Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9205

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
16.705326-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de officier van justitie in haar vervolging van verdachte (ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten) niet-ontvankelijk is.

Verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten vijftien jaar en derhalve minderjarig, zodat het jeugdstrafrecht ex artikel 77a van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel 70 jo artikel 77d van het Wetboek van Strafrecht bevatten de verjaringsregels van het jeugdstrafrecht. Het onder 1 ten laste gelegde feit is, gelet op de op 1 januari 2006 in werking getreden wijziging van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, verjaard op 23 november 2012, terwijl het onder 2 tenlastegelegde feit verjaard is op 23 november 2008. Geen daad van vervolging heeft deze verjaring gestuit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.705326-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 december 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats] ,

wonende [adres] te [woonplaats] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting dat laatstelijk heeft plaatsgevonden op 2 december 2015, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M.A. van der Zwan en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 november 2002 in de gemeente Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (werk)jas en/of een mobiele telefoon en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

(meermalen)

- op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gestompt/geslagen en/of

- op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- door heeft/hebben geschopt/getrapt/geslagen nadat die [slachtoffer] op de grond was gevallen en/of

- die [slachtoffer] (stevig) heeft/hebben vastgepakt, en/of

- tegen het portier en/of de auto van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- zodanig voornoemd en/of ander geweld op die [slachtoffer] en diens auto heeft/hebben uitgeoefend dat (aldus) een voor die [slachtoffer] (zeer) stressvolle en/of bedreigende situatie is ontstaan,

terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 22 november 2002 in de gemeente Hilversum, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

(meermalen)

- op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gestompt/geslagen en/of

- op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- door heeft/hebben geschopt/getrapt/geslagen nadat die [slachtoffer] op de grond was gevallen en/of

- die [slachtoffer] (stevig) heeft/hebben vastgepakt

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in haar vervolging van verdachte niet-ontvankelijk is. Verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten op 22 november 2002 minderjarig. Gelet op het bepaalde in de artikel 70 en 77d van het Wetboek van Strafrecht is de verjaringstermijn ten tijde van het ten laste gelegde tien jaar. De ten laste gelegde feiten zijn derhalve op 22 november 2012 verjaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de officier van justitie in haar vervolging niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege verjaring van de ten laste gelegde feiten. Daartoe is gewezen op het bepaalde in de artikelen 70, 71 en 77d van het Wetboek Strafrecht. De raadsman heeft voorts bepleit dat de verjaring tussentijds niet is gestuit door enige daad van vervolging ex artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de officier van justitie in haar vervolging van verdachte (ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten) niet-ontvankelijk is.

Verdachte, geboren op [1987] , was ten tijde van de ten laste gelegde feiten vijftien jaar en derhalve minderjarig, zodat het jeugdstrafrecht ex artikel 77a van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel 70 jo artikel 77d van het Wetboek van Strafrecht bevatten de verjaringsregels van het jeugdstrafrecht. Het onder 1 ten laste gelegde feit is, gelet op de op 1 januari 2006 in werking getreden wijziging van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, verjaard op 23 november 2012, terwijl het onder 2 tenlastegelegde feit verjaard is op 23 november 2008. Geen daad van vervolging heeft deze verjaring gestuit.

4 DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben respectievelijk [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] – allen daartoe vertegenwoordigd door mr. L.T.G. van Engelen, advocaat te Wageningen – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op een bedrag van respectievelijk € 27.386,52, € 21.124,45 en € 34.452,47.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] dienen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

5 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

Benadeelde partijen

[benadeelde 1]

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[benadeelde 2]

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 2] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[benadeelde 3]

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 3] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H. Vegter en mr. B. Fijnheer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 december 2015.