Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9189

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
4576301 UE VERZ 15-541 en 4656734 UE VERZ 15-593 mc/936
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 1 juncto lid 3 sub g BW wordt afgewezen. Er is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, maar die is in overwegende mate aan de werkgever te wijten. Verzoek van de werknemer tot wedertewerkstelling wordt eveneens afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Burgerlijk Wetboek Boek 7 699
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 233
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2662
JAR 2016/26 met annotatie van mr. L.B. de Graaf
AR-Updates.nl 2015-1306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4576301 UE VERZ 15-541 en 4656734 UE VERZ 15-593 mc/936

Beschikking van 21 december 2015

inzake

de coöperatie

Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A.,

statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Utrecht,

verder ook te noemen de Rabobank,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. C. Nekeman,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.J. Dito.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van de Rabobank

  • -

    de pleitnota van [verweerder] .

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [1963] , is sinds 1 september 1986 in dienst van de Rabobank, laatstelijk in de functie van Senior Sales Manager. Het dienstverband is aan-gegaan voor onbepaalde tijd. Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 14.771,64 per maand, exclusief een gemiddelde maandelijkse bonus van € 1.944,44.

2.2.

In de beoordeling over het jaar 2010 is (onder meer) onder het kopje ‘Rating’

vermeld:

Provisional Mid Year Review rating:

Fully meets

Overall End of Year Appraisal rating:

Fully meets”

In de beoordeling over het jaar 2011 is bij de ‘Overall End of Year Appraisal rating’ even-eens “Fully meets” vermeld. Bij de ‘comments’ is het volgende vermeld:

“ [initialen verweerder] has had a solid year. Financial objectives are not met (EUR 6.5 mio) however there were mitigants. From a deal perspective, the major achievement is the closing of O&O and TSF deal. [initialen verweerder] has organised inspiring views and the cycling well. [initialen verweerder] has improved on introducing other team members to the client base a.o. on the subject of government bonds.

As one of the most experienced senior members of the team, it is expected that [initialen verweerder] , even if he is critical about the organisation, deals positively with situations. This will raise his stature within GFM.”

Ook in de beoordeling over het jaar 2012 is bij de ‘Overall End of Year Appraisal rating’ “Fully meets” vermeld. Bij de ‘comments’ is het volgende vermeld:

“The OSS figures itself are very good, but as a senior member of the team [voornaam verweerder] should show more willingness to not only share knowledge about clients but also the client them-selves and its flow business these customers generate. In due course more focus can be given to non-standard high profile transactions.”

2.3.

In de ‘Performance Review 2013’ is bij de ‘Provisional Mid Year Review rating’ vermeld: “Does not fully meet”. Bij de ‘comments’ is het volgende vermeld:

“In a number of areas [voornaam verweerder] does good work. From a senior team member however a less negative attitude, less individual target chasing and more client/knowledge/information/deal sharing is expected. These elements have played an important role in the current provisional mid year review rating and will be key in measuring the overall end of year appraisal rating as well. Furthermore more frequent proactive telephone calls with customers are warranted in order to increase the business in secondary Credit Trading.”

Deze beoordeling is op 14 augustus 2013 met [verweerder] besproken.

2.4.

Bij e-mailbericht van 20 augustus 2013 heeft [verweerder] aan zijn leidinggevenden [A] en [B] meegedeeld dat hij niet instemt met voormelde beoordeling over 2013, aangezien de genoemde opmerkingen niet zijn gebaseerd op de feiten. Verder heeft [verweerder] aangegeven dat hij niet begrijpt waar deze erg negatieve beoordeling vandaan komt en dat hij er niet eerder op gewezen is dat zijn functioneren onvoldoende was.

2.5.

In reactie op voormeld e-mailbericht hebben [A] en [B] op 22 augustus 2013 aan [verweerder] meegedeeld dat het weinig constructief is om via de e-mail te communiceren, dat zij ervan overtuigd zijn dat [verweerder] iets met de gemaakte opmerkingen kan doen en dat zij be-reid zijn om hem daarbij te ondersteunen. Voorgesteld is om elke twee weken de voortgang te bespreken.

2.6.

