Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:9064

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
3923665 AC EXPL 15-918 LH/1040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asbestzaak. Weduwe van aan mesothelioom overleden cv-monteur vordert schadevergoeding van gewezen werkgever. Deze beroept zich op verjaring in de zin van artikel 3:310 lid 2 BW. De kantonrechter honoreert dat verjaringsverweer. Geen reden voor het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad. Geen schending van artikel 6 EVRM. Beoordeling van de gezichtspunten, zoals genoemd in Van Hese/De Schelde (NJ 2000, 430), leidt niet tot doorbreking van de verjaringstermijn.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2567
JA 2016/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 3923665 AC EXPL 15-918 LH/1040

Vonnis van 16 december 2015

inzake

[eiseres] ,

erfgename van [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. R.F. Ruers,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. V. Oskam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 februari 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord van 8 april 2015;

  • -

    het tussenvonnis van 15 april 2015, waarbij een comparitie is gelast;

  • -

    de brief van [gedaagde] van 9 oktober 2015;

  • -

    de door [eiseres] voorafgaand aan de comparitie toegezonden productie;

  • -

    het proces-verbaal van de op 20 november 2015 gehouden comparitie.

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Tussen de heer [A] , geboren op [1944] (hierna te noemen [A] ), en (een rechtsvoorganger van) [gedaagde] heeft van 19 juni 1961 tot en met 13 april 1978 een arbeidsovereenkomst bestaan. Als (cv-)monteur heeft [A] de voorkomende installatiewerkzaamheden verricht.

2.2.

[gedaagde] is een in oktober 1991 opgerichte onderneming die een deel van de bedrijfsactiviteiten van [onderneming 2] , de rechtsopvolgster van [onderneming 3] heeft overgenomen. Laatstgenoemde vennootschap is een in maart 1973 door [onderneming 4] opgericht bedrijf waarvoor [A] heeft gewerkt. Van de [onderneming 4] heeft in het verleden ook een vennootschap, genaamd [bedrijfsnaam] , deel uitgemaakt. [bedrijfsnaam] hield zich bezig met luchtbehandeling. Tussen 1963 en 1970 is [A] door zijn werkgeefster enkele keren tewerkgesteld bij [bedrijfsnaam] .

2.3.

In mei 2011, ongeveer 33 jaar nadat zijn dienstverband bij (een rechtsvoorganger van) [gedaagde] was geëindigd, is bij [A] - destijds 66 jaar - de diagnose maligne mesothelioom epitheliaal type (longvlieskanker) gesteld. Deze diagnose is op 9 september 2011 door het Nederlands Mesothelioompanel van het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam bevestigd.

2.4.

Bij brief van 20 juni 2011 heeft [A] (rechtsopvolgers van) zijn toenmalige werkgeefster van zijn ziekte op de hoogte gebracht en deze aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en te lijden schade.

2.5.

Op 16 juni 2011 heeft [A] zich met een verzoek om bemiddeling gewend tot het Instituut Asbestslachtoffers (IAS). Aan de hand van hetgeen [A] en twee van zijn oud-collega’s, de heer [B] en de heer [C] (een broer van [A] ), tegenover het IAS hebben verklaard, heeft dit instituut het arbeidsverleden van [A] in kaart gebracht.

[A] heeft verklaard dat zijn werkzaamheden voor (een rechtsvoorganger van) [gedaagde] voornamelijk hebben bestaan uit het plaatsen van cv-installaties in nieuwbouwprojecten en dat daarbij gebruik werd gemaakt van asbesthoudende pakkingen, die op maat moesten worden gesneden. Ook heeft [A] verklaard regelmatig op schepen te hebben gewerkt, waar ketels, radiatoren en leidingwerk werden geplaatst. Hierbij werd volgens [A] asbestkoord en brandwerend materiaal gebruikt dat op maat werd gesneden. [A] verklaarde voorts dat hij tussen 1963 en 1970, voor een dochtervennootschap ( [bedrijfsnaam] ) van zijn toenmalige werkgeefster, op een drietal bouwprojecten luchtkanalen heeft geïnstalleerd. Daarbij moesten, gedurende een maand tot een half jaar, asbesthoudende buizen op maat worden gezaagd, geboord en geslepen en met asbesthoudende cementspecie worden afgedicht. Dit laatste is nadien door de heer [D] , een andere oud-collega van [A] , bevestigd.

