Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9190

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
4601026 UE VERZ 15-553 LH/1040
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer met wie al ongeveer een jaar geen contact meer is geweest. Volgens familie is hij als vermist opgegeven. Ontbinding wordt uitgesproken op de h-grond van artikel 7:669 lid 3 BW, niet op de e-grond. Niet kan worden vastgesteld dat werknemer geen recht heeft op een transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1307
AR 2015/2657
Prg. 2016/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4601026 UE VERZ 15-553 LH/1040

Beschikking van 22 december 2015

inzake

de stichting

Stichting Warande,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Warande,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M. Stevens,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

niet verschenen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Warande heeft een verzoekschrift ingediend, (onder meer) strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen. Dit verzoekschrift is op 13 november 2015 ter griffie van de rechtbank ingekomen.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek is bepaald op 21 december 2015. Voor deze zitting zijn partijen schriftelijk opgeroepen, [verweerder] op het bij Warande laatst bekende adres ( [adres] te [woonplaats] ). Op 24 november 2015 heeft Warande [verweerder] bovendien bij deurwaardersexploot doen oproepen.

1.3.

De zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2015. [verweerder] is niet verschenen. Ter zitting heeft de gemachtigde van Warande een schriftelijke verklaring van deurwaarderskantoor Kruythof te Utrecht overgelegd, inhoudende dat voorafgaand aan de betekening van het verzoekschrift van Warande middels het daarvoor aan deurwaarders beschikbaar gestelde portaal in de gemeentelijke basisadministratie is vastgesteld dat [verweerder] stond ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] . Warande heeft het verzoekschrift ter zitting toegelicht en geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen.

1.4.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. Het verzoek

2.1.

[verweerder] , geboren op [1962] , is sinds 15 juni 2011 in dienst van (de rechtsvoorganger, Stichting Antroz, van) Warande, laatstelijk in de functie van 1e servicemedewerker facilitaire dienst, tegen een bruto loon € 1.760,10 per maand (exclusief vakantiebijslag en emolumenten). De arbeidsovereenkomst geldt inmiddels als aangegaan voor onbepaalde tijd. De door Warande bij opzegging in acht te nemen termijn bedraagt twee maanden.

2.2.

Warande verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 7:671b en 7:669 lid 3 sub e, althans h Burgerlijk Wetboek (BW) om de arbeidsovereenkomst van partijen dadelijk althans op korte termijn te ontbinden. Tevens verzoekt Warande om te bepalen dat zij aan [verweerder] geen transitievergoeding verschuldigd is. Warande verzoekt om veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

2.3.

Warande legt aan haar verzoek ten grondslag dat [verweerder] sinds 11 december 2014, zonder een voor haar bekende reden, niet meer op het werk is verschenen. [verweerder] is van 3 tot en met 5 december 2014 voor een behandeling in het ziekenhuis opgenomen geweest. De reden voor deze opname heeft [verweerder] niet aan Warande willen vertellen. Door middel van een what’s app-bericht heeft [verweerder] op 5 december 2014 aan zijn toenmalige leidinggevende, de heer [A] , laten weten dat hij zijn werkzaamheden voor Warande op 11 december 2014 zou hervatten. [verweerder] heeft zijn werk niet hervat en niets meer van zich laten horen. Bij brief van 18 december 2014 heeft Warande [verweerder] het protocol ‘Ziek- en herstelmelding’ toegezonden en is hem dringend verzocht contact met haar op te nemen. Daarop is van hem geen reactie verkregen. Op 22 december 2014 heeft Warande van een broer van [verweerder] vernomen dat hij als vermist was opgegeven. Bij brief van 30 december 2014 heeft Warande [verweerder] meegedeeld dat hem vanaf 1 januari 2015 geen salaris meer zou worden betaald. Vanaf 1 januari 2015 heeft Warande aan [verweerder] geen loon c.a. meer betaald.

2.4.

Ondanks pogingen van Warande om met [verweerder] in contact te komen, is van hem (of via zijn familieleden over hem) niets meer vernomen. Op aanbellen bij zijn flat werd niet opengedaan en een buurman verklaarde desgevraagd dat hij [verweerder] al ongeveer een half jaar niet meer had gezien. Ook via het Openbaar Ministerie heeft Warande tevergeefs geprobeerd een verblijfplaats te achterhalen. Op het hem - aangetekend en per gewone post - toegezonden verzoekschrift heeft Warande van [verweerder] niets vernomen en ook op de betekening van het verzoekschrift door de deurwaarder heeft hij niet gereageerd, aldus Warande.

2.5.