[verweerder] heeft op 26 augustus 2013 aan [A] en [B] meegedeeld dat hij open staat voor kritiek op zijn functioneren, maar dat het weinig constructief is wanneer de vragen waarop die kritiek is gebaseerd en van wie die kritiek afkomstig is, niet worden beantwoord. Verder heeft [verweerder] aangegeven dat hij de genoemde voorbeelden van het vermeende dis-functioneren heeft kunnen weerleggen en dat hij bij zijn standpunt blijft dat de negatieve beoordeling niet terecht is.

2.7.

Op de vraag van [B] om de bezwaren in ‘Easy’ te zetten en de beoordeling af te tekenen, heeft [verweerder] op 29 augustus 2013 geantwoord dat hij (ook) bezwaar tegen heeft het accepteren van een beoordeling waar hij het niet mee eens is.

2.8.

Bij e-mailbericht van 25 september 2013 heeft [verweerder] het volgende aan [A] en [B] meegedeeld:

“Afgelopen maandag 23 september jl. hebben wij een gesprek gehad over mijn mid-year review.

Ik betreur het dat jullie hebben aangegeven het niet nodig te vinden om in te gaan op mijn herhaalde verzoeken om antwoord te geven op mijn vragen.

Zoals eerder aangegeven sta ik vanzelfsprekend open voor eventuele kritiek op mijn func-tioneren. Als jullie echter niet willen/kunnen benoemen waar de kritiek op gebaseerd is of van wie deze afkomstig is, dan wordt het lastig.

Ik herken mij, zoals gezegd, niet in de negatieve beoordeling. Mijn resultaten zijn goed, ik heb een goede relatie met klanten en met collega’s en ik ben bovendien nooit in een eerder stadium door jullie aangesproken op vermeend disfunctioneren. De negatieve beoordeling tijdens het mid year gesprek kwam voor mij dan ook volledig onverwachts.

De vragen die ik eerder heb gesteld - zoals het verzoek om concrete voorbeelden van het be-weerde disfunctioneren, de vraag waarom ik in het afgelopen jaar op geen enkele manier (ge-sprek of e-mail) te horen heb gekregen dat ik het niet goed zou doen, de vraag van wie de kri-tiek afkomstig is etc. - staan dus nog altijd. Ik kan de review daarom (nog steeds) niet accepteren.

De door jullie gekozen opstelling stelt mij teleur. Ik krijg daardoor ook de indruk dat er meer speelt, of eigenlijk iets anders achter zit, namelijk dat deze negatieve beoordeling een voor-aankondiging is van een voornemen om mijn dienstverband te beëindigen. Ik zou een open communicatie in elk geval zeer op prijs stellen, zodat ik weet waar ik aan toe ben. Dat gevoel heb ik namelijk op dit moment niet.”

2.9.

Bij brief van 23 oktober 2013 heeft de (vorige) gemachtigde van [verweerder] - kort samen-gevat - aan [B] en [A] meegedeeld dat, teneinde [verweerder] in de gelegenheid te stellen om iets te doen met de kritiek, hem wel duidelijk gemaakt moet worden waarop die kritiek ter zake het niet goed samenwerken in het team, het slecht communiceren en het hebben van een negatieve houding is gebaseerd. Dat heeft de Rabobank evenwel nagelaten, waarmee zij han-delt in strijd met haar verplichting om zich als een zorgvuldig handelend werkgever te ge-dragen.

2.10.

Bij e-mailbericht van 25 oktober 2013 hebben [B] en [A] aan de (vorige) ge-machtigde van [verweerder] meegedeeld dat zij verbaasd zijn dat [verweerder] reeds nu een advocaat heeft ingeschakeld, aangezien zij hebben getracht om met [verweerder] in gesprek te blijven en de situatie niet te laten escaleren. Verder hebben zij aangevoerd dat iedereen wel eens iets te verbeteren heeft en dat er niks mis is met het melden van kritiek, te meer omdat dat in het merendeel van de gevallen leidt tot betere prestaties. Het voortgangsgesprek is daar ook juist bij uitstek voor bedoeld, aldus [B] en [A] . In dit e-mailbericht is voorts het volgende vermeld:

“Waarom [voornaam verweerder] spreekt over een impasse of over een beëindiging van zijn dienstverband is ons een raadsel. Ook dit hebben we reeds aan hem toegelicht. Er is niets meer of minder aan de hand dan een voortgangsverslag met ontwikkelpunten. Aan het feit dat hij overigens in de voorgaande jaren goed is beoordeeld, kan hij uiteraard thans geen rechten ontlenen. Het zou hem ons inziens sieren, en daarnaast ook van professionaliteit hebben getuigd, als hij de geuite kritiekpunten ter harte had genomen en bij ons zou informeren naar de verbetermoge-lijkheden in plaats van de gekozen confrontatie.

