Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:927

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-02-2015
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
07.662628-11 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het valselijk opmaken van twee geschriften en het witwassen van een bouwdepot en een woning.

De rechtbank legt aan verdachte een werkstraf voor de duur van 200 uren op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 07.662628-11 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 16 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [1959] te [geboorteplaats] (Pakistan),

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Behandelingen van deze zaak hebben plaatsgevonden op 15 en 29 maart 2012, 5 en 6 juli 2012, 6 en 26 november 2012, 26 maart 2013, 9 april 2013, 9 en 12 september 2013, 11, 12, 19 en 20 november 2013, 19 december 2013, 20 maart 2014 en 10 april 2014. Het onderzoek ter terechtzitting is (opnieuw) aangevangen op 17 november 2014 en heeft vervolgens plaatsgevonden op de openbare terechtzittingen van 18 en 20 november 2014, 24 december 2014 en 2 februari 2015.

De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van 24 december 2014, waarbij de officier van justitie en de raadsman mr. A.R.A.R. Sitaldin, advocaat te Amsterdam, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van woningen en hypothecaire geldleningen inclusief bouwdepots (feit 1.) en aan valsheid in geschrift (feit 2.).

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van de bewijsmiddelen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen hetgeen de verdachte onder 1. en 2. ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de verklaringen van de getuige [getuige] (hierna: [getuige]) innerlijk tegenstrijdig en incoherent zijn en om die reden niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken van de hem onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de getuige [getuige] voldoende consistent zijn teneinde voor het bewijs te worden gebezigd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman om deze verklaringen van het bewijs uit te sluiten.

De ten laste gelegde feiten 1

[adres] te [woonplaats]

Op 16 februari 2011 wordt door [aangever] als onderzoeker bancaire criminaliteit bij de Internationale Nederlanden Groep NV aangifte2 gedaan tegen [getuige] en tegen [bedrijf 1] B.V. te [vestigingsplaats] inzake (onder meer) valsheid in geschrift.

De aangifte houdt onder meer in dat door intermediair [bedrijf 1] B.V. door middel van valse dan wel vervalste inkomensdocumenten en valse informatieverstrekking een hypothecaire geldlening is aangevraagd van € 238.987,-- inclusief een bouwdepot van € 40.000,-- voor [getuige] ten behoeve van de aankoop van een woning aan de [adres] te[woonplaats]. Bij de aangifte zijn de bij de aanvraag van de hypothecaire geldlening ingediende stukken overgelegd, waaronder het hypotheekaanvraagformulier voor Postbank N.V., een model-werkgeversverklaring van [bedrijf 2] BV te [vestigingsplaats] op naam van [getuige] en een salarisspecificatie van [bedrijf] BV te [vestigingsplaats] op naam van [getuige].

De model-werkgeversverklaring3 van [bedrijf 2] BV is op 25 januari 2008 ondertekend door [A] (hierna: [A]) en is voorzien van een stempel ‘[bedrijf] BV’. In de verklaring is opgenomen dat [getuige] sinds 1 februari 2007 in dienst is en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of aanstelling in vaste dienst heeft tegen een bruto jaarsalaris van € 48.000,--.

De salarisspecificatie4 ten name van [getuige] is gedateerd 30 december 2007 en vermeldt een bruto loon over de maand december 2007 van € 4.000,--. Volgens deze specificatie is [bedrijf] BV de werkgever.

Het hypotheekaanvraagformulier5 is gedateerd 29 januari 2008 en is blijkens de faxregel op die datum door [bedrijf 1] gefaxt en ingediend. Uit een uittreksel van het handelsregister van de Kamers van Koophandel6 blijkt echter dat de activiteiten van de eenmanszaak [bedrijf] te [vestigingsplaats], gedreven voor rekening van [A], op die datum al waren gestaakt, namelijk met ingang van 31 december 2007.

[getuige] is geïnterviewd door medewerkers van ING waarbij hij heeft verklaard7 dat hij nooit bij [bedrijf 2] BV te Amsterdam heeft gewerkt en dat hij [A] niet kent. Nadat hem de werkgeversverklaring en de loonstrook werden getoond, heeft hij verklaard dat hij deze niet eerder heeft gezien en dat deze stukken niet kloppen.

