Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:940

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-02-2015
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
07/662454-11 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele jaren schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen en voertuigen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de integriteit van het financiële en economische verkeer en stelt criminelen in staat om met hun illegaal verkregen geld een maatschappelijke en financiële status te verwerven die zij niet behoren te hebben.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 07/662454-11 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 16 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Behandelingen van deze zaak hebben plaatsgevonden op 15 en 29 maart 2012,

4 en 6 juli 2012, 6 en 26 november 2012, 26 maart 2013, 9 april 2013,

9 en 12 september 2013, 11, 12, 19 en 20 november 2013, 19 december 2013,

20 maart 2014 en 10 april 2014.

Het onderzoek ter terechtzitting is (opnieuw) aangevangen op 17 november 2014 en heeft vervolgens plaatsgevonden op de openbare terechtzittingen van 18 en 20 november 2014,

1 december 2014 en 2 februari 2015.

De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van

1 december 2014, waarbij de officier van justitie en de raadsman, mr. E.M. Steller, advocaat te Amsterdam, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv). De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander een (gefingeerd) inkomen, luxegoederen – waaronder voertuigen – en (gefingeerde) schuldbekentenissen heeft witgewassen;

feit 2: samen met een ander valsheid in geschrift heeft gepleegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde witwassen van een (gefingeerd) inkomen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het overige onder 1 (witwassen van luxegoederen, waaronder voertuigen en (gefingeerde) schuldbekentenissen) en het onder 2 ten laste gelegde (valsheid in geschrift).

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1


Ten aanzien van feit 1

Vrijspraak van een (gefingeerde) lening(en)/schuldbekentenis(sen)

In de woning van verdachte te Amsterdam zijn op 31 oktober 2011 twee ongedateerde overeenkomsten aangaande geldleningen gevonden. Het gaat om een geldlening van 20.000 Engelse ponden van [bedrijf 1] Ltd uit Kent aan verdachte en een geldlening van 20.000 Engelse ponden van [bedrijf 2] Ltd uit Kent aan verdachte.

Voor een bewezenverklaring van witwassen is in elk geval vereist dat het voorwerp dat wordt witgewassen afkomstig is uit een daaraan voorafgaand misdrijf.

Nu op geen enkele manier is komen vast te staan dat de documenten inhoudende leningsovereenkomsten zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken, kan niet worden vastgesteld dat de leningsovereenkomsten uit enig misdrijf afkomstig zijn. Reeds om die reden kan van het witwassen van (gefingeerde) leningen/schuldbekentenissen geen sprake zijn. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover dat betrekking heeft op de (gefingeerde) lening(en)/schuldbekentenis(sen).

Ten aanzien van feit 1

Verdachte en zijn (fiscale) partner hebben in de periode van 1 januari 2004 tot en met

31 december 2010 een besteedbaar netto inkomen gehad van € 31.486,00.2

Een (gefingeerd) maandelijks inkomen met een totaal van € 14.939,92

Vanaf bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 3]3 zijn in de periode van 28 juni 2007 tot en met 24 januari 2008 telkens geldbedragen van € 1.867,03 of € 1.867,87 overgeboekt onder vermelding van (kortweg) “salaris [winkel]” of “salaris [winkel]” naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte]4 (verder: verdachte). Het in totaal in die periode overgeboekte bedrag is € 14.939,92.5 Op bankrekeningnummer [rekeningnummer] van verdachte hebben in de periode van juni 2007 tot en met januari 2008 bijschrijvingen van deze bedragen plaatsgevonden.6 Van deze bankrekening zijn in die periode velerlei bedragen afschreven ten behoeve van betalingen aan verzekeraars, een woningbouwvereniging, de belastingdienst en betalingen van abonnementsgelden.7

[bedrijf 3] is een eenmanszaak die wordt gedreven voor rekening van medeverdachte [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1]).8