De heer [B] verklaarde van 1961 tot 1972 samen met [A] op scheepswerven en bouwprojecten cv-installaties te hebben geplaatst. Zij zouden samen ook luchtkanalen hebben geïnstalleerd. [B] gaf aan dat de asbestblootstelling regelmatig plaatsvond, maar naar intensiteit wisselde.

De broer van [A] heeft van 1963 tot 1967 en van 1970 tot 1979 met hem samengewerkt op bouwprojecten en scheepswerven. Ook zouden beide broers samen luchtkanalen hebben aangelegd. Daarbij kwam volgens de heer [C] in de jaren 1963 tot en met 1970, gedurende 3 á 4 maanden per jaar, zeer veel asbeststof vrij bij het zagen en boren van buizen.

[A] , zijn broer en de heer [B] hebben verklaard de genoemde werkzaamheden steeds zonder persoonlijke beschermingsmiddelen te hebben moeten verrichten. Volgens [A] was er in de werkruimtes ook geen ventilatie of afzuiging.

2.6.

Op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS) heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan [A] een voorschot van € 18.392,-- betaald. Dit voorschot zal worden verrekend met een te ontvangen schadevergoeding.

2.7.

Op 2 augustus 2011 heeft het IAS geconcludeerd dat (een rechtsvoorganger van) [gedaagde] jegens [A] is tekort geschoten in de verplichting hem tegen de gevaren van het werken met asbest te beschermen en dat zij als de meest gerede partij gehouden is de daaruit voortgevloeide schade van [A] te vergoeden. Bij brief van 19 oktober 2011 heeft de toenmalige gemachtigde van [gedaagde] deze aansprakelijkheid onder meer met een beroep op verjaring afgewezen. [gedaagde] stelde niet te kunnen achterhalen onder welke omstandigheden [A] indertijd heeft gewerkt en in welke mate hij aan asbeststof is blootgesteld. Op 24 januari 2012 heeft de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde] dit beroep op verjaring herhaald.

2.8.

Op 31 januari 2012 heeft het IAS geconstateerd dat tussen partijen geen overeenstemming was bereikt en is de bemiddeling beëindigd.

2.9.

In juli 2012 heeft [A] zich tot mr. Ruers, de huidige gemachtigde van [eiseres] , gewend met het verzoek zijn belangen te behartigen. Omstreeks mei 2013 heeft mr. Ruers een letselschadebureau verzocht de materiële schade te berekenen. Dit rapport was in april 2014 gereed.

2.10.

[A] is op 11 september 2012 aan de gevolgen van de ziekte mesothelioom overleden.

3 De vordering en de standpunten van partijen

3.1.

[eiseres] vordert, voor zichzelf en in de hoedanigheid van nabestaande en erfgename van [A] , dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] jegens [A] verwijtbaar is tekort geschoten en jegens haar, [eiseres] , schadeplichtig is geworden. Voorts vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan haar te voldoen € 65.000,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 februari 2015 tot de voldoening. Tevens vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot vergoeding van de materiële schade ten bedrage van € 29.578,82, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 februari 2015 tot de voldoening. Ten slotte vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 4.108,80 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2015 tot de voldoening, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [A] in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor (een rechtsvoorganger van) [gedaagde] is blootgesteld aan asbeststof, dat daardoor bij hem de ziekte mesothelioom is veroorzaakt, dat (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] in haar zorgverplichting - thans omschreven in artikel 7:658 lid 1 BW - jegens [A] is tekort geschoten door hem niet te beschermen tegen de gezondheidsrisico’s die, naar ook destijds reeds bekend was althans bekend had kunnen en moeten zijn, het werken met asbest meebrengt. Door het in 1969 gepubliceerde proefschrift van dr. J. Stumphius, getiteld ‘Asbest in een bedrijfsbevolking. Een onderzoek naar het voorkomen van asbestlichaampjes en mesotheliomen op een scheepswerf en machinefabriek’ werd algemeen bekend dat het werken met asbest niet alleen asbestose en longkanker, maar ook mesothelioom kon veroorzaken, en dat in dat verband geen veilige grenswaarde kon worden gesteld. Ook heeft [eiseres] gewezen op het publicatieblad P116 (getiteld ‘Werken met asbest’) dat de Arbeidsinspectie in 1971 heeft uitgegeven, en op de publicatie van het GAK uit 1971, getiteld ‘Gevaren van abest!’ Doordat (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] heeft nagelaten om maatregelen te nemen die konden voorkómen dat [A] bij zijn werkzaamheden asbeststof zou inademen, is de kans op de ziekte die tot zijn dood heeft geleid in aanmerkelijke mate verhoogd. Dat maakt dat [gedaagde] voor de ontstane schade aansprakelijk is. Zelfs indien (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] niet bekend zou zijn geweest met het mesothelioomrisico van asbest, is zij aansprakelijk omdat is nagelaten om passende veiligheidsmaatregelen te nemen ter bescherming van [A] tegen de toen reeds wél bekende risico’s van asbest in de vorm van asbestose en longkanker.