Bij het verhoor ten overstaan van de politie heeft [getuige] zijn verklaring bevestigd dat verdachte de aanvraag voor het verkrijgen van een hypotheek met betrekking tot de [adres] te [woonplaats] voor hem heeft verzorgd.8 Over het verkrijgen van de hypotheek en de aankoop van de woning heeft hij verklaard: ‘[verdachte] zou alles regelen als het ging om de contracten met betrekking tot bijvoorbeeld mijn inkomen. … Ik kreeg van [verdachte] onder meer de arbeidscontracten aangeboden omdat je deze nodig hebt voor het kopen van een woning. … [verdachte] vertelde mij dat ik niets over de inhoud hoefde te weten, dat ik op hem moest vertrouwen’.9 Na het tonen van de model-werkgeversverklaring en de salarisstrook heeft hij wederom verklaard10 dat hij deze stukken niet kent en dat hij niet bij [bedrijf] BV heeft gewerkt. Op verzoek heeft [getuige] zijn officiële verblijfsvergunning alsmede zijn bankpasjes afgegeven aan verdachte zodat hij die gegevens kon gebruiken om de aanvraag voor het kopen van de woning voor elkaar te krijgen.11 Hij is samen met verdachte bij een notaris geweest: ‘Ik moest daar op verzoek van [verdachte] en op verzoek van de persoon die daar aanwezig was, ik denk een notaris of misschien een makelaar, verschillende documenten tekenen. Ik denk ongeveer 3 of 4 documenten. Deze documenten waren bedoeld voor de aankoop van de woning aan de [adres] te [woonplaats]’.12

[getuige] heeft voorts verklaard13 dat hij ongeveer twee tot drie maanden in de woning aan de [adres] heeft gewoond en dat hij de woning daarna heeft onderverhuurd en maandelijks € 1.200,-- tot € 1.300,-- van de onderhuurders ontving: ‘[verdachte] regelde dat er huurders in mijn woning kwamen. … ik kwam in contact met deze huurders via [verdachte].’14 Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [getuige] verklaard dat naast verdachte niemand anders betrokken was bij de verhuur.15

Ten slotte heeft [getuige] over het bouwdepot verklaard: ‘Toen de koopcontracten getekend waren, begreep ik dat er ook extra geld was geleend voor onder meer het verbouwen van de keuken, badkamer en dergelijke. Totaal was dit een bedrag van € 40.000,--. [verdachte] stelde voor om de woning te verbeteren, het initiatief ging van hem uit, hij zorgde ervoor dat er geld kwam voor een verbouwing. … Ik gebruikte dit geld onder meer om de huur te betalen en ook om mijn broer in mijn eigen land te bezoeken. … Ik weet dat ik dit geld had moeten gebruiken voor de verbouwing van de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Het geld werd door de ING-Bank gestort op mijn bankrekening. Zoals gezegd € 10.000,-- gebruikte ik voor andere doeleinden en de rest, totaal € 30.000,-- werd door mij contant aan [verdachte] gegeven. … Een verbouwing heeft nooit plaatsgevonden.’16

Verdachte heeft [getuige] als klant aangebracht bij medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]).17 Verdachte heeft verklaard: ‘De [adres] moest gefinancierd worden. Ik heb dat geregeld. [F] heeft mij gevraagd om die financiering voor [getuige] te regelen. … Ik moest [medeverdachte] alle papieren van die woning brengen zoals koopsom en waarde woning, loonstrook en bankafschrift. … Ik heb in de videotheek aan [medeverdachte] die papieren gegeven, een loonstrook, bankafschrift en gegevens van de woning …‘18

[medeverdachte] heeft bevestigd dat verdachte klanten bij [bedrijf 1] heeft aangebracht: ‘Die meneer [verdachte] heeft destijds 3 klanten bij [bedrijf 1] aangebracht. Hij heeft daarvoor een declaratie gestuurd en hij is daarvoor ook betaald’.19

Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [getuige] nooit in dienst is geweest bij [bedrijf 2] BV te [vestigingsplaats] of [bedrijf] BV te [vestigingsplaats] en acht zij wettig en overtuigend bewezen dat de ter verkrijging van de hypothecaire geldlening ten behoeve van de woning aan de [adres] te [woonplaats] overgelegde salarisspecificatie van 30 december 2007 en werkgeversverklaring van 25 januari 2008 valselijk zijn opgemaakt, in die zin dat daarin een onjuiste opgave is gedaan van salarisgegevens en werkgever.

De rechtbank acht voorts op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen het door verdachte medeplegen van deze valsheid in geschrift. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder dat verdachte heeft verklaard dat hij de financiering van de [adres] voor [getuige] heeft geregeld en de benodigde stukken aan [medeverdachte] heeft verstrekt, terwijl [getuige] niet alleen heeft verklaard dat hij de arbeidscontracten van verdachte kreeg aangeboden en dat verdachte de financiering van de woning heeft verzorgd, maar ook dat niemand anders dan verdachte daarbij betrokken is geweest en dat hij, [getuige], op verschillende momenten verschillende stukken heeft getekend waarbij verdachte telkens aanwezig is geweest en dat verdachte zelfs met hem is meegegaan naar de notaris.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde witwassen het navolgende.

Uitgangspunten uit de rechtspraak van de Hoge Raad

Niet iedere gedraging zoals omschreven in de artikelen 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht (Sr) rechtvaardigt onder alle omstandigheden de kwalificatie ‘witwassen’ of ‘schuldwitwassen’. Van de verdachte wordt in beginsel een handeling gevergd die erop is gericht zijn criminele opbrengsten veilig te stellen. Indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan bijdragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als (schuld)witwassen worden gekwalificeerd (Hoge Raad, 26 oktober 2010, NJ 2010, 655). Er moet in dergelijke gevallen sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (Hoge Raad 8 januari 2013, LJN BX 4449). Eén en ander geldt ook indien het gaat om het verwerven van voorwerpen als gevolg van een door de verdachte zelf begaan misdrijf (Hoge Raad 18 juni 2013, NJ 2013, 453).

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf (Hoge Raad 17 december 2013, NJ 2014, 75). In beginsel zijn deze regels niet van toepassing in zaken waarin bewezen wordt verklaard dat sprake is van het overdragen, gebruik maken of omzetten van voorwerpen die afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Daar staat tegenover dat niet valt uit te sluiten dat de omstandigheden waaronder sprake is van overdragen, gebruik maken of omzetten van voorwerpen die zijn verkregen uit een door verdachte zelf begaan misdrijf niet wezenlijk verschillen van de situatie waarin de verdachte voorwerpen uit een door hemzelf begaan misdrijf voorhanden heeft of verwerft. Ook in een dergelijk geval dient sprake te zijn van een gedraging die daadwerkelijk is gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen om deze gedraging ook als witwassen te kunnen kwalificeren (Hoge Raad 25 maart 2014, NJ 2014, 303).

In de situatie waarin het gaat om voorwerpen die middellijk afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf zijn de hiervoor genoemde uitgangspunten niet van toepassing (Hoge Raad 25 maart 2014, NJ 2014, 302).

Gelet op de hiervoor weergeven uitgangpunten kunnen de gedragingen van verdachte, voor zover die betrekking hebben op het verwerven en voorhanden hebben van de hypothecaire geldlening en de woning aan de [adres], dan ook niet worden gekwalificeerd als witwassen.

Anders dan het openbaar ministerie is de rechtbank van oordeel dat het financieren van een woning met een uit misdrijf verkregen hypothecaire geldlening geen overdragen of omzetten oplevert als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, onder b, Sr. Het financieren van een woning met een daartoe verstrekte hypothecaire geldlening is onlosmakelijk verbonden met die valsheid in geschrift, nu de hypothecaire geldlening voor geen ander doel dan de financiering van de woning kan worden aangewend. Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat in de onderhavige casus het grondmisdrijf (valsheid in geschrift) juist met het oog op het verkrijgen van een hypothecaire geldlening ten behoeve van de financiering van de woning is gepleegd.

