Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8979

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
C/16/404791 / KG ZA 15-888
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Zie ook herstelvonnis van 7 december 2015 C/16/379645 / KL ZA 14-386 ECLI:NL:RBMNE:2015:9033

Onrechtmatige concurrentie. Relatiebeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2579
AR 2015/2573
JOR 2016/246 met annotatie van mr. P.R.W. Schaink
JAR 2016/32
AR-Updates.nl 2015-1260
IR 2016/8, UDH:IR/13053 met annotatie van Onder redactie van Tina van der Linden – Smit en Kea Kroeks – de Raaij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civielrecht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/404791 / KG ZA 15-888

Vonnis in kort geding van 4 december 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [eiseres sub 1]

2 J.M. VAN RAAIJEN,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V.,

kantoorhoudende te Almere,

hierna te noemen: curator

eisers,

advocaten mr. T.A. Opbroek-Booij en mr. B.M. König te Arnhem,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde sub 1] .,

advocaat mr. N.A. de Leeuw te Alphen aan de Rijn,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,

advocaat mr. I.N.E.M. van Dongen te Alphen aan de Rijn,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEDIA ADVIESBUREAU B.V.,

statutair gevestigd te Mijdrecht, kantoorhoudende te Almere,

gedaagde,

hierna te noemen: [tijdschrift 1] ,

advocaat mr. N.A. de Leeuw te Alphen aan de Rijn,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,

advocaten mr. D.R. Corbeek en mr. G. Oudshoorn te Arnhem,

5 [gedaagde sub 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde sub 5] ,

advocaat mr. M.M.S. van den Berg te Amsterdam,

6. [gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde sub 6] ,

advocaten mr. D.R. Corbeek en mr. G. Oudshoorn te Arnhem,

7. [gedaagde sub 7],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde sub 7] ,

advocaten mr. D.R. Corbeek en mr. G. Oudshoorn te Arnhem.

Partijen gezamenlijk zullen hierna [eisers c.s.] en gedaagden genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 november 2015 met 19 producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eisers c.s.]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 1] . en [tijdschrift 1]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 2]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 5]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres sub 1] en [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) zijn beide eigendom van de heer [A] .

2.2.

[bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. (hierna: de gefailleerden) zijn op 27 oktober 2015 (op eigen aangifte) in staat van faillissement verklaard met benoeming van Van Raaijen als curator.

2.3.

[bedrijf 1] en gefailleerden zijn beide uitgever van reisvakbladen en bedienen gezamenlijk de gehele Nederlandse markt. Zij zijn al jaren elkaars grootste concurrent.

2.4.

[gedaagde sub 1] . was tot 1 januari 2013 enig aandeelhouder/bestuurder van gefailleerden. Op die datum heeft hij zijn aandelen verkocht aan zijn zoon [gedaagde sub 2] , [B] en [C] (zijn andere zoon).

2.5.

De curator heeft de arbeidsovereenkomsten van de medewerkers van gefailleerden opgezegd. In de arbeidsovereenkomsten van [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 4] staan een geheimhoudings- en relatiebeding opgenomen. Het relatiebeding heeft de navolgende inhoud:

“ Het is de werknemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de B.V. tijdens het dienstverband of gedurende één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, direct of indirect, relaties te bewegen de band met de werkgever te verbreken. Relaties in de zin van dit artikel zijn relaties van werkgever op het tijdstip van beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan wel op enig moment gedurende één jaar voorafgaande aan dat tijdstip relaties waren van werkgever.

Bij overtreding van dit verbod is werknemer, zonder dat daarvoor enige ingebrekestelling zal zijn vereist, aan werkgever een direct opeisbare boete verschuldigd ter grootte van € 500 per dag, zolang de overtreding van dit verbod duurt onverminderd het recht van werkgever om in plaats van de boete volledige schadevergoeding te vorderen.

(…) Ingeval de B.V. de arbeidsovereenkomst niet voortzet, dan wel wenst te beëindigen zal de B.V. in ieder geval afstand doen van het bepaalde in dit beding en toestemming verlenen.”

2.6.

In de arbeidsovereenkomst van [gedaagde sub 2] staat eveneens een relatie- en een geheimhoudingsbeding opgenomen:

10 Relatiebeding

1. Het is de werknemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de B.V. tijdens het dienstverband of gedurende één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, direct of indirect, voor zichzelf te beginnen in een gelijke, danwel soortgelijke functie in opdracht van relaties van de B.V., zulks ongeacht van welke zijde initiatieven zijn uitgegaan, dan wel relaties te bewegen de band met de B.V. te verbreken. Relaties in de zin van dit artikel zijn relaties van de B.V. op het tijdstip van beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan wel op enig moment gedurende één jaar voorafgaande aan dat tijdstip relaties waren van de B.V..

Tevens is het de werknemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de B.V. tijdens het dienstverband of gedurende één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst in dienst te treden bij een concurrent uitgeverij, zijnde Reisburo actueel of Travolution (danwel hun rechtsopvolgers).

2 Bij overtreding van dit verbod is werknemer, zonder dat daarvoor enige ingebrekestelling zal zijn vereist, aan de B.V. een direct opeisbare boete verschuldigd ter grootte van € 500 per dag, zolang de overtreding van dit verbod duurt. Onverminderd het recht van de B.V. om in plaats van de boete volledige schadevergoeding te vorderen.

