Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9167

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
16-661471-15- (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in een psychose zijn vrouw met een groot aantal messteken van het leven beroofd.

De rechtbank veroordeelt de verdachte voor doodslag.

De deskundigen adviseren de rechtbank verdachte als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de doodslag niet aan hem kan worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar. De rechtbank ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

De rechtbank legt, conform de eis van de officier van justitie, de maatregel van TBS met dwangverpleging op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16-661471-15- (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 december 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1966] te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in [detentieadres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 december 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. M.C. Vermeul, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 25 juni 2015 te Langbroek zijn levensgezel [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hetgeen impliciet primair ten laste is gelegd als moord en impliciet subsidiair als doodslag.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van moord. Gelet op de gemoedstoestand van verdachte ten tijde van het plegen van het feit en het korte tijdsverloop, kan het bestanddeel voorbedachte raad niet worden bewezen. Volgens de raadsman kan doodslag wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen1

Verdachte heeft verklaard dat hij op 25 juni 2015 omstreeks 04.00 uur thuis is gekomen. Hij was toen van plan om naar bed te gaan. Op het moment dat verdachte zijn woning binnenkwam ervoer hij het huis als onwerkelijk. Het licht was volgens hem heel raar. Hij had een gevoel van razernij, een soort woedeaanval. Dit gevoel overviel hem.2 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij het huis vijandig vond en dat die woede daaruit is ontstaan.3 Op dat moment heeft verdachte besloten om zijn vrouw te doden. Verdachte is naar de keuken gelopen en heeft daar twee messen uit een keukenla gepakt. Hij is de trap op naar boven gegaan, naar de slaapkamer. Hij zag zijn vrouw liggen slapen en begon haar te steken met het grote keukenmes. Zijn vrouw werd wakker en begon te gillen. Verdachte is op zijn vrouw blijven insteken totdat ze geen geluid meer maakte. Verdachte zag geen mogelijkheid om zichzelf te stoppen. Verdachte zag dat zijn zoon [getuige] er ineens was. [getuige] heeft hem bij zijn vrouw weggetrokken.4

[getuige] heeft tegenover de politie verklaard dat hij wakker werd van hard geschreeuw van zijn moeder. Hij is opgestaan en naar de slaapkamer van zijn ouders gegaan. In de slaapkamer van zijn ouders zag hij dat zijn vader naast zijn moeder zat. Hij zag dat zijn vader met zijn arm bewegingen maakte. Hij zag een mesje. [getuige] heeft zijn vader beetgepakt en hem naar achteren getrokken. Toen hij zijn vader bij zijn moeder wegtrok, merkte [getuige] dat zijn vader niet helemaal bij de wereld was.5

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is het navolgende gebleken.6

Er werden 24 letsels vastgesteld welke bij leven waren ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend, snijdend geweld (13 huidperforaties: B, C, E, F, G, H, I, J, K, Q, R, W, X) en klievend/snijdend geweld (11 huidklievingen: A, D, L, M, N, O, P, S, T, U, V).

De letsels E en F aan de borstkas gingen gepaard met perforatie van vitale structuren waaronder de grote lichaamsslagader (letsel F), de linkerlong (letsel E) en de lever (letsel F). Hierdoor is een klaplong ontstaan en bloedverlies in beide borstholten met samenvallen van beide longen. Hierdoor zijn functiestoornissen van de longen ontstaan en is algehele weefselschade door doorgemaakt fors bloedverlies ontstaan waarmee het intreden van de dood wordt verklaard. In relatie met de letsels Q en R was een slagader van de rechter onderarm geraakt. Deze letsels kunnen middels bloedverlies een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden.7

Conclusie:

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] wordt het intreden van de dood verklaard door verwikkelingen ten gevolge van meervoudige inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld (steekverwondingen).8

4.3.2

Voorbedachte raad?

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3426).

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte vanaf het moment dat hij zijn woning op 25 juni 2015 omstreeks 04.00 uur binnenkwam, in een toestand verkeerde waarin hij zijn realiteitszin verloren was. Hij ervoer zijn huis als onwerkelijk en vijandig en hij vond het licht heel raar. Er overviel hem een gevoel van razernij. Op dat moment is bij verdachte de gedachte ontstaan om zijn vrouw te doden. In deze toestand is verdachte direct naar de keuken gelopen, heeft daar messen uit een la gepakt, is hiermee de trap opgelopen naar de slaapkamer van zijn vrouw en heeft meerdere keren op haar ingestoken, waardoor zij is komen te overlijden.