3.3.

[eiseres] betoogt dat het beroep dat [gedaagde] op verjaring heeft gedaan faalt. Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 11 maart 2014 (inzake Moor/Zwitserland; RAV 2014, 48) stelt [eiseres] zich op het standpunt dat de dertigjarige verjaringstermijn, die in dit geval is verstreken voordat [A] bekend werd met het bestaan van de rechtsvordering, in strijd is met het door artikel 6 EVRM verzekerde recht op vrije toegang tot de rechter. [eiseres] verzoekt de kantonrechter om de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen, teneinde het hoogste rechtscollege zich erover te laten uitspreken of zijn arrest van 28 april 2000 (NJ 2000, 430 inzake Van Hese/De Schelde), dat in de praktijk aan ongeveer twee-derde van de asbestslachtoffers en hun nabestaanden geen soelaas biedt, niet in strijd is met artikel 6 EVRM en daarom - ruim 15 jaar na dato - aan heroverweging toe is. [eiseres] verdedigt voor het geval van ziektes met een lange latentietijd, zoals mesothelioom, de manifestatieleer, inhoudende dat de verjaring eerst een aanvang neemt als de letstelschade voor de gelaedeerde kenbaar is, dus eerst vanaf het stellen van de diagnose.

3.4.

Onder verwijzing naar genoemd HR-arrest inzake Van Hese/De Schelde en de daarin omschreven gezichtspunten meent [eiseres] dat het beroep op verjaring onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zo is gezichtspunt c (de mate van verwijtbaarheid) volgens [eiseres] congruent met de beantwoording van de vraag naar de schending van de zorgplicht. Nadat de diagnose bij [A] was gesteld, is tijdig tot aansprakelijkheidstelling en dagvaarding overgegaan.

3.5.

[gedaagde] betwist de vordering. Ofschoon zij meent dat [eiseres] de verkeerde vennootschap van de [onderneming 4] heeft gedagvaard, maakt zij dat aspect in dit geding niet tot onderdeel van haar verweer. [gedaagde] beroept zich primair op verjaring, terwijl zij subsidiair meent dat geen sprake is geweest van een schending van de zorgplicht jegens [A] . Meer subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat eventuele aansprakelijkheid niet op haar, maar op de eerdere werkgever van [A] (firma Frits Weck) rust. Uiterst subsidiair betwist [gedaagde] de schadeomvang.

3.6.