De insteek is dat wij een transparante werksfeer willen waar het teambelang vooropstaat. Daar moet iedereen binnen het team aan meewerken. Meer dan voorheen vraagt het tijdsbeeld en de markt om transparantie, open communicatie en teamwork. In zoverre is de bancaire omgeving de afgelopen tijd duidelijk veranderd en zal deze in de toekomst ook nog verder veranderen. Er wordt zoals bekend meer dan voorheen binnen de bank door leidinggevenden gestuurd op de competenties van medewerkers, naast de hard targets. Wij allen hebben daar-aan te werken, en dus ook [voornaam verweerder] .”

2.11.

Bij e-mailbericht van 8 november 2013 heeft [C] , werkzaam als ‘HR Advi-sor’ bij de Rabobank, het gesprek van 28 oktober 2013 bevestigd en aan [verweerder] meegedeeld dat [B] en [A] nogmaals hebben aangegeven wat de geconstateerde verbeterpunten zijn, waarmee deze naar de mening van [B] en [A] ook helder zijn gemaakt. Verder heeft [C] aangegeven dat [verweerder] zich ook tot de Geschillencommissie Arbeidsverhou-dingen kan wenden. Voorts is in het gesprek van 28 oktober 2013 herhaald dat het uitgangs-punt van de Rabobank nog steeds is om [verweerder] te ondersteunen bij het tot stand brengen van de gewenste verbeterpunten en dat zij graag toewerken naar een positieve eindejaarsbeoorde-ling. Van een vertrouwenscrisis, zoals door [verweerder] is gesteld, is naar de mening van de Rabo-bank geen sprake. Het gesprek op 28 oktober 2013 is uiteindelijk beëindigd in verband met meerdere respectloze opmerkingen van de zijde van [verweerder] .

2.12.

Bij e-mailbericht van 11 november 2013 heeft [verweerder] zijn door hemzelf opgestelde gespreksverslag van het gesprek van 28 oktober 2013 aan de Rabobank gestuurd. Hierin heeft [verweerder] - kort samengevat - herhaald dat hij geen antwoorden op zijn vragen heeft ge-kregen en dat hij eerst wil weten wat hij fout heeft gedaan alvorens hij aan zijn competenties kan gaan werken. Hierbij heeft [verweerder] er ook op gewezen dat de door [B] en [A] ge-noemde voorbeelden niet juist waren en dat hij die voorbeelden heeft weerlegd.

2.13.

In de ‘Performance Review 2013’ is bij de ‘Overall End of Year Appraisal rating’ “Does not fully meet” vermeld. Bij de ‘comments’ is het volgende vermeld:

“2013 has been a tough year, not only for the bank as a whole or our own department, but also for [voornaam verweerder] personally. The remarks on 3 competencies during MYR has resulted in several additional meetings with management, HR and even 1 with Legal, trying to solve the situation.

[voornaam verweerder] however kept on showing commitment, which is appreciated. He also tackled 2 of the addressed competencies (selective information sharing and negative attitude) during the course of the second half of 2013.

Some comments out of the IFA feedback; [voornaam verweerder] is client focussed, result driven, know-ledgeable, has and maintains good long lasting relationships and is well organized. Further-more he is persistent and knows his customers well. Apart from the distinct style [initialen verweerder] gets deals done, often with a relatively high margin. With regard to collaboration and sharing knowledge remarks were made that this can be done more in order to achieve further client penetration and business. […] said that “he should be more of a leader by sharing information but also EOS income to group members”. One other sees him a bit as a defeatist; believe in what we can do as a bank instead of focus on what we can’t.