Ter onderbouwing van het standpunt dat de gedragingen van verdachte met betrekking tot de (volledige) hypothecaire geldlening en de woning als witwassen kunnen worden gekwalificeerd heeft het openbaar ministerie gewezen op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 17 juli 2014 (ECLI:GHARL:2014:9858). De onderhavige casus verschilt echter van de casus die ten grondslag lag aan bedoeld arrest. In die casus was sprake van het op basis van valse stukken verkrijgen van een hypothecaire geldlening. Een deel van de op basis van valse voorwendselen verkregen hypothecaire geldlening, het bouwdepot, werd vervolgens aangewend voor de financiering van weer een andere woning. Deze situatie verschilt wezenlijk van de onderhavige casus waarin van dergelijk gedragingen volgend op de verkrijging van de hypothecaire geldlening geen sprake is.

Het bewonen van een op deze wijze (op basis van valse stukken ter verkrijging van een hypothecaire geldlening) verkregen woning maakt dit naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet anders. Onder die omstandigheden doet zich de situatie voor dat het gebruiken van het door eigen misdrijf verkregen voorwerp niet wezenlijk verschilt van het voorhanden hebben en verwerven van datzelfde voorwerp. De gepleegde valsheid in geschrift, de daarop volgende verkrijging van een hypothecaire geldlening en de woning en de bewoning van die woning hangen zozeer met elkaar samen dat van een situatie die wezenlijk verschilt van het enkele voorhanden hebben en verwerven van een uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp geen sprake is. Overeenkomstig de hiervoor weergegeven uitgangspunten uit de jurisprudentie dient ook in dat geval sprake te zijn van een gedraging die daadwerkelijk bijdraagt aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. Het enkele bewonen (gebruiken) van een woning die uit eigen misdrijf is verkregen is daartoe onvoldoende.

Zoals hiervoor bij het onder 2. ten laste gelegde is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift, in die zin dat de ter verkrijging van de hypothecaire geldlening ten behoeve van de woning aan de [adres] te [woonplaats] bij de hypotheekaanvraag overgelegde salarisspecificatie en werkgeversverklaring valselijk zijn opgemaakt. Op basis van deze geschriften is een hypothecaire geldlening verkregen van € 238.987,--20 inclusief een bouwdepot van € 40.000,--.21 De hypothecaire geldlening is daarmee onmiddellijk afkomstig uit het door verdachte en zijn mededaders gepleegde misdrijf valsheid in geschrift. Dit geldt eveneens voor de woning aan de [adres] te [woonplaats] aangezien de hypothecaire geldlening voor geen ander doel kon worden aangewend dan ter financiering van deze woning.

Nu uit de verklaringen van [getuige] blijkt dat hij de woning slechts enkele maanden zelf heeft bewoond en dat de woning vervolgens is verhuurd22, is sprake van gebruik maken van de uit misdrijf verkregen woning als bedoeld in de artikelen 420bis en 420quater Sr. In die situatie bestaat er verder geen grond om de hierboven genoemde uitgangspunten uit de jurisprudentie toe te passen en kunnen de gedragingen worden gekwalificeerd als witwassen of schuldwitwassen.

Voor wat betreft de hypothecaire geldlening maakt het verhuren van de woning geen verschil. De geleende som geld is immers bij aankoop van de woning overgedragen aan de verkoper. Hiermee is dat bedrag al op dat moment uit de macht van [getuige] (als koper) geraakt, en kan koper hiermee geen witwashandelingen meer verrichten. Hieruit volgt dat de gedragingen van verdachte gelet op de hiervoor weergegeven uitgangspunten voor zover die betrekking hebben op het voorhanden hebben en verwerven van de hypothecaire geldlening, niet kunnen worden gekwalificeerd als witwassen.

