze soort.

9.2

Uit het Activiteitenplan blijkt dat derde-partij voornemens is op een beperkt gedeelte van het weiland buiten Fort Uitermeer, tussen de ’s-Gravenlandsevaart en de Gooilandseweg, ter hoogte van de hoofdentree voor bezoekers van het fort een parkeervoorziening met 63 vakken te realiseren, op enige afstand van de aanwezige sloten. Aan de oostzijde van de parkeerplaats wordt een dwarssloot aangelegd met natuurvriendelijke oevers. Deze dwarssloot wordt aangetakt aan de bestaande sloten langs het weiland. De bestaande sloten krijgen eveneens natuurvriendelijke oevers.

9.3

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de heikikker in het plangebied is aangetroffen. Het weiland vormt voor de heikikker geen optimaal leefgebied, omdat het weiland grote delen van het jaar wordt begraasd door schapen. De sloten rondom het weiland kunnen wel gebruikt worden als voortplantings-gebied voor de heikikker. De oevers van de sloten en de aanwezige bosjes langs de sloten vormen geschikt overwinteringsbiotoop voor de heikikker. Door het realiseren van de natuurvriendelijke oevers worden weliswaar de vaste rust- of verblijfplaatsen van de heikikker in de sloten verstoord, omdat de heikikker wordt gedwongen om de huidige verblijfplaats te verlaten en een alternatief te zoeken. De gunstige staat van instandhouding komt volgens verweerder echter niet in gevaar, mits wordt gewerkt volgens de in de ontheffing opgenomen maatregelen en voorwaarden.

9.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat met de voorgestelde maatregelen en voorschriften de gunstige staat van instandhouding van de heikikker niet in het geding komt. Eiseres stelt dat het weiland een vaste rust- en verblijfplaats van de heikikker vormt, maar heeft dit niet op overtuigende wijze onderbouwd. Uit het door derde-partij overgelegd onderzoek van EcoGroen van 15 juni 2015 blijkt dat het niet aannemelijk is dat het terrein een overwinteringsgebied vormt voor de heikikker, vanwege de lage kwaliteit van het gebied (smalle en overbemeste sloten met een intensief door schapen begraasd grasland) en barrières (wegen en brede watergangen). Eiseres heeft hier geen feiten of omstandigheden tegenover gesteld. De door eiseres overgelegde foto van het betreffende weiland met hoog gras is hiervoor onvoldoende. De rechtbank heeft daarom onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een tijdelijke verstoring van vaste rust- of verblijfplaatsen dan wel dat de gunstige staat van instandhouding van de heikikker in gevaar komt. De beroepsgrond slaagt niet.

De waterspitsmuis

10.1

Eiseres voert allereerst aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat als gevolg van de werkzaamheden, de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de waterspitsmuis enkel worden beschadigd, vernield en verstoord als bedoeld in artikel 11 van de Ffw. Als gevolg van de aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt de waterspitsmuis gedood, verwond en verontrust, zodat een ontheffing is vereist van de in de artikelen 9 en 10 van de Ffw neergelegde verbodsbepalingen, aldus eiseres.

10.2

Zoals in 6.2 is overwogen, dient verweerder te beslissen op grondslag van de aanvraag zoals door de aanvrager ingediend en eventueel aangepast op zijn verzoek. Nu de aanvraag en de ontheffing niet zien op de in de artikelen 9 en 10 van de Ffw neergelegde verboden, kan deze beroepsgrond niet in het kader van onderhavige procedure tegen de ontheffing aan de orde komen (vgl. ABRvS van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1046). De beroepsgrond slaagt niet.

10.3

Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat door de werkzaamheden aan Fort Uitermeer sprake is van een dreigende overtreding van de verbodsbepalingen van de artikelen 9 en 10 van de Ffw voor de waterspitsmuis, waartegen verweerder handhavend dient op te treden, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van heden in zaak

UTR 14/3158.

10.4

Eiseres betwist verder het standpunt van verweerder met betrekking tot

artikel 11 van de Ffw dat de gunstige staat van instandhouding van de waterspitsmuis niet in gevaar komt als gevolg van de werkzaamheden.