3 (…) Ingeval de B.V. de arbeidsovereenkomst niet voortzet, dan wel wenst te beëindigen zal de B.V. in ieder geval afstand doen van het bepaalde in dit beding en toestemming verlenen.

11 Geheimhouding

1 De werknemer verbindt zich, zowel tijdens het dienstverband als na de beëindiging daarvan, tot geheimhouding omtrent alle aangelegenheden van de B.V., waarvan het vertrouwelijke karakter geacht kan worden hem bekend te zijn.”

2.7.

De curator heeft een biedproces uitgeschreven in verband met een mogelijke doorstart van gefailleerden. Zowel [eiseres sub 1] als [gedaagde sub 1] . hebben meegedaan aan het biedproces en hebben een biedingsprotocol ondertekend. In dit biedingsprotocol staat onder andere vermeld dat kandidaten waarmee wordt onderhandeld gehouden zijn tot geheimhouding van hetgeen hen in de contacten met de curator en aan de gefailleerden gelieerde personen ter kennis komt, ter bescherming van de kandidaat aan wie gegund wordt op straffe van een eenmalige boete van € 25.000,00 en € 5.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt (artikel 16).

2.8.

Op 1 november 2015 heeft [gedaagde sub 1] . aan [gedaagde sub 2] en [C] een ‘Plan Anders’ toegestuurd. In dit plan staat het volgende vermeld:

“Plan ‘Anders’

Het is even een rollercoaster dezer dagen.

Er zijn 3 opties: 1, wij kopen het totaal, 2, een andere partij koopt het totaal, 3, een andere (of meer partijen) kopen onderdelen. Vierde optie is dat in geval 3 wij ook onderdelen kopen. Ongewisse situatie.

Moeten we een plan B nu al in de steigers zetten? Ik noem het plan ‘Anders’.

Gaat dan om een eigen doorstart zonder [bedrijf 2] -overnames door ons.

Op te zetten:

- weekvakblad (Travel Weekly), met interval Travel Management Weekly

- dagelijkse nieuwsbrief, gekoppeld aan nieuwssite (Travel Dayly)

- Travel Tech platform met events

- Travel School, e-learning

- Te bezien welke verkiezingen, gala, etc.

Nu een baan aanbieden aan:

[naam] , [naam] , [naam] , [naam] , [naam] , [gedaagde sub 2]

Discussie: [B] , [naam] , [naam]

Nu contact met

- drukker

- vormgever

- adverteerders

- sponsors

Kantoor etc.Amsterdam

Discussie over innovatie

Kernmedewerkers aandeelhouder? [naam] , [naam] , [naam] 5% ( [B] 20%)

Veilig stellen:

Verzendlijst abonnees

Verzendlijst nieuwsbrief

Snel websites kunnen gebruiken

Snel kant-en-klaar kantoor

Charmeoffensief

Nu volledig koopaanbod bij curator neergelegd.

Ook losse kavelbiedingen doen? Bijvoorbeeld op TravConnect en titels activiteiten. (Zet dat druk op curator?)”

2.9.

Op 13 november 2015 is bekend geworden dat [eiseres sub 1] het biedproces heeft gewonnen. De curator heeft alle activa van de gefailleerden overgedragen aan [eiseres sub 1] .

2.10.

Aan (nagenoeg) alle werknemers, inclusief de directie, is een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden door [eiseres sub 1] .

2.11.

[gedaagde sub 1] . heeft op 16 november 2015 om 16:02 uur mede namens [gedaagde sub 2] een e-mail gestuurd aan een aantal medewerkers van gefailleerden, waaronder [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 7] met – voor zover relevant – de volgende inhoud:

“Hallo kernteam,

[gedaagde sub 2] , [B] en ik hebben er ontzettend veel zin in!

We kijken met heel veel plezier terug op wat er gistermiddag in Mövenpick aan ‘joint strike’ sfeer ontstond, dat geeft ons allen heel veel energie.

Zoals afgesproken komen de contracten er snel aan. Die zullen zoveel mogelijk op maat zijn gemaakt door TRN-advies. Op dit moment worden ze gemaakt. Misschien kan ik ze einde middag al mailen, anders morgenochtend. Beschouw je maar als aangenomen!

(…)”

2.12.

[gedaagde sub 1] . heeft op 17 november 2015 om 9:24 uur aan een aantal medewerkers van gefailleerden, waaronder [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 7] een e-mail gestuurd waarin hij aangeeft dat zij geen blokkade van een relatiebeding en dergelijke hoeven te verwachten en dat hij eventuele juridische kosten voor zijn rekening zal nemen om een en ander duidelijk te maken.

2.13.

Op 17 november 2015 om 18:19 uur heeft [gedaagde sub 2] een e-mail gestuurd aan een aantal medewerkers van gefailleerden, waaronder [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 7] , met – voor zover relevant – de volgende inhoud:

“Beste allemaal,

Bijgaand het aanvullende contract zoals afgesproken.