De verjaringstermijn is uiterlijk in april 1978 aangevangen en derhalve in april 2008 geëindigd. [gedaagde] acht haar beroep op verjaring niet in strijd met artikel 6 EVRM en ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. [gedaagde] wijst op de gezichtspunten die de Hoge Raad in de zaak Van Hese/De Schelde heeft omschreven. [gedaagde] betoogt onder meer dat zij zich ervoor heeft ingespannen om te achterhalen of en in welke mate [A] indertijd aan asbest is blootgesteld, maar dat er door het tijdsverloop en verschillende bedrijfsovernames geen gegevens uit de jaren 1961-1978 meer beschikbaar zijn. [gedaagde] heeft geen reden om aan te nemen dat de arbeidsomstandigheden van [A] destijds niet in ongunstige zin afweken van wat elders in de branche algemeen gebruikelijk was. De kennis van de gevaren van asbest is in de loop der tijd stap voor stap toegenomen. Ook na het proefschrift van dr. Stumphius in 1969, het eerste moment waarop in wetenschappelijke kring werd gewezen op het gevaar van mesothelioom, duurde het nog geruime tijd voordat van installatiebedrijven als die in de [onderneming 4] veiligheidsmaatregelen werden verlangd. Pas in 1982 volgden concrete aanwijzingen van de Arbeidsinspectie voor het werken met asbest door bouwbedrijven die niet behoorden tot de primaire of secundaire asbestindustrie. [gedaagde] meent daarom dat haar rechtsvoorganger - zó al - slechts een gering verwijt viel te maken (gezichtspunt c) en dat zij geen rekening heeft hoeven houden met een mogelijke aansprakelijkheid (gezichtspunt d) en dat het haar niet is aan te rekenen dat relevant bewijsmateriaal verloren is gegaan (gezichtspunt e). [gedaagde] meent dat ook gezichtspunt g haar beroep op verjaring rechtvaardigt.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Partijen twisten in dit geding over de vraag of (een rechtsvoorganger van) [gedaagde] gedurende de arbeidsovereenkomst met [A] jegens hem heeft voldaan aan haar, inmiddels in artikel 7:658 BW omschreven, verplichting om hem zoveel als redelijkerwijs nodig was te beschermen tegen de gezondheidsrisico’s van het werken met asbesthoudende materialen. Ook is in geschil of aan [gedaagde] een beroep op verjaring in de zin van artikel 3:310 lid 2 BW toekomt. De kantonrechter zal het beroep op verjaring als eerste beoordelen, omdat een honorering van dat beroep ertoe leidt dat niet wordt toegekomen aan een verdere beoordeling van de aansprakelijkheid van [gedaagde] , waarop [eiseres] haar vordering baseert. Bij de beoordeling van het verjaringsverweer zal overigens, zoals hierna wordt overwogen, de vraag naar de mate waarin aan de toenmalige werkgever van [A] een schending van haar zorgplicht kan worden verweten, mede van betekenis blijken te zijn.

4.2.

Vast staat dat de dertigjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW in juni 2011, toen [A] vennootschappen van de [onderneming 4] aansprakelijk stelde, reeds was verstreken. Deze verjaringstermijn heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter. Het beginsel van rechtszekerheid, dat deze termijn beoogt te dienen, alsook de billijkheid jegens de wederpartij (hier [gedaagde] ) brengen mee dat aan deze termijn strikt de hand moet worden gehouden, hoezeer dat ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden (hier [A] en zijn nabestaanden). Dit wil echter niet zeggen dat de verjaringstermijn nooit op grond van artikel 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die de verjaringsregeling beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in die bepaling bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken (de blootstelling aan asbeststof) inderdaad tot schade (de ziekte mesothelioom) zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat daarvan vóór het verstrijken van de verjaringstermijn geen vergoeding kon worden gevorderd.

4.3.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om de Hoge Raad over (de geldigheid van) dit toetsingskader een prejudiciële vraag te stellen, omdat een antwoord daarop niet nodig is om op de eis van [eiseres] te beslissen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de Hoge Raad in het arrest Van Hese/De Schelde het beroep op artikel 6 EVRM reeds heeft verworpen met de overweging dat de in dat arrest voorziene mogelijkheid van het buiten toepassing blijven van de verjaringstermijn in lijn is met het in die verdragsbepaling belichaamde recht op toegang tot de rechter. Anders dan [eiseres] heeft betoogd, kan aan de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 11 maart 2014 in de zaak Moor/Zwitserland geen aanwijzing worden ontleend dat de Nederlandse verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW, zoals deze op grond van artikel 6:2 lid 2 BW in de rechtspraak is gecorrigeerd, - net als de Zwitserse verjaringsregeling - de toets van artikel 6 EVRM niet zou kunnen doorstaan. In de rechtspraak die aanving met het arrest Van Hese/De Schelde is met toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid een evenwicht gezocht tussen enerzijds de rechtszekerheid (dat een vordering na verloop van tijd verjaart) en anderzijds de individuele rechtvaardigheid (dat die verjaring onder omstandigheden niet kan worden tegengeworpen aan slachtoffers van ziektes die zich pas na lange tijd openbaren). Aldus wordt de toegang tot de rechter, ook in asbestzaken, gewaarborgd op een wijze die aansluit bij de door het Europese Hof verlangde proportionaliteit. De uitspraak van het Hof geeft aldus geen steun aan de door [eiseres] aangehangen manifestatieleer.