10.5

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de waterspitsmuis in het plangebied is aangetroffen. Door de werkzaamheden, bestaande uit de realisatie van natuurvriendelijke oevers ter hoogte van de aan te leggen parkeervoorziening en de sloepenhaven, het versterken van de oeverbeschoeiing, de aanleg van de kanosteiger en boothelling ter hoogte van de sloepenhaven en het optimaliseren van de noordelijke oevers van de zuidelijke buitengracht, acht verweerder het weliswaar aannemelijk dat voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen van de waterspitsmuis worden beschadigd, vernield en verstoord. De gunstige staat van instandhouding van de soort komt volgens verweerder echter niet in gevaar, mits de maatregelen, zoals beschreven op pagina 33 en 34 van het Activiteitenplan, worden getroffen en wordt gewerkt volgens de aan de ontheffing verbonden voorschriften. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat door het realiseren van natuurlijke oevers en het graven van nieuwe watergangen nieuw geschikt leefgebied ontstaat voor de waterspitsmuis.

10.6

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat met de voorgestelde maatregelen en voorschriften de gunstige staat van instandhouding van de waterspitsmuis niet in gevaar komt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de rapporten van [naam] (van 5 juni 2015) kan worden afgeleid dat het leefgebied van de waterspitsmuis als gevolg van de werkzaamheden wordt aangetast. Ook verweerder gaat hiervan uit. In het rapport van [naam] wordt gesteld dat de te graven sloot langs het te realiseren parkeerterrein geen geschikte habitat voor de waterspitsmuis zal vormen, vanwege vervuiling en trillingen door verkeer, zodat geen nieuw leefgebied voor de waterspitsmuis ontstaat. Deze enkele, niet nader onderbouwde stelling is onvoldoende om de aanname van verweerder dat dit wel het geval is, in twijfel te trekken. De rechtbank vindt die aanname geenszins onaannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de gunstige staat van instandhouding van de waterspitsmuis niet in gevaar komt. De beroepsgrond slaagt niet.

De bittervoorn, de rivierdonderpad, de kleine modderkruiper en de grote modderkruiper

11.1

Volgens eiseres stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat vaste rust- of verblijfplaatsen van de bittervoorn, de kleine modderkruiper, de rivierdonderpad en de grote modderkruiper als gevolg van de werkzaamheden slechts tijdelijk worden verstoord. Het afgraven van de oevers leidt tot het vernietigen van de vaste rust- of verblijfplaatsen van deze soorten. De in de ontheffing voorgeschreven maatregelen, bestaande uit het realiseren van een nieuwe sloot ter hoogte van het weiland waar de parkeervoorziening is voorzien, heeft geen positief effect op de genoemde soorten. De soorten komen daar niet voor en de watergangen rondom dit weiland staan niet in verbinding met de watergangen waar de soorten wel leven.

11.2

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat door het realiseren van natuurvriendelijke oevers, waardoor het water tijdelijk vertroebeld wordt, de genoemde soorten gedwongen worden de huidige verblijfplaats te verlaten en een alternatief leefgebied te zoeken. In de omgeving blijft echter voldoende geschikt leefgebied over. Voorts komt door het treffen van maatregelen, zoals beschreven op pagina 37 – 38 van het Activiteitenplan, en het verbinden van voorwaarden aan de ontheffing, de gunstige staat van instandhouding van deze soorten niet in gevaar, aldus verweerder.

11.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat met de voorgestelde maatregelen en voorschriften de gunstige staat van instandhouding van de bittervoorn, de kleine modderkruiper en de rivierdonderpad niet in gevaar komt. De rechtbank acht voor dit oordeel van belang dat de door eiseres meegebrachte deskundige van Stichting [naam] ter zitting ten aanzien van de bittervoorn, de kleine modderkruiper en de rivierdonderpad heeft verklaard dat de gunstige staat van instandhouding van deze soorten als gevolg van de werkzaamheden niet in gevaar komt. Met betrekking tot de grote modderkruiper heeft die deskundige zich ter zitting op het standpunt gesteld dat deze diersoort zeer zeldzaam is en dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar de aanwezigheid daarvan in het plangebied. De rechtbank overweegt dat uit het Activiteitenplan en de notities van EcoGroen blijkt dat derde-partij onderzoek heeft laten uitvoeren naar de aanwezigheid van de grote modderkruiper. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze onderzoeken onzorgvuldig of anderszins ondeugdelijk zijn. Gelet op deze onderzoeken heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de gunstige staat van instandhouding van de grote modderkruiper niet in het geding is. De beroepsgrond slaagt niet.

Andere bevredigende oplossing

12.1

Eiseres betoogt dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor de herontwikkeling van Fort Uitermeer. Daartoe voert eiseres aan dat het terrein van het wegensteunpunt een geschikt alternatief is voor het realiseren van een parkeervoorziening. De overige werkzaamheden in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer kunnen plaatsvinden op industrieterrein Noord te Weesp, aldus eiseres. Voorts heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of de inrichting van het terrein voor de beschermde diersoorten het beste alternatief is.