Dit is echter anders voor de uit de bouwdepots afkomstige geldbedragen. De uit deze bouwdepots afkomstige geldbedragen zijn, net als de huurinkomsten, indirecte opbrengsten uit het (telkens) door verdachte begane misdrijf valsheid in geschrift. Overeenkomstig het uitgangspunt uit het hiervoor aangehaalde arrest met vindplaats NJ 2014, 302 zal de rechtbank de gedragingen van verdachte betreffende het verwerven en voorhanden hebben van de hypothecaire geldlening kwalificeren als (het medeplegen van) witwassen, met dien verstande dat dit uitsluitend geldt voor zover die gedragingen betrekking hebben op het verwerven en voorhanden hebben van de gelden uit het bouwdepot.

Gelet op het feit dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf waaruit de woning afkomstig is, te weten valsheid in geschrift, kan bewezen worden verklaard dat verdachte wist dat deze woning uit misdrijf afkomstig was. Aldus kan het witwassen van het bouwdepot en van de woning aan de [adres] te [woonplaats] bewezen worden verklaard en gekwalificeerd.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen het onder 1. ten laste gelegde witwassen van de woning aan de [adres] en het bouwdepot betreffende deze woning en de onder 2. ten laste gelegde valsheid in geschrift, voor zover dit feit betrekking heeft op voornoemde woning.

[adres] te [woonplaats]

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de onder 2. ten laste gelegde valsheid in geschrift en van het onder 1. ten laste gelegde witwassen en schuldwitwassen voor zover deze feiten betrekking hebben op de woning aan de [adres] te [woonplaats]. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Daargelaten of tot een bewezenverklaring van de onder 1. en 2. ten laste gelegde gedragingen kan worden gekomen, kan naar het oordeel van de rechtbank het medeplegen van die gedragingen door verdachte in ieder geval niet bewezen worden verklaard.

In het zaaksdossier dat ziet op voornoemde woning, zaaksdossier 201, bevinden zich enkele aanwijzingen voor de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij deze feiten. De rechtbank zal deze aanwijzingen afzonderlijk bespreken.

Verdachte heeft verklaard dat hij [B] (hierna: [B]), zijnde een van de hypotheeknemers van de hypothecaire geldlening ten behoeve van de woning aan de [adres] te [woonplaats], als klant heeft aangebracht bij [medeverdachte] van de [bedrijf 1] (pag. 170). Daar staat tegenover dat [B] dit ontkent; [B] heeft verklaard dat hij op verzoek van een andere persoon naar [bedrijf 1] is gegaan (pag. 144) en dat hij verdachte niet kent (pag. 147).

In de tweede plaats is een in de tenlastelegging onder 2. bedoelde salarisspecificatie blijkens het faxnummer verzonden vanaf de fax in de videotheek van verdachte (pag. 34). Over deze fax wordt echter door [C] verklaard ‘Ik wist dat daar een mogelijkheid was om te faxen. Ik weet niet of er veel gebruik gemaakt werd van de fax’ (pag. 291). Uit deze verklaring maakt de rechtbank op dat kennelijk ook voor anderen dan verdachte de mogelijkheid bestond om van deze fax gebruik te maken. Nu die mogelijkheid niet kan worden uitgesloten, is de enkele omstandigheid dat een geschrift door middel van de fax in de videotheek van verdachte is verzonden onvoldoende om te komen tot de vaststelling dat verdachte bij het valselijk opmaken van dat geschrift enige betrokkenheid heeft gehad.

In de derde plaats bevinden zich in het dossier offertes, brieven en andere geschriften waarbij in het onderschrift op het briefpapier het faxnummer van de fax in de videotheek van verdachte is opgenomen. Nu echter niet kan worden uitgesloten dat ook anderen dan verdachte van deze fax gebruik konden maken en dus ook bekend konden zijn met het nummer van deze fax, kan ook aan het opnemen van dit faxnummer in diverse geschriften niet de conclusie worden verbonden dat verdachte bij het valselijk opmaken van dat geschrift enige betrokkenheid heeft gehad.