Warande stelt zich primair op het standpunt dat [verweerder] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld of heeft nagelaten haar van de reden van zijn niet-verschijnen op de hoogte te stellen dat van haar inmiddels in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst, die inmiddels bijna een jaar een lege huls is, te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 sub e BW). Warande wil nu op de arbeidsplaats definitief een ander kunnen aanstellen. Warande meent dat zij aan [verweerder] geen transitievergoeding verschuldigd is, omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van zijn ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Hij heeft verzuimd Warande over zijn situatie te informeren. Subsidiair verzoekt Warande om ontbinding op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW. Herplaatsing ligt niet in de rede, zo meent Warande.

3 De beoordeling

3.1.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van Warande is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond als vermeld in lid 1 van dat artikel.

3.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is allereerst onderzocht of een opzegverbod ingevolge art 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. Daarvoor bestaan op grond van hetgeen Warande heeft aangevoerd geen aanwijzingen. Doordat [verweerder] in dit geding niet is verschenen en hierover ook anderszins geen informatie beschikbaar is, kan bijvoorbeeld niet worden vastgesteld dat hij wegens ziekte de overeengekomen werkzaamheden niet meer heeft verricht. Na zijn ziekenhuisopname van begin december 2014 en zijn aankondiging op 11 december 2014 zijn werk te zullen hervatten, heeft [verweerder] zich bij Warande niet ziek gemeld.

3.3

Bij de beoordeling van de primair aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde (e-)grond, kort gezegd: verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, stelt de kantonrechter vast dat Warande geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [verweerder] van zijn niet-verschijnen een verwijt kan worden gemaakt. Evenmin kan worden vastgesteld dat hem kan worden verweten dat hij Warande niet over zijn situatie heeft geïnformeerd. Het moge zo zijn dat [verweerder] jegens Warande gehouden was om niet zonder goede grond van het werk weg te blijven en haar over de reden van zijn niet-verschijnen in te lichten, maar als - zoals in dit geding - niet kan worden vastgesteld wat hiervan de reden was, kan niet worden aangenomen dat hem daarvan een verwijt is te maken en kan de arbeidsovereenkomst niet op de e-grond worden ontbonden.

3.4

Op de subsidiaire grondslag, de zogenoemde h-grond, kan de arbeidsovereenkomst wél worden ontbonden. Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wet werk en zekerheid volgt weliswaar dat de wetgever met deze ‘restcategorie’ het oog heeft gehad op detentie of illegaliteit van de werknemer of het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning, maar deze opsomming was - ook gezien de later in het wetgevingsproces gegeven nadere voorbeelden - niet limitatief bedoeld. De regering heeft wel benadrukt dat de h-grond niet mag worden gebruikt om enkele van de in artikel 7:669 lid 3 onder a tot en met g BW genoemde gronden, die elk op zichzelf beschouwd onvoldoende kunnen worden onderbouwd, samen als h-grond aan te merken. Daarvan is in dit geval geen sprake. De kantonrechter merkt de omstandigheden die Warande aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd aan als andere dan de in artikel 7:669 lid 3 onder a tot en met g genoemde omstandigheden, en is van oordeel dat die zodanig zijn dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren. Waranda heeft er, nu door [verweerder] al geruime tijd geen invulling aan de arbeidsovereenkomst meer wordt gegeven, een gerechtvaardigd belang bij dat het dienstverband met hem ook formeel wordt beëindigd. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen wordt daarom ingewilligd.

3.5.

Nu het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, dient het einde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald. De kantonrechter bepaalt dit einde op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging, dus met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, zou zijn geëindigd, zij het dat daarop de duur van de periode van ontvangst van het verzoek (13 november 2015) tot deze beslissing (22 december 2015) in mindering wordt gebracht. Dit brengt mee dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2016 wordt ontbonden. Voor toepassing van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8, aanhef en onder b BW bestaat geen grond, omdat op grond van hetgeen hierboven, onder 3.3. is overwogen, niet kan worden vastgesteld dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .

3.6.

Op dit laatste stuit ook het verzoek van Warande af om te bepalen dat zij aan [verweerder] geen transitievergoeding verschuldigd is. Nu Warande in het ongewisse verkeert over de reden van het niet-verschijnen van [verweerder] sinds 11 december 2014 kan in dit geding niet worden vastgesteld dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , als bedoeld in artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c BW. Het is thans aan [verweerder] om desgewenst binnen de in artikel 7:686a lid 4 genoemde termijn van drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, bij de kantonrechter een verzoek om vaststelling van een transitievergoeding in te dienen.

3.7.

Gelet op de aard van deze procedure worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

- bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 februari 2016;

  • -

    wijst af het meer of anders verzochte;

  • -

    compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Dondorp, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.