Update: we hebben behoorlijk wat meters gemaakt afgelopen 2 dagen. We willen eind deze week bij elkaar komen om de nieuwe start te vieren en jullie helemaal in te lichten met de laatste stand van zaken. Dan willen we ook de arbeidsovereenkomst en aanvullend contract tekenen uit de bijlage. (…)

Groet,

[gedaagde sub 2] ”

Gevolgd door een e-mail aan nagenoeg dezelfde medewerkers op 20 november 2015:

“Hi allemaal,

Omdat [naam] en [naam] vandaag op kantoor zijn, wordt het einde middag. We zien jullie allen graag om 17.30 (ipv 18uur) in Club Rex. [naam] moet om 18uur weg, dus dan kan zij er toch even bij zijn.

Agenda:

-Nieuwe namen presenteren

-Planning

-Online platform

-Updatekantoor locatie

-glas champagne op de toekomst!

Tot straks.

Groet,

[gedaagde sub 2] ”

2.14.

Op 19 november 2015 heeft [A] op de website van gefailleerden aangekondigd dat gefailleerden op 17 december 2015 een Technology Day organiseren en daarbij een weergave van de inhoud van de dag gegeven.

Onder dit bericht heeft [gedaagde sub 1] . eveneens op 19 november 2015 de volgende reactie geplaatst:

“ Deze reactie zal wel onmiddellijk gewist worden…

De dag staat in een heel ander (organisatorisch) daglicht. De genoemde sprekers hebben zich teruggetrokken en de locatie is niet eens beschikbaar.”

2.15.

Op diverse social media (linkedin, facebook) heeft [gedaagde sub 1] . berichten geplaatst met de navolgende inhoud:

“ [tijdschrift 1] , de nieuwe titel van een state of the art vakblad in onze reisbranche! Ik ben er keihard mee bezig. Volgende maand is de lancering en dan is er meteen een gewenst einde aan het monopolie (na de overname door [bedrijf 1] van [tijdschrift 2] ) van 2 vakbladen in één uitgeverij, want daar zit natuurlijk niemand op te wachten, lezers niet en adverteerders niet. Honderden telefoontjes kreeg ik, die mij stimuleerden in de ontstane situatie een nieuwe titel te lanceren: [tijdschrift 1] , dus. We hebben al een website ‘coming soon’ www. [naam] .nl Heel veel zin in. Blijf ons volgen!”

en:

“Het aftellen is begonnen! [tijdschrift 1] wordt het nieuwe state-of-the-art vakblad en online kennisplatform voor de hele reisbranche. We brengen nieuws en delen kennis uit het hart van de bestaande én disruptive branche. Ook met inspirerende congressen en events. Zoals je van ons – de voormalige harde kern van [tijdschrift 2] – gewend bent. Neem alvast een kijkje op de coming soon website: https:// [naam] .nl/.”

en:

“ [tijdschrift 2] ?

[tijdschrift 1] !

De overname van [tijdschrift 2] door concurrent [bedrijf 1] biedt ons de kans om een frisse start te maken. dit willen wij doen, de harde kern van [tijdschrift 2] , met [tijdschrift 1] . Het enige échte state-of-the-art vakblad met een vernieuwd kennisplatform voor de hele reisbranche. Zowel on- als offline. Zoals je van ons gewend bent.

Een groot dankwoord aan de harde kern van het ‘oude’ [tijdschrift 2] voor hun loyaliteit. Natuurlijk ook veel dank voor de positieve geluiden die de branche laat horen over ons nieuwe initiatief.

We gaan in december al live. Stay tuned!”

3. Het geschil

3.1.

[eisers c.s.] vorderen bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

A. [gedaagde sub 1] ., [tijdschrift 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 7] en [gedaagde sub 6] om binnen één uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis te verbieden om

hetzij direct hetzij indirect, dan wel door middel van (een) derde(n), enige

(rechts-)persoon die klant of relatie is (geweest) van gefailleerden te benaderen

en/of voor deze (rechts-)personen om niet of tegen vergoeding werkzaamheden

te verrichten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00, althans een dwangsom als in goede justitie te bepalen, voor iedere dag dat [gedaagde sub 1] ., [tijdschrift 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 7] en [gedaagde sub 6] in gebreke blijven aan de inhoud van het in deze te wijzen vonnis te voldoen;

B. [gedaagde sub 1] . en/of [tijdschrift 1] :

a. binnen één uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis te verbieden om:

i. via een arbeidsovereenkomst en/of via een overeenkomst van opdracht of

op welke wijze dan ook gebruik te maken van de werkzaamheden/diensten

van medewerkers en/of voormalig medewerkers van gefailleerden, zulks

op straffe van een dwangsom van € 500,00 per medewerker per dag dat

[gedaagde sub 1] . en/of [tijdschrift 1] dit verbod overtreden althans een dwangsom

als in goede justitie te bepalen;

ii. de uitingen zoals hij/zij die heeft gedaan op social media, waaronder de

website van [tijdschrift 1] en/of de Facebook- en/of LinkedInpagina van [gedaagde sub 1] ., althans uitingen met dezelfde strekking – te herhalen of te laten herhalen;

b. te veroordelen om de volgende rectificatie binnen een dag na het te wijzen

vonnis te publiceren op de website van [tijdschrift 1] en de Facebook- en

LinkedInpagina van [gedaagde sub 1] ., welke tekst bij normale browserinstellingen en

uitgaande van een 19 inch beeldscherm met een resolutie van 1024x768 pixels

volledig leesbaar is wanneer de homepage verschijnt, zonder dat er gescrolled

moet worden en de tekst niet in een zogenaamde pop-up verschijnt, een rectificatie

te laten plaatsen en geplaatst te houden met de volgende tekst:

“RECTIFICATIE:

Geachte Lezer,

De Voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht heeft op [datum vonnis] in kort geding geoordeeld dat het aannemelijk is dat in een bodemprocedure komt vast te staan dat wij onrechtmatig hebben gehandeld door in/op social media, waaronder de website van [tijdschrift 1] en de Facebook- en LinkedIn-pagina van [gedaagde sub 1] ., te stellen dat:

- er een gewenst einde komst aan het monopolie (na de overname door [bedrijf 1] van [tijdschrift 2] ) van twee vakbladen in één uitgeverij omdat daar natuurlijk niemand op zit te wachten, lezers niet en adverteerders niet;

- [tijdschrift 1] de voormalige harde kern van [tijdschrift 2] is.

Deze berichten zijn onjuist. Wij betreuren het dat deze onjuiste berichtgeving aan u is gecommuniceerd en in de media is verschenen en bieden [eiseres sub 1] hiervoor onze oprechte excuses aan.”

Althans een rectificatie met een in goede justitie te bepalen inhoud van dezelfde strekking althans een in goede justitie vast te stellen voorziening, dit op straffe van een aan [eiseres sub 1] te betalen dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat hij/zij nalaat te voldoen aan de hiervoor onder b. vermelde veroordeling.

C. [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 4] binnen één uur na betekening van het

in deze te wijzen vonnis te verbieden om, gedurende één jaar na het in deze te wijzen vonnis klanten en relaties van gefailleerden te bedienen, zulks op straffe

van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de overtreding voortduurt althans een dwangsom als in goede justitie te bepalen;

D. [gedaagde sub 1] . te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag van

€ 25.000,00, te vermeerderen met € 5.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de veertiende dag na de betekening van het vonnis tot aan de voldoening, indien betaling binnen deze termijn uitblijft;

E. alle gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de veertiende dag na de betekening van het vonnis tot aan de voldoening indien betaling binnen deze termijn uitblijft;

F. alle gedaagden te veroordelen in de nakosten – volgens het liquidatietarief

zijnde een bedrag van € 131,00 aan nasalaris advocaat, te vermeerderen – onder

de voorwaarde dat gedaagden niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het

vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden – met een bedrag van € 68,00 aan nasalaris advocaat en de explootkosten van de

betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover

met ingang van de veertiende dag na de betekening van het vonnis tot aan de

voldoening indien betaling binnen deze termijn uitblijft.

3.2.

Ter onderbouwing van hun vordering hebben [eisers c.s.] onder meer gesteld dat vanaf het moment dat duidelijk werd dat [gedaagde sub 1] . en [gedaagde sub 2] het biedingsproces zouden verliezen, zij en [tijdschrift 1] stelselmatig [eiseres sub 1] en de curator, althans de boedel van gefailleerden ontrechtmatige concurrentie hebben toegebracht. Ook de gedagvaarde oud-medewerkers van gefaillieerden hebben dat gedaan, onder andere door het onrechtmatig inbreuk maken op de tussen hen en gefailleerden overeengekomen bedingen.

3.3.

Gedaagden voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat [eisers c.s.] ontvankelijk zijn in hun vorderingen. [eisers c.s.] hebben, anders dan gedaagden hebben aangevoerd, voldoende spoedeisend belang bij een staking van de door haar gestelde onrechtmatige concurrentie.

4.2.

De situatie is – kort weergegeven – als volgt. [eiseres sub 1] heeft het door de curator uitgeschreven biedingsproces gewonnen en alle activa van gefailleerden gekocht en geleverd gekregen van de curator. De curator heeft na datum faillissement de arbeidscontracten met alle medewerkers van gefailleerden, waaronder [gedaagde sub 2] , met inachtneming van de opzegtermijn opgezegd. Deze arbeidsovereenkomsten lopen per 11 december 2015 af. Aan een (deel van de) medewerkers is door [eiseres sub 1] een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden. Niet iedereen heeft dit geaccepteerd. [gedaagde sub 1] ., oud bestuurder/enig aandeelhouder van gefailleerden is, vanuit zijn eigen onderneming [tijdschrift 1] een concurrerende onderneming gestart en hij heeft daarbij een aantal oud-medewerkers van gefailleerden benaderd met hem mee te gaan.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling voorop dat bij gebreke van een concurrentie-, relatie- en/of geheimhoudingsbeding het de werknemer dan wel een persoon die op een andere basis dan een arbeidscontract in een onderneming werkzaam is in beginsel vrij staat om zich na afloop van de overeenkomst in vrije concurrentie met zijn voormalige werk- of opdrachtgever te begeven, ook wanneer laatstgenoemde daarvan nadeel ondervindt. Bijkomende omstandigheden kunnen er echter toe leiden dat handelingen van de voormalig werknemer als onrechtmatige concurrentie moeten worden aangemerkt.