De rechtbank acht de zich in het dossier bevindende aanwijzingen, ieder afzonderlijk en ook in onderling verband en samenhang bezien, onvoldoende voor een bewezenverklaring van medeplegen van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten – indien bewezen – voor zover deze feiten betrekking hebben op de [adres] te [woonplaats] en zal verdachte daarvan vrijspreken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1. en 2. ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 februari 2008 tot en met 31 oktober 2011 in gemeente Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander onderstaande voorwerpen heeft verworven en voorhanden gehad en van gebruik gemaakt, te weten

- een onroerende zaak/woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] en

- een geldbedrag van 238.987 Euro (hypothecaire lening inclusief bouwdepot van 40.000 Euro), terwijl hij verdachte en zijn mededader telkens wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

2.

hij in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 1 februari 2008 in de gemeente Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander telkens geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een salarisspecificatie en werkgeversverklaring valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen doen te gebruiken bestaande die valsheid uit het vermelden van een onjuist salaris en onjuiste salarisgegevens en onjuiste namen van werkgevers en dat gebruiken of doen gebruiken uit het overleggen van die valse salarisspecificatie en werkgeversverklaring aan een bank ter financiering en verkrijging van een hypothecaire lening met betrekking tot de onroerende zaak/woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 1.:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Feit 2.:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

7 Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van de onder 1. en 2. bewezen geachte feiten te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht om aan verdachte geen straf op te leggen. Voor het geval de rechtbank verdachte niet vrijspreekt van het ten laste gelegde heeft de raadsman verzocht bij een eventueel op te leggen straf rekening te houden met het tijdsverloop in de onderhavige procedure en heeft hij verzocht aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij betrekt de rechtbank, anders dan het openbaar ministerie, alleen de feiten zoals hiervoor omschreven bij de waardering van de bewijsmiddelen. Het standpunt van het openbaar ministerie dat daarbij alle in het dossier genoemde zaken dienen te worden betrokken, berust op een onjuiste lezing van het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1497).

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het valselijk opmaken van twee geschriften en het witwassen van een bouwdepot en een woning.

In het economische verkeer spelen hypothecaire geldleningen een belangrijke rol. Het gaat daarbij om korter of langer durende financiële verplichtingen die worden aangegaan tussen banken en (natuurlijke) personen. Voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de aanvrager is de bank afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. Door te handelen zoals bewezen is verklaard, heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming. Bovendien heeft hij misbruik gemaakt van het vertrouwen van de hypotheekverstrekker die er van uit moet kunnen gaan dat overgelegde bescheiden naar waarheid zijn opgemaakt.

Door het plegen van valsheid in geschrift is de hypotheekverstrekker, Postbank N.V., bewogen tot het verstrekken van een hypothecaire geldlening terwijl deze bank dit anders niet zou hebben gedaan. Deze bank heeft hierdoor blijkens de aangifte een financieel nadeel geleden van ongeveer € 112.000,--. Door het witwassen werd de werkelijke, criminele herkomst van de verkregen hypothecaire lening en woning versluierd en werd daaraan een legale herkomst verschaft.

De rechtbank neemt verdachte het voorgaande zeer kwalijk. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door financieel gewin en zich niet bekommerd om mogelijke schadelijke gevolgen van deze gedragingen voor anderen.

Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Bij haar beslissing houdt de rechtbank voorts rekening met de lange duur van de procedure en ten slotte met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 31 oktober 2014, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet ter zake soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke werkstraf van 200 uur passend en geboden. De aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde zouden door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

9 Benadeelde partij

Voor aanvang van de terechtzitting heeft ING Bank N.V. te Amsterdam – daartoe vertegenwoordigd door [E] – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. ten laste gelegde feit, welke schade verband houdt met hypothecaire geldleningen betreffende dertien panden die deel uitmaken van het Peseta-onderzoek.