From an executive director (senior sales person) it is expected that the remarks for improve-ment made are taken up constructively and worked on. The overal […] of year rating men-tioned below reflects the fact that after 4 months since the MYR still no formal commitment has heen given by [initialen verweerder] to address the mentioned remarks for improvement. Furthermore the MYR hasn’t been completed, which has been requested by management several times. Last but not least the numerous disrespectful remarks made during meetings towards management is unacceptable and is weighing heavily on the overall rating.”

2.14.

In de ‘Performance Review 2014’ is bij de ‘Provisional Mid Year Review rating’ vermeld: “Fully meets”. Bij de ‘comments’ is het volgende vermeld:

“ [voornaam verweerder] has picked up the glove and worked hard on the to be improved 3 competencies mentioned in the 2013 reviews. I am very pleased to see this development! The only thing lacking is the one relating sharing of clients/trades/EOS and I would like to urge [initialen verweerder] to work on this topic as well.”

2.15.

Bij e-mailbericht van 24 september 2014 heeft [D] , ‘Global Head of FI Sales’ en de leidinggevende van [B] voormeld, aan [verweerder] meegedeeld dat de medewerkers van de Rabobank als een team werken om zo de klanten het beste te kunnen bedienen en dat klanten niet toebehoren aan één verkoopmedewerker. Teamwerk staat hierbij centraal, aldus [D] . Verder heeft [D] erop gewezen dat was afgesproken dat [verweerder] samen met [A] als een team zouden werken ‘covering the DNB’ en dat het derhalve niet acceptabel is dat [verweerder] met een klant heeft afgesproken zonder [A] daarbij te betrekken, aangezien dit de autoriteit van [A] ondermijnt en ingaat tegen de principes van de Rabobank.

2.16.

In de ‘Performance Review 2014’ is bij de ‘Overall End of Year Appraisal rating’ “Does not fully meet” vermeld. Bij de ‘comments’ is een aantal opmerkingen, zoals die hier-voor zijn vermeld, herhaald. Ten slotte is hier vermeld:

“In conclusion we urge [voornaam verweerder] to work on his behaviour, his cooperation with colleagues, improving transparency of information sharing and respect management decisions. In order to do so we will work on an improvement plan to get him on track in H1 2015.”

2.17.

Bij brief van 7 januari 2015 heeft [verweerder] bezwaar aangetekend tegen de eindejaars-beoordeling van december 2014, aangezien deze in het geheel niet objectief is, vele onwaar-heden bevat en geen juiste weergave van de werkelijkheid is. In de daartoe opgestelde brief van ruim acht pagina’s heeft [verweerder] zijn bezwaar nader onderbouwd.

2.18.

Nadat [verweerder] op 9 februari 2015 met [B] had gesproken over zijn bezwaarschrift en daar nadien geen inhoudelijke reactie op volgde, heeft de (vorige) gemachtigde van [verweerder] bij brief van 9 maart 2015 aan de Rabobank meegedeeld dat [verweerder] onder protest klanten heeft afgestaan en dat [verweerder] inmiddels is gebleken dat hij als enige van zijn afdeling niet in aanmerking is gekomen voor een bonus. Gelet hierop is [verweerder] van mening dat het ver-trouwen door toedoen van de Rabobank onherstelbaar is beschadigd en is bij hem de indruk ontstaan dat de Rabobank het dienstverband met hem wil beëindigen.

2.19.

Bij e-mailbericht van 23 maart 2015 heeft [E] , werkzaam op de afdeling Juri-dische Zaken bij de Rabobank, aan [verweerder] meegedeeld dat de Rabobank de visie van [verweerder] , zoals vervat in voormelde brief van 9 maart 2015, niet deelt en dat iedere medewerker erop aangesproken wordt wanneer het functioneren te wensen overlaat. De bedoeling hiervan is om de medewerker te laten verbeteren in zijn functioneren. Hierbij heeft [E] erop gewe-zen dat [verweerder] geen formeel bezwaar heeft aangetekend tegen de beoordeling over 2013.

2.20.

Bij e-mailbericht van 21 april 2015 heeft de Rabobank voorgesteld om door middel van mediation te bezien of de verhouding hersteld kan worden. Bij e-mailbericht van 29 april 2015 heeft [verweerder] hierop positief gereageerd.