Degenen die salaris betaald hebben gekregen via de bankrekening van [bedrijf 3] hebben daar nooit gewerkt.9 Alles wat over de bankrekening van [bedrijf 3] ging was “fake”.10 [medeverdachte 1] stortte daartoe contante geldbedragen op deze bankrekening die hij kreeg van [medeverdachte 2] of [A]11 (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] of [A]),12 waarna deze bedragen werden overgemaakt naar anderen, veelal door [A].13 Eén van de bedrijven op naam waarvan [medeverdachte 1] valse papieren heeft opgemaakt is [winkel].14

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de maandelijkse bijschrijvingen van € 1.867,03 dan wel € 1.867,87 afkomstig zijn uit een fictief dienstverband van verdachte bij [winkel] en ook dat deze bijschrijvingen vervolgens zijn aangewend voor bestedingen van consumptieve en huishoudelijke aard.

Voertuigen

Op 23 november 2011 was verdachte de tenaamgestelde van de voertuigen15 met onderstaande kentekens:16

  • -

    een Harley Davidson FXDX, [kenteken], sinds 28 september 2011;

  • -

    een Ford Fiesta, [kenteken], sinds 29 maart 2011;

  • -

    een Smart Fortwo Coupe, [kenteken], sinds 7 maart 2011;

  • -

    een Suzuki AN650, [kenteken], sinds 10 september 2008.

De partner van verdachte was sinds 23 juli 2008 de tenaamgestelde van de Mercedes B17017 met kenteken [kenteken].18

Verdachte heeft de Harley Davidson ([kenteken]) op 28 september 2011 gekocht19 voor een bedrag van € 6.000,00 of € 7.000,00.20

Op 29 maart 2011 is de Ford Fiesta ([kenteken]) aangekocht21 voor een bedrag van

€ 4.000,00. Op de aankoopnota staat vermeld dat dit bedrag is “voldaan”.22

De Smart Fortwo Coupe ([kenteken]) is aangekocht op 7 maart 201123 voor een bedrag van

€ 7.500,00. Op de aankoopnota staat vermeld dat dit bedrag is “voldaan”.24

Als op een factuur staat dat deze is “voldaan” betekent dit dat deze cash is voldaan.25

Het aankoopbedrag van de Suzuki AN650 bedroeg € 9.339,00.26

De Mercedes Benz B170 ([kenteken]) is nieuw aangekocht op 23 juli 200827 voor een bedrag van € 37.864,00 en betaald uit de inruil van een ander voertuig in combinatie met een kasbetaling van € 5.364,00 op 28 juli 2008.28 Verdachte heeft deze auto voor zijn partner gekocht. Zelf heeft hij er ook gebruik van gemaakt.29

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij zich sinds zijn achttiende heeft beziggehouden met de handel in en het opknappen en bouwen van auto’s en motoren. Verdachte heeft daaruit een inkomen gegenereerd. Volgens verdachte is hij doorgaans in staat geweest om een auto die hij heeft gekocht en waaraan hij heeft gesleuteld te verkopen voor een hoger bedrag dan de door hem betaalde aankoopprijs. Op die manier kon hij zich steeds duurdere of grotere auto’s veroorloven. Verdachte heeft geen administratie bijgehouden van zijn autohandel.

Nadere overweging met betrekking tot witwassen

Uit enig misdrijf afkomstig

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 28 september 2004 (NJ 2007, 278) heeft geoordeeld dat op grond van het doel en de strekking van de strafbaarstelling in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling moet worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Voorts geldt ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010 (NJ 2010, 456) dat indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen kan worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf afkomstig is”, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Verdachte heeft ter terechtzitting op 1 december 2014 voor het eerst een inhoudelijke verklaring afgelegd over een deel van de hem ten laste gelegde feiten (de voertuigen van feit 1).