Uit een bij de vordering gevoegd overzicht blijkt dat de vordering geen betrekking heeft op schade ten gevolge van een aan verdachte ten laste gelegd feit. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering wegens het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de gestelde schade en (één van) de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

De rechtbank zal de kosten aldus compenseren dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1. bewezen verklaarde feit, voor zover dit feit betreft de woning en de gelden uit het bouwdepot, en het onder 2. bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert deze zodanig als hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte deswege strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 200 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag;

Benadeelde partij ING Bank N.V. te Amsterdam (feit 2.)

- bepaalt dat de benadeelde partij ING Bank N.V. te Amsterdam in de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- compenseert de kosten aldus dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. de Stigter, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. M.C. Oostendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst en L.J. Verborg, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2015.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt, na een wijziging van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 oktober 2011 in gemeente Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander althans alleen, (van) onderstaande voorwerp(en)

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) is/was en/of

- heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, te weten

- ( een) onroerende za(a)k(en)/woning(en) gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (zaak 198) en/of [adres]te [woonplaats] (zaak 201) en/of

- ( een) geldbedrag(en) van 238.987 Euro (hypothecaire lening inclusief bouwdepot van 40.000 Euro zaak 198) en/of 320.000 Euro (hypothecaire lening inclusief bouwdepot van 80.490 Euro zaak 201), althans enig geldbedrag, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerpen) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een of meer geschrift(en) die (dat) bestemd zijn (is) om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten loon/salarisafrekening(en) en/of specificatie(s) en/of loonsta(a)t(en) en/of werkgeversverklaring(en) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen doen te gebruiken bestaande die valsheid uit het vermelden van onjuist(e) salaris(sen) en/of onjuiste salarisgegeven(s) en/of onjuiste salariscomponent(en) en/of onjuiste namen van werkgever(s) en/of dat gebruiken of doen gebruiken uit het overleggen van die valse/vervalste loon/salarisafrekening(en) en/of die salarisspecificatie(s) en/of loonsta(a)t(en) en/of werkgeversverklaring(en) aan banken ter financiering en verkrijging van een hypothecaire lening en/of het overleggen bij/aan de notaris ter fine van/voorafgaand aan het passeren van de leveringsakte en/of hypotheekakte met betrekking tot de onroerende za(a)k(en)/woning(en) gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (zaak 198) en/of [adres]te [woonplaats] (zaak 201);

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in het papieren dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het schriftelijke bescheid, te weten: een schriftelijke aangifte hypotheekfraude d.d. 16 februari 2011, opgemaakt en ondertekend door [aangever] namens Internationale Nederlanden Groep NV, zaaksdossier 198, pagina’s 14-20

3 Het schriftelijke bescheid, te weten: een model-werkgeversverklaring d.d. 25 januari 2008, zaaksdossier 198, pagina 36

4 Het schriftelijke bescheid, te weten: een salarisspecificatie betreffende december 2007, zaaksdossier 198, pagina 37

5 Het schriftelijke bescheid, te weten: een hypotheekaanvraagformulier d.d. 29 januari 2008, zaaksdossier 198, pagina 21

6 Het schriftelijke bescheid, te weten: een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel d.d. 16 maart 2011, zaaksdossier 198, pagina 86

7 Het schriftelijk bescheid, te weten: een interviewverslag d.d. 13 juli 2010, zaaksdossier 198, pagina’s 73-75

8 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 198, pagina 131

9 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 198, pagina 130

10 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 198, pagina 132

11 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 198, pagina 133

12 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 198, pagina 133

13 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 198, pagina 131

14 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 198, pagina 131

15 Het proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris d.d. 10 september 2013

16 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 198, pagina 130-131

17 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 1 november 2011, zaaksdossier 198, pagina 223

18 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 1 november 2011, zaaksdossier 198, pagina 223

19 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 198, pagina 198

20 Het schriftelijke bescheid, te weten: de hypotheekakte d.d. 26 februari 2008, opgemaakt door mr. [D], kandidaat-notaris te Amsterdam, zaaksdossier 198, pagina’s 50-63

21 Het schriftelijke bescheid, te weten: de bouwdepotakte hypotheek d.d. 26 februari 2008, zaaksdossier 198, pagina 64

22 Het proces-verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 198, pagina 131