2.21.

Bij brief van 6 juli 2015 heeft de Rabobank aan [verweerder] meegedeeld dat haar op 3 juli 2015 is gebleken dat de mediation niet heeft geleid en ook niet zal leiden tot een oplossing, waarna de mediation is geëindigd. “Dat betekent dat de bank tot haar spijt nu geen andere weg ziet dan in te gaan op jouw streven naar beëindiging van de arbeidsovereenkomst (…)”, aldus de Rabobank. Hieraan heeft de Rabobank toegevoegd dat wanneer niet tot overeen-stemming wordt gekomen, een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden ingediend.

[verweerder] is vervolgens vanaf 6 juli 2015 vrijgesteld van werkzaamheden.

2.22.

Partijen hebben vervolgens onderhandeld over de beëindiging van de arbeidsover-eenkomst. Gedurende deze onderhandelingen heeft de (vorige) gemachtigde van [verweerder] aan de Rabobank meegedeeld dat [verweerder] zijn dienstverband wenst voort te zetten. Verder heeft [verweerder] in dit e-mailbericht van 17 juli 2015 aan de Rabobank verzocht om de gesprekken te hervatten. Bij e-mailbericht van 23 juli 2015 is door de Rabobank aan [verweerder] meegedeeld dat ‘er geen enkele reden is om thans aan te nemen dat een hervatting van de gesprekken nu wel tot een oplossing zouden leiden’.

Deze onderhandelingen hebben uiteindelijk niet geleid tot een oplossing.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De Rabobank verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, uitvoerbaar bij voor-raad, de tussen de Rabobank en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder nummer 4576301 UE VERZ 15-541. De Rabobank heeft hierbij verzocht om bij het bepalen van de ontbindingsdatum de periode tussen het moment van ontvangst van het verzoek tot ontbin-ding en de dagtekening van deze beschikking op de opzegtermijn in mindering te brengen en om aan [verweerder] een transitievergoeding toe te kennen van € 200.592,98 bruto, met veroorde-ling van [verweerder] in de kosten van de procedure.

3.2.

Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de Rabobank gesteld dat er sprake is van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 juncto lid 3 sub g BW. Naar de mening van de Rabobank is de arbeidsrelatie met [verweerder] zodanig verstoord dat van haar in redelijk-heid niet gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De Rabobank heeft in dit kader aangevoerd dat zij meer wilde sturen op de teamprestaties en minder op in-dividuele ‘targets’, terwijl [verweerder] meer gericht was op zijn individuele prestatie waarbij hij het teambelang wel eens uit het oog verloor. [verweerder] was hierbij ook argwanend ten opzichte van zijn ontwikkelpunten en heeft tot twee keer toe aangegeven dat er sprake was van een dusdanige vertrouwensbreuk dat de arbeidsovereenkomst diende te eindigen. Ook het media-tiontraject is zonder resultaat geëindigd, aldus de Rabobank. Verder ligt volgens de Rabo-bank herplaatsing van [verweerder] niet in de rede, gelet op de houding en het gedrag van [verweerder] . Hierbij heeft de Rabobank erop gewezen dat er ook geen andere passende functies voor [verweerder] zijn.

3.3.

[verweerder] heeft als verweer aangevoerd dat er geen sprake was van disfunctioneren en dat de Rabobank nimmer is ingegaan op zijn verzoeken om met sluitende voorbeelden te komen. [verweerder] heeft omtrent zijn functioneren ook nooit een aanwijzing of een schriftelijke waarschuwing van zijn leidinggevende gekregen. [verweerder] heeft er in dit kader op gewezen dat er van de zijde van de Rabobank ook geen reactie is gekomen op zijn brief van 7 januari 2015. De verstoorde arbeidsverhouding is niet ontstaan door het vermeende disfunctioneren van [verweerder] en de twee waarschuwingen van [D] , maar doordat de Rabobank ten onrechte slechte beoordelingen heeft gegeven, die zij niet concreet heeft kunnen onderbouwen. Wat betreft de herplaatsing heeft [verweerder] erop gewezen dat er in de afgelopen twee jaar geen po-gingen zijn ondernomen om hem te herplaatsen en dat hij ook geen scholing heeft mogen volgen. Gelet hierop is [verweerder] zelf een opleiding tot pensioendeskundige bij [naam universiteit] gaan volgen. Naar de mening van [verweerder] zijn er drie afdelingen binnen [verweerder] waar hij prima zou kunnen functioneren. [verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toekenning van een vergoeding van € 1.100.000,00 bruto, met veroordeling van de Rabo-bank in de proceskosten.