Dat verdachte betrokken is of was bij de handel in auto’s, blijkt echter niet uit het dossier. Verdachte en zijn partner hebben tussen 2003 en 2011 weliswaar 31 kentekens op naam gehad, maar dat enkele gegeven is onvoldoende om ervan uit te kunnen gaan dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij een handel in auto’s. Zeker ook nu een administratie waaruit zou kunnen blijken van een dergelijke handel niet door verdachte is bijgehouden.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat verdachte slechts een gering inkomen uit bekende legale bron had. Dit bekende legale inkomen van verdachte staat niet in verhouding tot het aantal kentekens dat verdachte gedurende de afgelopen jaren op naam heeft gehad. Het bekende legale inkomen staat evenmin in verhouding tot de uitgaven die verdachte zich kennelijk kon veroorloven in verband met de aankoop van die voertuigen.

Er is voorts niet gebleken van enig bekend legaal vermogen waarover verdachte kon beschikken.

Daarentegen volgt uit hetgeen hiervoor is opgenomen met betrekking tot het inkomen van

€ 14.939,92 dat verdachte geldbedragen op zijn bankrekening heeft ontvangen die uit een fictief dienstverband afkomstig zijn.

Op grond van hetgeen met betrekking tot feit 1 is opgenomen bestaat ten aanzien van verdachte dan ook een ernstig vermoeden dat het geldbedrag van € 14.939,92 en de genoemde voertuigen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Van verdachte mag onder die omstandigheden worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van deze voorwerpen die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is (Hoge Raad 13 juli 2010, NJ 2010, 460).

Verdachte heeft een dergelijke verklaring niet afgelegd. De verklaring van verdachte beperkt zich tot de ten laste gelegde voertuigen en heeft geen betrekking op de fictieve salarisbetalingen. Voor zover verdachte een verklaring heeft afgelegd over de voertuigen en zijn handel daarin, is deze verklaring niet aannemelijk geworden. Bij de belastingdienst zijn geen gegevens bekend over een autohandel van verdachte. De verklaring van verdachte is bij gebrek aan een administratie evenmin concreet en verifieerbaar. De rechtbank heeft hierbij mede betekenis toegekend aan het (late) moment waarop verdachte een verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de voertuigen; te weten: voor het eerst bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak.

Bij deze stand van zaken is van een legale herkomst van de geldbedragen en de voertuigen dan ook niet gebleken en kan het niet anders zijn dan dat de geldbedragen en de voertuigen middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit ook wist. Immers, verdachte heeft een groot aantal voertuigen aangeschaft zonder dat hij over bekende legale middelen kon beschikken om deze aan te schaffen en verdachte heeft geldbedragen onder de noemer “salaris” op zijn bankrekening ontvangen zonder dat hij een dienstverband had bij het betreffende bedrijf.

Overige uitgangspunten uit de rechtspraak van de Hoge Raad

Niet elke gedraging die in artikel 420bis en 420quater Sr is omschreven rechtvaardigt onder alle omstandigheden de kwalificatie (schuld)witwassen. Van de verdachte wordt in beginsel een handeling gevergd die erop is gericht zijn criminele opbrengsten veilig te stellen. Indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd (Hoge Raad 26 oktober 2010, NJ 2010, 655). Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (Hoge Raad 8 januari 2013, LJN BX 4449). Eén en ander geldt ook indien het gaat om het verwerven van voorwerpen als gevolg van een door de verdachte zelf begaan misdrijf (Hoge Raad 18 juni 2013, NJ 2013, 453).

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf (Hoge Raad 17 december 2013, NJ 2014, 75).

In beginsel zijn voorgaande rechtsregels niet van toepassing in zaken waarin bewezen wordt verklaard dat sprake is van het overdragen, gebruik maken of omzetten van voorwerpen die afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Daar staat tegenover dat niet valt uit te sluiten dat de omstandigheden waaronder sprake is van overdragen, gebruik maken of omzetten van voorwerpen die zijn verkregen uit een door verdachte zelf begaan misdrijf niet wezenlijk verschillen van de situatie waarin de verdachte voorwerpen uit een door hemzelf begaan misdrijf voorhanden heeft of verwerft. Ook in een dergelijk geval dient sprake te zijn van een gedraging die daadwerkelijk is gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen om deze gedraging ook als witwassen te kunnen kwalificeren (Hoge Raad 25 maart 2014, NJ 2014, 303).