4.4.

Uit HR 9 december 1955 ( [naam] /Vesta, NJ 1956/157) volgt dat van onrechtmatige concurrentie sprake is als is voldaan aan drie vereisten, te weten: a) het stelselmatig en substantieel afbreken van b) het duurzame bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever, dat de voormalige werknemer in het kader van de (arbeids)overeenkomst heeft meehelpen opbouwen c) met de hulpmiddelen die hij daartoe vertrouwelijk van zijn voormalige werkgever ter beschikking kreeg. Van ongeoorloofde concurrentie kan dus sprake zijn, wanneer de voormalig werknemer met behulp van vertrouwelijke informatie van zijn voormalige werkgever duurzame relaties van die werkgever benadert en aldus afbreuk doet aan het bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever, daarbij gebruikmakend van de know-how en/of de goodwill die hij bij diezelfde werkgever heeft verkregen. De vraag, of een dergelijke handelwijze onrechtmatig is, hangt onder meer af van de wijze waarop en de mate waarin zij plaatsvindt.

[gedaagde sub 1] . en [tijdschrift 1]

4.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde sub 1] . zich, ook na de verkoop van zijn aandelen in gefailleerden en nadat hij formeel geen bestuurder meer was van gefailleerden, tot het moment van faillissement nog actief bezig hield met de dagelijkse gang van zaken binnen gefailleerden. Desgevraagd heeft [gedaagde sub 1] . tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij nog (freelance) werkzaamheden als hoofdredacteur uitvoerde voor gefailleerden. Daarnaast hebben [eisers c.s.] documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij in de periode na de verkoop van zijn aandelen tot het moment van faillissement op een aantal onderdelen beleidsmatige beslissingen heeft genomen, zoals bijvoorbeeld op het gebied van postbezorging (productie 19, mail van 19 december 2014), en het aangaan van autoleasecontracten ten behoeve van medewerkers van gefailleerden. Dat hij het bestuur slechts af en toe met advies bijstond, zoals door [gedaagde sub 1] . betoogd, acht de voorzieningenrechter in het licht van voorgaande niet geloofwaardig en dit verweer zal dan ook worden gepasseerd.

4.6.

Gesteld noch gebleken is evenwel dat [gedaagde sub 1] . ten opzichte van gefailleerden gebonden is aan enig concurrentie-, relatie- of geheimhoudingsbeding. In beginsel staat het [gedaagde sub 1] . dan ook vrij om een concurrerende onderneming te starten, zelfs als dit nadeel oplevert voor gefailleerden. De concurrentie kan pas een onrechtmatig karakter krijgen, indien [gedaagde sub 1] . (als oud-bestuurder) met behulp van vertrouwelijke informatie van zijn voormalige vennootschap duurzame relaties van die vennootschap benadert op een wijze die stelselmatig en substantieel afbreuk doet aan het bedrijfsdebiet van deze vennootschap, daarbij gebruikmakend van de know-how en/of de goodwill die hij bij die vennootschap heeft verkregen.

4.7.

Volgens [eisers c.s.] heeft [gedaagde sub 1] . wel degelijk onrechtmatig gehandeld door na het faillissement van gefailleerden en de verloren biedingsprocedure stelstelmatig, samen met [gedaagde sub 2] , voormalige personeelsleden en oude klanten van gefailleerden te benaderen, waarvoor de gedagvaarde personeelsleden eveneens worden ingezet, met enkel en alleen de bedoeling om hen te bewegen de relatie met [eiseres sub 1] en/of gefailleerden te beëindigen en voortaan zaken te doen met [tijdschrift 1] . Daarbij maakt [gedaagde sub 1] . volgens [eisers c.s.] bewust gebruik van de kennis, ervaring en contacten die hij bij gefailleerden heeft opgedaan. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het door hem opgestelde Plan Anders waarin onder meer staat vermeld dat de verzendlijsten van abonnees en nieuwsbrieven veilig gesteld moeten worden. Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] . de door hem benaderde personeelsleden medegedeeld dat zij niet gebonden zijn aan het relatiebeding met gefailleerden en dat hij eventuele daarmee verband houdende juridische kosten voor zijn rekening zal nemen. Daarnaast heeft hij zich op social media meerdere malen negatief uitgelaten over [eiseres sub 1] en frustreert hij daarmee de marketingactiviteiten van [eiseres sub 1] . Zowel de failliete boedel van gefailleerden als [eiseres sub 1] lijden hierdoor nadeel.

4.8.

Volgens [gedaagde sub 1] . is sprake van gezonde concurrentie en staat het hem vrij om zelf nieuwe initiatieven te ontplooien en daarbij zijn contacten en relaties aan te boren. Het staat hem ook vrij om voormalig personeel van gefailleerden te vragen of zij interesse hebben in een nieuwe uitdaging. [gedaagde sub 1] . is een begrip in de reiswereld en is daarin geheel ingevoerd. Er is dan ook geen sprake van vertrouwelijke informatie, aldus [gedaagde sub 1] .

4.9.