3.4.

[verweerder] heeft een ‘verzoekschrift weder tewerkstelling ex art. 233 Rv.’ (bedoeld zal zijn: artikel 223 Rv.) ingediend. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder nummer 4656734 UE VERZ 15-593.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van enig opzegverbod, hetgeen niet het geval is.

4.2.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsover-eenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaat-sing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

4.3.

Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, is voldoende gebleken dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Dit gegeven is echter sedert de inwer-kingtreding van de Wet Werk en Zekerheid per 1 juli 2015 niet zonder meer voldoende om van een verstoorde arbeidsverhouding te spreken in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Daarvoor is vereist dat van de Rabobank redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeids-overeenkomst te laten voortbestaan. Aan dit wettelijke vereiste zal in beginsel niet zijn vol-daan indien de werkgever ten aanzien van de verstoorde arbeidsverhouding in overwegende mate een verwijt treft. Geoordeeld wordt dat daarvan in dit geval sprake is. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.

Vast staat dat de beoordelingen van [verweerder] over de jaren 2010, 2011 en 2012 vol-doende waren. Hiertoe wordt erop gewezen dat onderaan deze formulieren telkens “fully meets” is vermeld. In de beoordeling over de eerste helft van 2013 is vermeld dat [verweerder] niet geheel voldoet aan de voor hem geldende criteria en dat van hem wordt verwacht dat hij een minder negatieve houding heeft, dat hij minder op een individuele basis ‘targets’ nastreeft en dat hij meer informatie en kennis over klanten deelt met collega’s. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerder] hierbij redelijkerwijs kunnen vragen op grond van welke informa-tie deze beoordeling is gegeven, te meer omdat de drie voorgaande beoordelingen voldoende waren en hem niet eerder te kennen is gegeven dat zijn functioneren naar de mening van de Rabobank niet voldeed aan de verwachtingen. Uit de stellingen over en weer is gebleken dat de Rabobank een aantal voorbeelden heeft gegeven, die vervolgens door [verweerder] zijn weer-legd. Van de zijde van de Rabobank is hierop verder niet ingegaan en ook zijn deze voor-beelden in de onderhavige procedure niet kenbaar gemaakt, zodat ervan uitgegaan wordt dat de Rabobank deze voorbeelden niet langer handhaaft, althans niet mede aan het onderhavige verzoek ten grondslag heeft gelegd. Voldoende is verder gebleken dat de Rabobank geen an-dere concrete voorbeelden heeft genoemd waarop deze beoordeling is gestoeld, zodat deze onvoldoende beoordeling een onvoldoende onderbouwing voor het onderhavige verzoek vormt.

4.5.

In dit kader wijst de kantonrechter er voorts op dat de beoordeling over de eerste helft van 2014 weer voldoende was (‘fully meets’), waarbij specifiek is vermeld dat [verweerder] de handschoen heeft opgepakt en dat er in ieder geval voor twee van de drie genoemde aan-dachtspunten een ontwikkeling zichtbaar is, die kennelijk zodanig was dat een voldoende beoordeling kon worden gegeven.

4.6.

In de eindejaarsbeoordeling over 2014 staan vervolgens weer een aantal aandachts-punten vermeld, waaraan [verweerder] naar de mening van de Rabobank dient te werken. Dienaan-gaande wordt overwogen dat het buiten kijf staat dat de Rabobank als werkgever aandachts-punten / verbeterpunten aan haar werknemers - in casu [verweerder] - mag meegeven. Evenmin staat ter discussie dat het de werknemer vrij staat om zijn bezwaren tegen een beoordeling kenbaar te maken, zoals [verweerder] heeft gedaan bij brief van 7 januari 2015. Niet is gebleken dat de Rabobank inhoudelijk op deze bezwaren is ingegaan, ondanks toezeggingen daartoe. Ge-let hierop wordt geoordeeld dat de onduidelijkheid met betrekking tot de status van deze eindejaarsbeoordeling over 2014, waarmee derhalve ook nog steeds onduidelijk is of alle genoemde aandachtspunten onverkort op [verweerder] van toepassing blijven, voor rekening en risico van de Rabobank dienen te blijven. Ook deze beoordeling kan derhalve niet als een voldoende onderbouwing voor het onderhavige verzoek worden aangemerkt.