In de situatie waarin het gaat om voorwerpen die middellijk afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf zijn de hiervoor genoemde uitgangspunten niet van toepassing (Hoge Raad 25 maart 2014, NJ 2014, 302).

De onder 1 ten laste gelegde geldbedragen en voertuigen

Verdachte wordt het witwassen van een vijftal voertuigen verweten. Niet is komen vast te staan op welke wijze verdachte telkens kon beschikken over de financiële middelen om deze voertuigen aan te schaffen. Daarentegen is wel komen vast te staan dat verdachte gedurende enkele maanden salarisbetalingen uit een fictief dienstverband op zijn bankrekening kreeg gestort. Gelet op het hiervoor overwogene kan het niet anders zijn dan dat verdachte deze voertuigen heeft gefinancierd met geld dat uit enig misdrijf afkomstig is. Aldus zijn deze voertuigen middellijk afkomstig uit enig misdrijf.

Van het geldbedrag van € 14.939,92 is niet komen vast te staan dat dit afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Zulks is niet aangevoerd door de verdediging en evenmin is dit gebleken op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en het onderzoek ter terechtzitting. De situatie waarin vaststaat dat het enkele voorhanden hebben of verwerven van een voorwerp uit een door verdachte zelf begaan misdrijf niet kan bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en om die reden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd (Hoge Raad 13 juli 2010, NJ 2010, 655) doet zich dan ook niet voor.

Zowel ten aanzien van de voertuigen als ten aanzien van het geldbedrag van € 14,939,92 geldt dat, met inachtneming van bovenomschreven uitgangspunten, tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde kan worden gekomen en dat de gedragingen van verdachte als witwassen kunnen worden gekwalificeerd.

Gewoontewitwassen

Gelet op de lange periode waarin verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van voertuigen en geldbedragen en het repeterende karakter van de gedragingen van verdachte in dat verband, acht de rechtbank de strafverzwarende omstandigheid van het maken van een gewoonte van witwassen bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Vrijspraak van het medeplegen van valsheid in geschrift

Verdachte wordt onder feit 1 (ondermeer) verweten dat hij een bedrag van € 14.939,92 heeft witgewassen. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de daarbij gehanteerde constructie die van het fictieve dienstverband is geweest. De rechtbank begrijpt deze stelling van het openbaar ministerie aldus dat een dienstverband van verdachte bij [winkel] wordt voorgewend zodat gedurende een aantal maanden een maandelijkse storting, onder de noemer “salaris” op de bankrekening van verdachte kon plaatsvinden.

Bij de doorzoeking in het kantoorpand van medeverdachte [medeverdachte 2] aan de [adres] in [woonplaats] zijn een salarisspecificatie van [winkel] van

31 oktober 2007 met het salaris van € 1.867,03 op naam van [verdachte], een briefje met daarop een aantal gegevens (data, het bedrag van € 1.866,00, het nummer [rekeningnummer], de naam “[verdachte]” en twee telefoonnummers) en een loonberekening van [winkel] op naam van [verdachte] met daarop vermeld de loondatum

31 december 2007 en het salaris € 1.867,03 aangetroffen.

Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet duidelijk geworden waartoe het fictieve dienstverband en de fictieve salarisbetalingen hebben gediend. Wel is komen vast te staan, op basis van hetgeen hiervoor en met betrekking tot feit 1 (het gefingeerde inkomen) is vastgesteld en gemotiveerd, dat sprake is van het creëren van een fictief dienstverband en het in verband daarmee opmaken van valse stukken. Er is echter in het geheel niet gebleken van enige bemoeienis of betrokkenheid van verdachte bij het valselijk opmaken van bedoelde salarisspecificatie en loonberekening. Het enkele feit dat verdachte gedurende enige tijd fictieve salarisbetalingen op zijn bankrekening heeft ontvangen is voor een dergelijke vaststelling onvoldoende. Van het bestaan van een valselijk opgemaakte werkgeversverklaring is uit dit dossier helemaal niet gebleken. Bij die stand van zaken zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 28 juni 2007 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt immers hebben verdachte en zijn mededader(s) telkens (van) onderstaande voorwerpen

  • -

    de werkelijke aard en de herkomst verborgen en verhuld en

  • -

    verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet en daarvan gebruik gemaakt

waaronder

  • -

    een (gefingeerd) inkomen van 1.868,87 of 1.867,03 euro per maand met een totaal van 14.939,92 euro afkomstig van [winkel] en/of [bedrijf 3] en

  • -

    een motor Harley Davidson TXDX, gekentekend [kenteken] en een motorscooter Suzuki AN650, gekentekend [kenteken] en een Smart Fortwo Coupe MHD, gekentekend [kenteken] en een Mercedes Benz B170, gekentekend [kenteken] en een Ford Fiesta, gekentekend [kenteken]

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) telkens wisten dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 1: medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat kan worden volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele jaren schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen en voertuigen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de integriteit van het financiële en economische verkeer en stelt criminelen in staat om met hun illegaal verkregen geld een maatschappelijke en financiële status te verwerven die zij niet behoren te hebben.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 oktober 2014 waaruit volgt dat verdachte niet eerder voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Alles afwegende, waaronder de tijd die is verstreken sinds verdachte op 31 oktober 2011 is aangehouden in verband met de onderhavige strafzaak, is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden in combinatie met de oplegging van een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis een passende en geboden reactie vormt op de bewezen verklaarde strafbare feiten. Met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt bovendien beoogd te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen.

9 Beslag

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring gevorderd van:

  • -

    banktegoeden op bankrekeningnummer [rekeningnummer] bij ING bank N.V.;

  • -

    banktegoeden op bankrekeningnummer [rekeningnummer] bij ING bank N.V.;

  • -

    banktegoeden op bankrekeningnummer [rekeningnummer] bij Rabobank Amsterdam;

  • -

    banktegoeden op bankrekeningnummer [rekeningnummer] bij Rabobank Amsterdam;

  • -

    de personenauto Mercedes Benz B170 2008 (kenteken [kenteken]);

  • -

    de personenauto Smart Fortwo Coupe 2008 (kenteken [kenteken]);

  • -

    een geldbedrag van € 240,00.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie kan worden toegewezen ten aanzien van de banktegoeden op de hiervoor genoemde bankrekeningen en ten aanzien van de personenauto Smart Fortwo Coupe 2008 (kenteken [kenteken]) omdat deze voorwerpen op grond van artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht voor verbeurdverklaring vatbaar zijn nu deze geheel of grotendeels door middel van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen althans de bewezen verklaarde feiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan.

De precieze (totale) hoogte van de banktegoeden op voornoemde bankrekeningen is niet bekend geworden. De raadsman heeft in zijn algemeenheid ten aanzien van het beslag opgemerkt dat de teruggave aan verdachte zou moeten worden gelast, gelet op de door hem bepleite vrijspraak.

Ten aanzien van de verbeurdverklaring van de banktegoeden overweegt de rechtbank daarom uitdrukkelijk dat niet is komen vast te staan dat verdachte door de verbeurdverklaring van de banktegoeden op voornoemde bankrekeningen onevenredig wordt getroffen.

Onder verdachte is een bedrag van € 240,00 in beslag genomen. Ten aanzien van dit geldbedrag is niet komen vast te staan dat dit geheel of grotendeels is verkregen door middel van de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie dan ook afwijzen en de teruggave aan verdachte gelasten van een bedrag van € 240,00.