Zoals gezegd is op zichzelf genomen het voornemen van [gedaagde sub 1] . om verder te gaan met een concurrerende onderneming, zijnde [tijdschrift 1] , niet onrechtmatig. Uitgangspunt is immers vrije concurrentie. Wat het ‘Plan Anders’ naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter wel een onrechtmatig karakter geeft, is dat in het plan expliciet wordt vermeld dat bedrijfsinformatie van gefailleerden moet worden veilig gesteld, zoals de verzendlijsten van abonnees en nieuwsbrieven. Dit betreft vertrouwelijke bedrijfsinformatie, die behoorde tot de door de curator ten verkoop aangeboden activa. Het is evident dat door gebruikmaking van die informatie het bedrijfsdebiet van gefailleerden wordt ondermijnd. Eveneens voldoende aannemelijk geworden is dat [gedaagde sub 1] . en [gedaagde sub 2] na het faillissement zijn begonnen met het benaderen en actief bewerken van (oud) medewerkers van gefailleerden. Zo staat vast dat zij (meerdere) bijeenkomsten hebben georganiseerd en dat [gedaagde sub 1] . medewerkers heeft aangeboden eventuele juridische kosten voor zijn rekening te nemen indien zij door gefailleerden aan de bedingen uit hun arbeidsovereenkomst zouden worden gehouden. Niet in geschil is verder dat enkele medewerkers een arbeidsovereenkomst hebben getekend bij [tijdschrift 1] . Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat [gedaagde sub 1] . onrechtmatig handelde met zijn uitlatingen op onder andere de website van gefailleerden zelf: “Deze reactie zal wel onmiddellijk gewist worden…De dag staat in een heel ander (organisatorisch) daglicht. De genoemde sprekers hebben zich teruggetrokken en de locatie is niet eens beschikbaar.” Het doel van deze reactie kan geen ander geweest zijn dan deze activiteit van gefailleerden te ondermijnen. De melding dat de dag in een ander organisatorisch daglicht staat, is immers irrelevant voor de bezoekers van de dag. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de meldingen dat sprekers zich hebben teruggetrokken en dat de dag niet doorgaat op dat moment in overeenstemming waren met de waarheid.

Ook de uitlatingen op social media zijn onrechtmatig, voor zover het de boodschap betreft dat de ‘harde kern’ van gefailleerden meegaat naar zijn nieuwe onderneming. De boodschap is immers dat hoewel de activa zijn verkocht, de onderneming als vanouds wordt gevoerd door [gedaagde sub 1] . en zijn mensen en niet door de kopers. Dit is bezijden de waarheid – als de onderneming die de curator heeft verkocht gelijk is aan en neerkomt op niet meer dan de mensen die er werkten, dan had [gedaagde sub 1] . niet hoeven meedoen in het biedproces – en daarmee kan [gedaagde sub 1] . geen ander doel hebben gehad dan relaties van gefailleerden te bewegen over te stappen naar zijn nieuwe onderneming, die meer op de oude zou lijken dan de onderneming die de koper van de activa voert.

4.10.

De gedragingen van [gedaagde sub 1] . kunnen, nu hij via zijn beheersmaatschappij bestuurder/enig aandeelhouder is van [tijdschrift 1] , ook aan [tijdschrift 1] worden toegerekend.

4.11.

Gelet op deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is de verwachting gerechtvaardigd dat een eventuele bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [gedaagde sub 1] . en [tijdschrift 1] onrechtmatig jegens [eisers c.s.] hebben gehandeld.

4.12.

De vorderingen onder A. en B. komen neer op een verbod om te werken voor of aanbiedingen te doen aan relaties van gefailleerden, personeel van gefailleerden te benaderen of contacten te onderhouden met personeel van gefailleerden, alsmede op een verbod om zich negatief uit te laten over gefailleerden.

4.13.

Een algemeen verbod om in de toekomst voormalige relaties van gefailleerden te benaderen of voor hen te werken, is te verstrekkend. Het staat [gedaagde sub 1] . en [tijdschrift 1] immers vrij om gefailleerden te beconcurreren, zij het dat zij dat niet op onrechtmatige wijze mogen doen. Doordat [gedaagde sub 1] . en [tijdschrift 1] inmiddels diverse keren onrechtmatig hebben geconcurreerd, is alleen een verbod om de vroegere relaties te benaderen te beperkt: het kwaad is al geschied. De voorzieningenrechter zal het gevorderde verbod derhalve alleen beperken tot de duur van een jaar na datum van het vonnis. De gevorderde dwangsom begrijpt de voorzieningenrechter aldus dat ieder van gedaagden deze zou moeten verbeuren als zij dit verbod overtreden. Die uitleg strookt met het effect van overtreding van het verbod dat in beginsel gelijk is, ongeacht wie van gedaagden het verbod overtreedt. Daarom zal de dwangsom worden toegewezen tegen [gedaagde sub 1] . en [tijdschrift 1] afzonderlijk, maar worden beperkt tot een maximum van € 500.000,00 per persoon. Het verbeuren van een dwangsom per dag verdraagt zich niet goed met het gevraagde verbod, omdat het gaat om het uitblijven van overtredingen daarvan. De eis zal daarom zo worden begrepen dat de dwangsom wordt verbeurd voor iedere keer dat het verbod wordt overtreden en, voor zover dat uit de aard van de overtreding zou voortvloeien, voor iedere dag dat die overtreding daarna voortduurt.