4.4.

Of in gevallen als de onderhavige toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld (HR 28 april 2000, NJ 2000, 430). De volgende gezichtspunten zijn in die beoordeling te betrekken:
a. of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en - mede in verband daarmede - of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;
b. in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;
c. de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;
d. in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;
e. of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;
f. of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;
g. of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

4.5.

De kantonrechter zal eerst ingaan op het gezichtspunt g, omdat dit gezichtspunt - in verhouding tot de andere gezichtspunten - de preliminaire vraag stelt naar de voortvarendheid waarmee, na het bekend worden van de ziekte, jegens de aansprakelijke partij is opgetreden. Bij dit gezichtspunt stelt de kantonrechter voorop dat de vraag binnen welke redelijke termijn, vanaf de diagnose van de ziekte mesothelioom die een asbestslachtoffer en zijn omgeving hard treft, het stellen van aansprakelijkheid én het aanhangig maken van de rechtsvordering dient plaats te vinden, moet worden beantwoord met inachtneming van de relevante omstandigheden van het geval. Die redelijke termijn nam een aanvang toen in mei 2011 bij [A] de diagnose mesothelioom werd gesteld. [A] is daarna spoedig - op 20 juni 2011 - tot aansprakelijkstelling overgegaan en hij heeft ook direct de bemiddeling van het IAS ingeroepen. Daarmee was evenwel, anders dan [eiseres] meent, gezichtspunt g niet uitgewerkt, omdat ook daarna voortvarendheid diende te worden betracht bij het instellen van de rechtsvordering. De redelijke termijn die [eiseres] daarvoor ter beschikking stond, was geschorst gedurende de IAS-bemiddelingstijd, die liep tot en met 31 januari 2012, toen de bemoeienis van het IAS eindigde. Aan deze schorsing van de termijn staat niet in de weg dat Schreuder-Ruiterbeek zich vanaf 19 oktober 2011 op verjaring heeft (en is blijven) beroepen; bemiddeling was immers juist ingezet ómdat partijen van mening verschilden. De vraag is daarmee of de periode van 31 januari 2012 tot (de dagvaarding van) 27 februari 2015 als een redelijke termijn in de zin van gezichtspunt g moet worden aangemerkt. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Anders dan [eiseres] meent, had zij niet - ongeacht de verdere omstandigheden van het geval - drie jaar de tijd mogen nemen om de rechtsvordering in te stellen. Gezien de bij de toepassing van de 30-jarige verjaringstermijn in aanmerking te nemen belangen van rechtszekerheid en billijkheid jegens de wederpartij ( [gedaagde] ) en de terughoudendheid waartoe deze belangen bij doorbreking van die termijn nopen, diende zij de van haar redelijkerwijs te vergen voortvarendheid te betrachten. Dit is nagelaten doordat tot eind februari 2015 is gewacht met dagvaarden. Aldus zijn er 37½ maanden verstreken tussen het moment van de diagnose en de dagvaarding, de bemiddelingsperiode van het IAS niet meegeteld. Uiteraard kan er begrip voor worden opgebracht dat [eiseres] , na het overlijden van haar man op 11 september 2012, enige tijd niet in staat was haar belangen te behartigen, maar voordien was er al (vanaf juli 2012) een opdrachtrelatie met mr. Ruers, een in letselschadezaken als de onderhavige ervaren advocaat. Hij had voor haar tot dagvaarding kunnen overgaan. Het was hem op dat moment bekend dat de vordering reeds was verjaard én dat [gedaagde] zich op die verjaring beriep. Voor het instellen van de rechtsvordering was het niet nodig dat het (materiële) schadebedrag al was onderbouwd. Zoals ook in de uiteindelijke dagvaarding van 27 februari 2015 is geschied, had een verklaring voor recht over de aansprakelijkheid van [gedaagde] , haar veroordeling tot betaling van smartengeld en - desverlangd, vooruitlopend op een schadestaatprocedure - een voorschot op de materiële schadevergoeding kunnen worden gevorderd.