Ten slotte is onder verdachte een personenauto Mercedes Benz B170 2008 (kenteken [kenteken]) in beslag genomen. Deze personenauto is op naam van de partner van verdachte gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot verbeurdverklaring ten aanzien van deze personenauto dient te worden afgewezen nu de partner van verdachte als rechthebbende op de personenauto kan worden aangemerkt. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn die voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren. Alleen die voorwerpen die aan een ander dan de veroordeelde toebehoren komen voor verbeurdverklaring in aanmerking indien degene aan wie het betreffende voorwerp toebehoort bekend was met de verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmee, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden.

Zulks is in het geval van de partner van verdachte niet gebleken. De rechtbank zal om die reden de vordering tot verbeurdverklaring van de Mercedes Benz B170 afwijzen en de teruggave ervan gelasten aan de rechthebbende, zijnde de tenaamgestelde van het voertuig.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals onder 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1: medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Beslag

Verklaart verbeurd:

- de tegoeden op onderstaande bankrekeningen:

o bankrekeningnummer [rekeningnummer] bij ING bank N.V.;

o bankrekeningnummer [rekeningnummer] bij ING bank N.V.;

o bankrekeningnummer [rekeningnummer] bij Rabobank Amsterdam;

o bankrekeningnummer [rekeningnummer] bij Rabobank Amsterdam;

- de personenauto Smart Fortwo coupe 2008 (kenteken [kenteken]).

Wijst af de vordering tot verbeurdverklaring van:

  • -

    een geldbedrag van € 240,00;

  • -

    de personenauto Mercedes Benz B170 2008 (kenteken [kenteken]).

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een geldbedrag van € 240,00.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

- de personenauto Mercedes Benz B170 2008 (kenteken [kenteken]).

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. de Stigter, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en

mr. M.C. Oostendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg en

mr. F.R. Horst, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 februari 2015

BIJLAGE: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 oktober 2011

in de gemeente Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft

gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) (van)

onderstaande voorwerp(en)

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of vervreemding

en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld (heeft), dan wel verborgen en/of

verhuld (heeft) wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) is/was en/of

- verworven en/of voorhanden (heeft) gehad en/of overgedragen en/of omgezet

en/of gebruikt gemaakt, waaronder

- een (gefingeerd) inkomen van 1.868,87 en/of 1.867,03 Euro per maand, met een

totaal van 14.939,92 Euro, althans enig geldbedrag, afkomstig van Avondwinkel

[winkel] en/of [bedrijf 3] (zaak 299) en/of

- luxegoederen (welke niet gefinancierd kunnen worden uit het legale inkomen),

waaronder diverse voertuigen waaronder een motor Harley Davidson TXDX,

gekentekend [kenteken] en/of een motorscooter Suzuki AN650, gekentekend [kenteken]

en/of een Smart Fortwo Coupe MHD, gekentekend [kenteken] en/of een Mercedes Benz

B170, gekentekend [kenteken] en/of een Ford Fiesta, gekentekend [kenteken] en/of

- ( een) (gefingeerde) lening(en)/schuldbekentenis(sen) van (in totaal) 40.000

Engelse Ponden, althans enig geldbedrag,

terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wisten, althans

redelijkerwijs moesten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 47 lid 1 ahf en onder 1 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420quater Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip (pen) in of omstreeks de periode van l januari

2004 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telken(s)

een of meer geschrift (en), die (dat) bestemd zijn (is) om tot bewijs van enig feit te dienen

te weten loon/salarisafrekening(en) en/of

specificatie(s) en/of loonsta(a)t(en) en/of werkgeversverklaring (en) valselijk

heeft opgemaakten/of vervalst met het oogmerk om het als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen doen te gebruiken bestaande die valsheid uit het

vermelden van onjuist(e) salaris (sen) en/of onjuiste salarisgegeven(s) en/of

onjuiste salariscomponent(en) en/of onjuiste namen van werkgever(s) en/of dat

gebruiken om de schijn op te wekken dat hij kan beschikken over (hogere)

art 47 lid 1 ahf en onder 1 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende (papieren) dossier PESETA bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal “Relaas zaak 300” d.d. 28 maart 2012, opgemaakt door [verbalisant 1], zaaksdossier 300, pagina 4.