4.7.

De Rabobank heeft gesteld dat [verweerder] zelf heeft aangegeven dat hij geen enkel ver-trouwen meer heeft in de Rabobank. Anders dan de Rabobank hiermee kennelijk bedoelt te betogen, kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat [verweerder] zelf heeft aangestuurd op een beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Hiertoe wordt overwogen dat [verweerder] in voor-melde brief van 9 maart 2015 expliciet heeft gesteld dat bij hem de indruk is ontstaan dat de Rabobank het vertrouwen in hem heeft verloren en dat hij dáárom op zijn beurt het ver-trouwen in de Rabobank is verloren. Ten slotte overweegt de kantonrechter in dit kader dat [verweerder] meerdere malen heeft aangedrongen op voortzetting van de gesprekken.

4.8.

De Rabobank heeft gesteld dat de mediation niet succesvol is geweest. Dienaangaan-de wordt onder verwijzing naar voormeld e-mailbericht van 23 juli 2015 geoordeeld dat het uiteindelijk de Rabobank is geweest die de mediation heeft beëindigd. Het stopzetten van de mediation kan derhalve niet enkel op het conto van [verweerder] worden geschreven.

4.9.

De kantonrechter overweegt ten slotte dat uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd voldoende is gebleken dat [verweerder] een kritische werknemer is. Dit betekent even-wel niet dat er daarmee ‘als vanzelf’ sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhou-ding, dat van de Rabobank niet gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook het gegeven dat [verweerder] zich een aantal keer enigszins laatdunkend heeft uitgelaten over zijn leidinggevenden, hetgeen niet goed valt te praten en waarvan [verweerder] ter zitting ook heeft erkend dat hem dat niet past, kan niet tot die conclusie leiden.

4.10.

Al het voorgaande betekent dat er geen grond voor ontbinding van de arbeidsover-eenkoms bestaat.

4.11.

Ten aanzien van de mogelijkheid om [verweerder] elders binnen de organisatie van de Rabobank te herplaatsen is de kantonrechter van oordeel dat de Rabobank niet, althans on-voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze mogelijkheid niet bestaat. Hierbij wordt nog opgemerkt dat uit het traject dat partijen voorafgaand aan deze procedure hebben doorlopen, niet is gebleken dat hieraan uitvoerig aandacht is besteed. Dat zou alleen al daarom nodig zijn geweest omdat juist in een situatie waarin twee leidinggevenden met een werknemer een niet geheel onmoeizame route bewandelen, herplaatsing serieus onderzocht moet worden. Gelet op artikel 7:669 lid 1 BW dient ook dit voor rekening en risico van de Rabobank als werkgever te blijven.

4.12.

De conclusie luidt dan ook dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereen-komst moet worden afgewezen. De Rabobank zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.13.

Voormeld verzoek van [verweerder] tot wedertewerkstelling zal worden afgewezen. Hier-toe wordt overwogen dat [verweerder] al op 6 juli 2015 is vrijgesteld van zijn werkzaamheden en dat dit verzoek eerst op 1 december 2015 is ingediend, op welk moment al bekend was dat de mondelinge behandeling op 10 december 2015 zou plaatsvinden. Gelet op dit tijdsverloop en het vooruitzicht op een spoedige uitspraak maakt naar het oordeel van de kantonrechter dat er geen sprake meer is van een spoedeisend belang aan de zijde van [verweerder] . Met de Rabobank wordt geoordeeld dat het niet opportuun is om voor [verweerder] voor de duur van het geding, als bedoeld in artikel 223 Rv., nog een voorlopige voorziening te treffen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzoek van de Rabobank af;

5.2.

wijst het verzoek van [verweerder] af;

5.3.

veroordeelt de Rabobank in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 december 2015.