4.6.

Nu het oordeel van de kantonrechter over gezichtspunt g in het nadeel van [eiseres] uitvalt, is weliswaar niet geheel uitgesloten, maar ligt ook niet voor de hand dat het beroep van [gedaagde] op verjaring alsnog als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt omdat de andere gezichtspunten in haar voordeel werken. Of gezichtspunt g in dit geval al de doorslag geeft, kan in het midden blijven, omdat - zoals hierna wordt overwogen - ook de samenhangende gezichtspunten c, d en e niet wijzen in de richting van doorbreking van de verjaringstermijn.

4.7.

Bij de beoordeling van de mate waarin (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] kan worden verweten dat zij [A] bij de uitoefening van zijn werk niet afdoende heeft beschermd tegen de inademing van asbeststof (gezichtspunt c) stelt de kantonrechter voorop dat artikel 7:658 BW (net als de voorganger hiervan, artikel 1638x BW) niet beoogt een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen het gevaar waaraan een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden blootstaat. Deze wetsbepaling beoogt slechts de werknemer in zoverre tegen dit gevaar te beschermen als redelijkerwijs, in verband met de arbeid, van de werkgever gevergd kan worden. Het artikel vestigt voor de werkgever een schuldaansprakelijkheid. Dit brengt met zich mee dat de vraag of een werkgever in strijd met de op hem rustende zorgverplichting heeft gehandeld, moet worden beoordeeld naar de in de periode waarin de werknemer aan het betreffende gevaar is blootgesteld geldende normen en de indertijd geldende maatschappelijke opvattingen. Van de werkgever kan redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij veiligheidsvoorzieningen of beschermende maatregelen treft in verband met gevaren die hem destijds niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend hoefden te zijn. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van de toentertijd bestaande kennis en inzichten, welke maatregelen mochten worden verlangd. In dat verband zijn mede van belang de mate van zekerheid dat het werken met asbest gezondheidsrisico's meebracht en de aard en ernst van die risico's (vgl. HR 17 februari 2006 NJ 2007, 285 inzake Van Buuren/Heesbeen).

4.8.

Eerst de publicatie van het proefschrift van dr. Stumphius in 1969 heeft er in bredere kring de aandacht op gevestigd dat het werken met asbest niet alleen - bij langdurige en intensieve blootstelling - asbestose en longkanker kan veroorzaken, maar dat inademing van asbeststof ook tot mesothelioom kan leiden, en dat voor die ziekte geen veilige drempelwaarde bekend was. Uit de in dit geding door [eiseres] overgelegde verklaringen van [A] , zijn broer, de heren [B] en [D] volgt dat de werkzaamheden van [A] , waarbij kennelijk het meeste asbeststof vrijkwam, zijn verricht tussen 1963 en 1970, derhalve vrijwel geheel in de periode vóór de publicatie van genoemd proefschrift. Het betrof de werkzaamheden bij de aanleg van luchtkanalen. Nu niet is gesteld of gebleken dat bij dat werk in die periode sprake is geweest van een zodanig langdurige en intensieve blootstelling aan asbeststof dat (het toen al wél bekende) gevaar bestond voor het ontstaan van de ziekte asbestose of longkanker, kan [eiseres] niet (met een beroep op HR 25 juni 1993 NJ 1993, 686 inzake Cijsouw/De Schelde I) aan [gedaagde] tegenwerpen dat haar rechtsvoorganger hem niet heeft beschermd tegen het (toen nog niet bekende) gevaar op mesothelioom.

4.9.