12.2

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen andere bevredigende oplossing bestaat voor de hiervoor onder 5.2 genoemde werkzaamheden die derde-partij in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer voornemens is te verrichten. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat het wegensteunpunt in beheer is bij de provincie Noord-Holland, derde-partij over dit deel van het terrein geen zeggenschap heeft en het bestemmingsplan de aanleg van een parkeervoorziening op het fortterrein zelf niet mogelijk maakt. Voorts heeft verweerder van belang kunnen achten dat door de realisatie van een parkeervoorziening op het weiland buiten het fortterrein het fortterrein zelf autovrij blijft, hetgeen minder natuurbelastend zal zijn. De stelling van eiseres, dat de overige werkzaamheden in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer kunnen plaatsvinden op industrieterrein Noord te Weesp, kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank ziet niet in hoe de hiervoor onder 5.2 beschreven werkzaamheden, die onder meer betrekking hebben op de inrichting van natuurvriendelijke oevers, de aanleg van een sloepensteiger en het slopen/renoveren van de op het aanwezige terrein plofhuisjes, op de door eiseres genoemde locatie kunnen plaatsvinden. Dat eiseres liever een andere invulling van het fortterrein zou zien, kan in dit kader niet aan de orde komen; verweerder is er niet voor om alternatieve plannen tegen elkaar af te wegen. Voor zover eiseres zich op het standpunt bedoelt te stellen dat een congresruimte en restaurant op de door eiseres genoemde locatie kunnen worden gerealiseerd, verwijst de rechtbank ook naar hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen. De beroepsgrond slaagt niet.

Dwingende redenen van openbaar belang

13.1

Eiseres voert voorts aan dat geen sprake is van dwingende redenen van openbaar belang als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder e, van het Vrijstellingsbesluit die de verlening van de ontheffing rechtvaardigen. Ter zitting heeft eiseres in dat verband aangevoerd dat de herinrichting een zeer beperkt aantal arbeidsplaatsen oplevert, zodat geen sprake is van een regionaal werkgelegenheidsbelang. Ook het inrichten van Fort Uitermeer voor recreatief gebruik kan niet worden aangemerkt als een dwingende reden van openbaar belang. Het terrein is nu al open en toegankelijk voor publiek en recreatieve voorzieningen zijn niet noodzakelijk om het publiek van de natuur te laten genieten. Het standpunt van verweerder, dat de exploitatie van Fort Uitermeer noodzakelijk is om gelden te genereren voor de instandhouding, het onderhoud en de ontwikkeling van de culturele-, historische- en natuurwaarden van Fort Uitermeer, is volgens eiseres onjuist, omdat de provincie Noord-Holland reeds één miljoen euro heeft geïnvesteerd in de consolidatie van Fort Uitermeer. Voor zover financiële middelen nodig zouden zijn voor het onderhoud en de instandhouding van Fort Uitermeer kunnen deze op andere manieren dan door de exploitatie van recreatieve voorzieningen verkregen worden, aldus eiseres.

13.2

De rechtbank merkt op dat het werkgelegenheidsbelang, gelet op het beperkte aantal arbeidsplaatsen in verband met de activiteiten op Fort Uitermeer, onvoldoende substantieel is om de verlening van de ontheffing te rechtvaardigen. Verweerder heeft zich echter naar het oordeel van de rechtbank wel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een dwingende reden van cultuur-historisch belang. In dat verband heeft verweerder mogen overwegen dat Fort Uitermeer deel uitmaakt van de (Oude) Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, en dat de Stelling van Amsterdam is opgenomen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Dit maakt dat aan initiatieven ter instandhouding van het fort, zoals derde-partij voorstaat, en daarmee behoud van het cultuur-historisch erfgoed een zwaarwegend belang mag worden gehecht. Daarbij stelt de rechtbank vervolgens vast dat verweerder tevens in aanmerking heeft genomen dat door de werkzaamheden slechts sprake is van een tijdelijke verstoring van de betreffende soorten en dat de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar komt. Deze afweging van verweerder sluit aan bij de lijn in het arrest van het Hof van Justitie van 20 september 2007 (ECLI:EU:C:2007:532), waaruit volgt dat het belang dat met de uitvoering van het project is gediend, dient te worden afgewogen tegen de aantasting van in dit geval de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de in het gebied voorkomende soorten.

In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder de ontheffing niet in redelijkheid ten behoeve van dit doel heeft kunnen verlenen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, en mr. V.M.M. van Amstel en mr. ing. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. A.M.E. van Kessel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.