3 Het proces-verbaal “Verstrekking gegevens Belastingdienst mbt [medeverdachte 1]” d.d. 21 oktober 2011, opgemaakt door [verbalisant 2], zaaksdossier 299, bijlage 9, pagina 64 en 65.

4 Het proces-verbaal “Relaas zaak 299” d.d. 9 maart 2012 opgemaakt door [verbalisant 1], zaaksdossier 299, pagina 6 en 7.

5 Het proces-verbaal “Relaas zaak 299” d.d. 9 maart 2012 opgemaakt door [verbalisant 1], zaaksdossier 299, pagina 7.

6 De schriftelijke bescheiden, te weten: de bankafschriften van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte], zaaksdossier 299, bijlage 17, pagina 131 tot en met 138.

7 De schriftelijke bescheiden, te weten: de bankafschriften van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte], zaaksdossier 300, bijlage 8, pagina 304 tot en met 318.

8 Het schriftelijke bescheid, te weten: het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, zaaksdossier 299, bijlage 8, pagina 59.

9 De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 299, bijlage 12, pagina 89.

10 De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 299, bijlage12, pagina 88.

11 De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 11 november 2011, zaaksdossier 299, bijlage 15, pagina 111.

12 De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 1 november 2011, zaaksdossier 299, bijlage 13, pagina 98.

13 De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 299, bijlage 12, pagina 89.

14 De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 11 november 2011, zaaksdossier 299, bijlage 15, pagina 109.

15 Het proces-verbaal “Relaas zaak 300” d.d. 28 maart 2012, opgemaakt door [verbalisant 1], zaaksdossier 300, pagina 7.

16 Het als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen “Informatie LIV” gevoegde overzicht, zaaksdossier 300, bijlage 14, pagina 473.

17 Het proces-verbaal “Relaas zaak 300” d.d. 28 maart 2012, opgemaakt door [verbalisant 1], zaaksdossier 300, pagina 8.

18 Het als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen “Informatie LIV” gevoegde overzicht, zaaksdossier 300, bijlage 14, pagina 474.

19 Het proces-verbaal “Relaas zaak 300” d.d. 28 maart 2012, opgemaakt door [verbalisant 1], zaaksdossier 300, pagina 7.

20 De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 1 december 2014.

21 Het proces-verbaal “Relaas zaak 300” d.d. 28 maart 2012, opgemaakt door [verbalisant 1], zaaksdossier 300, pagina 7.

22 Het schriftelijke bescheid, te weten: een nota van autobedrijf [autobedrijf 1] d.d. 29 maart 2011, zaaksdossier 300, bijlage 19, pagina 578.

23 Het proces-verbaal “Relaas zaak 300” d.d. 28 maart 2012, opgemaakt door [verbalisant 1], zaaksdossier 300, pagina 7.

24 Het schriftelijke bescheid, te weten: een nota van autobedrijf [autobedrijf 1] d.d. 7 maart 2011, zaaksdossier 300, bijlage 19, pagina 580.

25 De verklaring van getuige [autobedrijf 1] d.d. 7 december 2001, zaaksdossier 300, bijlage 20, pagina 591.

26 Het schriftelijke bescheid, te weten: de kopie-orderbevestiging d.d. 6 september 2008, zaaksdossier 300, bijlage 22, pagina 615.

27 Het proces-verbaal “Relaas zaak 300” d.d. 28 maart 2012, opgemaakt door [verbalisant 1], zaaksdossier 300, pagina 8.

28 Het schriftelijke bescheid, te weten: een factuur van [autobedrijf 2] B.V. d.d. 27 juli 2008, zaaksdossier 300, bijlage 18, pagina 509 en 510.

29 De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 1 december 2014.