Uit het voorgaande blijkt dat sprake was van een korte tijdspanne tussen het moment dat bij verdachte de gedachte opkwam om zijn vrouw te doden en de uitvoering van dit delict. Niet blijkt dat verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op het genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven. Uit de verklaring van verdachte volgt dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden. Deze verklaring wordt ondersteund door het aantal toegebrachte letsels, waarin de rechtbank een extra aanwijzing ziet dat verdachte handelde in een hevige gemoedsopwelling.

Deze omstandigheden brengen de rechtbank tot het oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van moord.

4.3.3

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.1 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 25 juni 2015 te Langbroek opzettelijk zijn levensgezel [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] meerdere malen met een mes in de borstkas en de slagader van de rechteronderarm gestoken/gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Doodslag.

6 De strafbaarheid van verdachte

Psychiater J.L.M. Dinjens, GZ-psycholoog L. Vermeulen en forensisch milieuonderzoeker A. Janischka hebben een rapportage omtrent verdachte opgemaakt, gedateerd 26 november 2015. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Bij verdachte is sprake van schizofrenie van het paranoïde type en een cognitieve stoornis NAO (niet aangeboren hersenaandoening). Dit was ook ten tijde van het ten laste gelegde het geval. Verdachte was floride psychotisch. Verdachte verklaart te hebben gehandeld vanuit een intense en impulsieve woede, waarin hij de controle volledig is verloren. Hij werd al langere tijd in toenemende mate gedreven door psychotische motieven, in concreto de waanovertuiging dat zijn partner voortdurend vreemdging en leed aan nymfomanie. Deze overtuigingen gingen gepaard met een toenemende, door psychopathologie bepaalde woede. Hierdoor en vanwege de voortdurende strijd over psychose en antipsychotische medicatie kwam de relatie steeds verder onder druk te staan. De langdurig opgebouwde en gestuwde woede kwam hierbij tot een volledige ontlading (catharsis). Verdachte verloor hierbij volledig de controle over zijn denken, voelen en handelen. Hij beschikte niet meer over gedragsalternatieven.

De deskundigen adviseren de rechtbank verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt deze conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde verdachte niet kan worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar. De rechtbank zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft net als de officier van justitie bepleit dat verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft in een psychose zijn vrouw met een groot aantal messteken van het leven beroofd. Dit feit is voor beide kinderen een enorm traumatische ervaring geweest. Zij zijn hiervan getuige geweest. Bij de kinderen is een posttraumatische stressstoornis vastgesteld. Als gevolg van dit feit moeten de kinderen zonder hun moeder verder leven, hetgeen een groot gemis voor hen is en veel pijn en verdriet veroorzaakt. Verdachte heeft met zijn handelen ook andere nabestaanden veel leed toegebracht. Dit is gebleken uit de slachtofferverklaringen die de vader, een broer en een zus van het slachtoffer ter terechtzitting hebben voorgelezen. De rechtsorde is door dit misdrijf op zeer ernstige wijze geschokt.

Zoals hiervoor is overwogen, kan verdachte dit zeer ernstige feit niet worden toegerekend, omdat hij handelde in een psychose. Er kan hem dan ook geen straf worden opgelegd. Wel zal de rechtbank een maatregel opleggen.

Uit het hiervoor genoemde multidisciplinair gedragsdeskundig triple-onderzoek van 26 november 2015 volgt dat er bij verdachte sprake is van een zeer uitgebreide hulpverleningsgeschiedenis. Er zijn chronisch psychotische symptomen waarbij de psychose zich kan verplaatsen naar andere leefgebieden en personen. Verdachte heeft een wisselende en weinig intrinsieke motivatie om mee te werken aan behandeling. Wanneer hij stopt met medicatie is er sprake van een snelle toename van psychotische fenomenen, zich uitend in met name een sterke achterdocht naar mensen met wie hij in een afhankelijkheidsrelatie zit (partner, maar ook collega’s). Er is gestuwde agressie waarbij hernieuwde agressieve impulsdoorbraken niet denkbeeldig zijn. Er is een grote mate van eigengereidheid, gebrekkige responsiviteit en motivatie voor behandeling. Voor de toekomst is er een risico op destabilisatie op het moment dat verdachte afhankelijk is van een ander en tegelijkertijd in toenemende mate achterdocht ontwikkelt. Complicerend is dat die afhankelijkheid er altijd zal zijn. Verdachte kan vanwege de beschreven problematiek niet alles zelf. Hij heeft om goed te functioneren in de maatschappij hulp nodig.