4.14.

Ook het gevorderde verbod om op enigerlei wijze gebruik te maken van (voormalig) personeelsleden van gefailleerden is te verstrekkend. Het staat werknemers in beginsel vrij om (met inachtneming van bedingen) hun eigen werkgever te kiezen. Wel volgt uit het vorengaande dat [gedaagde sub 1] . en [tijdschrift 1] deze medewerkers niet mogen bewegen of inzetten om onrechtmatig concurrerende handelingen te verrichten jegens gefailleerden. In zoverre zou toewijzing van het gevorderde bij B, sub a, onder i mogelijk zijn, maar het belang daarbij ontbreekt, gegeven de veroordeling in 5.1.

4.15.

Het verbod om de uitingen zoals door [gedaagde sub 1] . gedaan op social media te herhalen of te laten herhalen, zal worden toegewezen eveneens voor de duur van een jaar.

4.16.

De gevorderde rectificatie zal in andere, afgezwakte vorm, worden toegewezen. De uiting dat het ‘gewenst’ is dat aan een monopolie een einde wordt gemaakt, is niet onrechtmatig. Uit de stellingen van eisers volgt dat na de overname een monopolie, althans een overheersende marktpositie is ontstaan, terwijl de mededeling van een concurrent dat dit niet gewenst is, niet onrechtmatig is. De mededeling dat de harde kern van gefailleerden bij [tijdschrift 1] werkt is onrechtmatig, maar de rectificatie kan niet inhouden – zoals is geëist – dat deze mededeling onjuist is. Door eiser is immers onvoldoende weersproken dat de harde kern van weleer inderdaad wil gaan werken of werkt bij [tijdschrift 1] .

Door de afgezwakte vorm waarin de rectificatie wel wordt toewezen, is het de vraag of [eisers c.s.] aan het plaatsen van die rectificatie daadwerkelijk behoefte hebben, aangezien hierdoor nogmaals wordt ‘opgeschreven’ dat de harde kern zou zijn overgegaan naar [tijdschrift 1] . De voorzieningenrechter zal de vordering derhalve toewijzen, onder de voorwaarde dat [eisers c.s.] het plaatsen van de rectificatie schriftelijk hebben opgedragen aan [gedaagde sub 1] . en [tijdschrift 1] . Het op gewone wijze betekenen van dit vonnis is daarvoor niet voldoende. Het zonder schriftelijke opdracht plaatsen van de rectificatie zal – zo verwacht de voorzieningenrechter – in een mogelijke procedure daarover worden beschouwd als een overtreding van het verbod in 5.2. De dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd, met maximering als in het dictum vermeld.

4.17.

[eisers c.s.] heeft onder D. tot slot gevorderd om [gedaagde sub 1] . te veroordelen tot betaling van een boete als gevolg van het schenden van het in het biedingsprotocol opgenomen geheimhoudingsbeding. [gedaagde sub 1] . heeft gemotiveerd betwist dat hij het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. De vordering zal worden afgewezen. [eisers c.s.] heeft niet geconcretiseerd waarin de (dreiging van) schending van het geheimhoudingsbeding door [gedaagde sub 1] . bestaat, meer in het bijzonder is niet duidelijk geworden welke informatie [gedaagde sub 1] . precies van de curator heeft verkregen, waarvan hij niet reeds zelf op de hoogte was – en dat laatste is wel nodig, omdat het beding er niet toe kan strekken dat [gedaagde sub 1] . verplicht zou zijn voortaan geheim te houden, wat hij al voor zijn deelname in het biedingsproces wist – en of hij die informatie heeft geopenbaard aan derden. Tot die derden behoort niet [tijdschrift 1] , omdat deze vennootschpap eigendom is van [gedaagde sub 1] ., die er ook de enige bestuurder is. Dat [gedaagde sub 1] . in strijd heeft gehandeld met het geheimhoudingsbeding is in het kader van deze kort geding procedure dan ook niet aannemelijk geworden.

[gedaagde sub 2]

4.18.

was bestuurder van gefailleerden op het moment van faillietverklaring. In zijn arbeidsovereenkomst met gefailleerden staat een relatie-, concurrentie- en geheimhoudingsbeding opgenomen. Aan het slot van het relatie- en concurrentiebeding (artikel 10, lid 3 van de arbeidsovereenkomst) staat evenwel vermeld dat zijn werkgever (dit zijn gefailleerden) afstand zal doen van de inhoud van het beding indien de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet dan wel door de werkgever wordt beëindigd. Aangezien de curator de arbeidsovereenkomst in het kader van het faillissement heeft beëindigd, kan [eisers c.s.] niet langer houden aan dit beding. De stelling van [eisers c.s.] dat lid 3 niet ziet op de onderhavige situatie, wordt verworpen. Deze bepaling is opgenomen ter bescherming van de werknemer in het geval dat de werknemer onvrijwillig, althans als gevolg van een beslissing van de werkgever, werkloos wordt. Niet valt in te zien, althans [eisers c.s.] heeft niet aannemelijk kunnen maken, waarom er op deze beschermingsgedachte voor de werknemer een uitzondering moet worden gemaakt ten faveure van de werkgever in geval sprake is van een faillissement, zeker als dat faillissement op eigen aangifte is uitgesproken. De voorzieningenrechter begrijpt dat de vordering onder C., gelet op de personen tegen wie de vordering is ingesteld, is gebaseerd op het in de arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding. Derhalve zal deze vordering tegen [gedaagde sub 2] worden afgewezen.