Na de publicatie van het proefschrift van dr. Stumphius duurde het nog geruime tijd voordat de overheid nadere regels stelde. Voorstelbaar is dat hierdoor in de maatschappelijke kring waartoe (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] moet worden gerekend, te weten de niet tot de gespecialiseerde asbestproducerende en -verwerkende industrie behorende bouwbedrijven van wie geen uitgebreid zelfstandig wetenschappelijk onderzoek naar de gevaren van asbest mocht worden gevergd, de indruk is ontstaan dat het met het gevaar van het werken met asbest wel meeviel en dat voor persoonlijke bescherming geen aanleiding bestond, zolang langdurige en intensieve blootstelling maar werden voorkómen. Uit de in dit geding door [eiseres] overgelegde verklaringen van [A] en zijn gewezen collega’s volgt dat [A] in de loop van de jaren ’70 bij het plaatsen van cv-installaties in nieuwbouwprojecten en schepen met asbesthoudende materialen heeft gewerkt, maar niet dat daarbij sprake was van langdurige en intensieve asbestblootstelling. Aangenomen mag dan ook worden dat deze blootstelling niet hoger was dan die welke destijds elders in de betreffende branche gewoon was. Toen eenmaal van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] wél kon worden gevergd dat beschermingsmaatregelen werden genomen, was [A] daar al niet meer in dienst.

4.10.

Uit het voorgaande concludeert de kantonrechter dat, zo al aan (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] een verwijt kan worden gemaakt van het nalaten van beschermingsmaatregelen, dit verwijt beperkt is. Deze gevolgtrekking ten aanzien van gezichtspunt c heeft ook zijn weerslag op de gezichtspunten d en e. Immers, naarmate een werkgever een geringer verwijt treft, zal hij ook moeten worden verondersteld minder rekening te hebben hoeven houden met de mogelijkheid dat hij voor gezondheidsschade aansprakelijk zou zijn. Dat [gedaagde] eerder dan begin 2006 door andere gewezen werknemers met een asbestziekte is aangesproken, is niet gesteld. Dit alles maakt dat voorstelbaar is dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] , geen voorzieningen heeft getroffen om bewijsmateriaal (van vóór 1992) veilig te stellen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat haar in dit geding ernstig parten speelt dat het personeelsdossier van [A] niet is bewaard en dat ook de verdere relevante bedrijfsinformatie, daaronder de oude projectgegevens, in de loop der tijd verloren is gegaan. [eiseres] heeft niet betwist dat deze situatie ook reeds bestond toen [gedaagde] in 2006 door een andere, aan mesothelioom lijdende oud-werknemer werd aangesproken. Daarmee staat vast dat [gedaagde] door het vestrijken van de tijd in ernstige bewijsnood is komen te verkeren. Dat pleit tegen doorbreking van de verjaringstermijn.

4.11.

Waar aan de gezichtspunten g, c, d en e geen argumenten voor doorbreking van de verjaringstermijn kunnen worden ontleend, leggen hiertegenover de overige gezichtspunten onvoldoende gewicht in de schaal. Hierbij overweegt de kantonrechter dat de (merendeels immateriële) schadevergoeding die [eiseres] vordert niet meer ten goede kan komen aan [A] zelf, maar wel aan zijn erfgename. Gezichtspunt a beoordeelt de kantonrechter daarom neutraal, in die zin dat het niet in relevante mate vóór of tegen bedoelde doorbreking werkt. Gezichtspunt b wijst in de richting van strikte toepassing van de 30-jarige verjaringstermijn, nu [A] op grond van de Regeling TAS van de SVB een voorschot van € 18.392,-- heeft ontvangen. Enkel het gezichtspunt f spreekt aldus evident vóór doorbreking van de verjaring, nu de aansprakelijkheid van [gedaagde] door verzekering is gedekt. Dat de aansprakelijkheid is verzekerd vermag echter de balans niet ten gunste van [eiseres] te doen omslaan. De slotsom is dat, gezien al hetgeen hierboven is overwogen, geen sprake is van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat het beroep van [gedaagde] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Dit beroep slaagt dus.

4.12.

Hierop stuit de vordering van [eiseres] af. Zij wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze proceskosten worden, tot dit vonnis, begroot op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde. Op vordering van [gedaagde] wordt de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 december 2015.