De deskundigen adviseren de rechtbank tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Gezien de aard en ernst van de problematiek wordt een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht of een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet haalbaar geacht en als onvoldoende ingeschat om het recidiverisico te beteugelen. Verdachte wordt onvoldoende in staat geacht zich te houden aan een voorwaardelijk kader gezien de grote problemen rondom ziektebesef en –inzicht en de ambivalentie tegenover behandeling, zoals ook blijkt uit zijn hulpverleningsgeschiedenis. Er is noodzaak tot een langdurige behandeling van de psychiatrische problematiek en inbedding in een beveiligde omgeving met voldoende garanties rondom medicatie-inname en toezicht.

De rechtbank is op grond van het multidisciplinair gedragsdeskundig triple-onderzoek en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken van oordeel dat de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van verdachte met verpleging van overheidswege eist. Gelet op de aard en ernst van de geestelijke stoornis van verdachte is de kans groot dat verdachte zonder een intensieve behandeling en begeleiding in de toekomst opnieuw ernstige strafbare feiten tegen personen zal plegen. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis of oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden biedt onvoldoende waarborgen voor de algemene veiligheid van personen.

De maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Dit betreft het bewezen verklaarde feit. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaren.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij [getuige]

Mr. F.A. ten Berge heeft als raadsvrouw namens de benadeelde partij [getuige] overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 17.500,- wegens immateriële schade (shockschade), vermeerderd met de wettelijke rente, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft namens verdachte naar voren gebracht dat hij bereid is om het gevorderde bedrag te betalen en dat daarom het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel niet nodig is.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid thans geschat op € 17.500,-.

De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2015 tot de dag van volledige betaling.

De verdachte zal in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden veroordeeld, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Mr. F.A. ten Berge heeft als bijzonder curator namens de benadeelde partij [benadeelde] overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 17.500,- wegens immateriële schade (shockschade), vermeerderd met de wettelijke rente onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft namens verdachte naar voren gebracht dat hij bereid is om het gevorderde bedrag te betalen en dat daarom het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel niet nodig is.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid thans geschat op € 17.500,-.

De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2015 tot de dag van volledige betaling.

De verdachte zal in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden veroordeeld, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het impliciet primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Wijst de vordering van [getuige] toe tot € 17.500,- (zegge zeventienduizend vijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [getuige] voornoemd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2015 tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [getuige] aan de Staat € 17.500,- (zegge zeventienduizend vijfhonderd euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2015 tot de dag van volledige betaling, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 122 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [benadeelde] toe tot € 17.500,- (zegge zeventienduizend vijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde] voornoemd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2015 tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 17.500,- (zegge zeventienduizend vijfhonderd euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2015 tot de dag van volledige betaling, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 122 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter,

mrs. V. van Dam en J.A. Spee, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

hij op of omstreeks 25 juni 2015 te Langbroek, gemeente Wijk bij Duurstede, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade (zijn levensgezel) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal met een mes, althans met een dergelijk scherp (steek)voorwerp in de borstkas en/of de buik en/of de (slagader van de) (rechter)onderarm, althans in het lichaam, gestoken/gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

1 Indien hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt hierbij verwezen naar een bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Oost-Utrecht, genummerd PL0900 2015193722, van 5 oktober 2015, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 435.

2 Proces-verbaal ter terechtzitting van 8 december 2015.

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, doorgenummerde pagina 39.

4 Proces-verbaal ter terechtzitting van 8 december 2015.

5 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] , doorgenummerde pagina 155.

6 Een geschrift, te weten een rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt door M. Buiskool, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 3.

7 Een geschrift, te weten een rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt door M. Buiskool, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 5.

8 Een geschrift, te weten een rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt door M. Buiskool, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 7.