4.19.

Het staat [gedaagde sub 2] in beginsel dus vrij te concurreren met gefailleerden, mits hij daarbij niet het geheimhoudingsbeding schendt of op onrechtmatige wijze de concurrentie aangaat. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde sub 2] met zijn vader aan de wieg staat van [tijdschrift 1] en daartoe onder andere vertrouwelijke bedrijfsinformatie van gefailleerden heeft veilig willen stellen, alsmede

(oud-)medewerkers actief heeft benaderd om hen te volgen naar de nieuwe onderneming, waardoor het bedrijfsdebiet van gefailleerden op stelselmatige wijze wordt ondermijnd. Het mailverkeer rondom het plan, alsmede de benadering van (oud-) werknemers werd veelal door of namens [gedaagde sub 2] verstuurd. Dat [gedaagde sub 2] wellicht (nog) niet in dienst is getreden van [tijdschrift 1] doet hier niet aan af. Overigens acht de voorzieningenrechter zijn stelling dat hij op 19 november 2015 per e-mail aan zijn vader zou hebben laten weten zich terug te willen trekken niet geloofwaardig, gelet op het e-mailbericht dat hij de dag er na nog (op 20 november 2015) aan de medewerkers heeft verzonden over de bijeenkomst die later die dag plaats zal vinden, waaraan hij deelnam en waar de planning voor de komende tijd zou worden bekendgemaakt.

4.20.

De vordering onder A. zal daarom ook jegens [gedaagde sub 2] worden toegewezen voor de duur van een jaar na datum van het vonnis. Een verdere beperking ligt niet voor de hand, om dezelfde reden als in 4.13 genoemd ten aanzien van [gedaagde sub 1] . en [tijdschrift 1] . De gevorderde dwangsom begrijpt de voorzieningenrechter aldus dat ieder van gedaagden deze zou moeten verbeuren als zij dit verbod overtreden. Die uitleg strookt met het effect van overtreding van het verbod dat in beginsel gelijk is, ongeacht wie van gedaagden het verbod overtreedt. Daarom zal de dwangsom worden toegewezen tegen [gedaagde sub 2] afzonderlijk, maar worden beperkt tot een maximum van € 500.000,00. Het verbeuren van een dwangsom per dag verdraagt zich niet goed met het gevraagde verbod, omdat het gaat om het uitblijven van overtredingen daarvan. De eis zal daarom zo worden begrepen dat de dwangsom wordt verbeurd voor iedere keer dat het verbod wordt overtreden en, voor zover dat uit de aard van de overtreding zou voortvloeien, voor iedere dag dat die overtreding daarna voortduurt .

[gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7]

4.21.

Niet in geschil is dat [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] slechts korte tijd in dienst waren bij gefailleerden, respectievelijk vanaf 1 januari 2015, 1 april 2015 en 27 juli 2015 als respectievelijk eindredacteur, sales-supportmedewerker en adjunct-hoofdredacteur. De curator heeft na het faillissement de arbeidsovereenkomsten opgezegd met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn. De voorzieningenrechter stelt, als niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist, voorshands vast dat [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] tot op heden nog geen werkzaamheden voor [tijdschrift 1] hebben verricht.

4.22.

In de arbeidsovereenkomsten van [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] staat een relatie- en geheimhoudingsbeding opgenomen. Op grond van het relatiebeding is het hen niet toegestaan om binnen één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst zonder schriftelijke toestemming direct of indirect relaties te bewegen de band met gefailleerden te verbreken. Aan het slot van het beding is evenwel de bepaling opgenomen dat de werkgever afstand doet van het beding indien de werkgever de arbeidsovereenkomst niet voortzet, althans beëindigt. Zoals hiervoor onder r.o. 4.18 reeds is overwogen, kan [eisers c.s.] zich er thans niet op beroepen dat deze situatie zich hier niet voordoet. Derhalve zijn [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] niet langer gebonden aan het relatiebeding.

4.23.

Anders dan [eisers c.s.] stelt, is het enkele in dienst treden bij [tijdschrift 1] niet onrechtmatig, ook indien [tijdschrift 1] concurreert met [eiseres sub 1] . Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] betrokken zijn geweest bij het opstellen en uitvoeren van ‘Plan Anders’ anders dan dat zij door [gedaagde sub 1] . en [gedaagde sub 2] zijn benaderd om ‘mee te gaan’ naar [tijdschrift 1] . Ten aanzien van [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] hebben [eisers c.s.] niet nader geconcretiseerd waaruit het onrechtmatig handelen van hen beiden zou moeten blijken. Ook ten aanzien van [gedaagde sub 4] is niet, althans onvoldoende, aannemelijk geworden dat zij op onrechtmatige wijze heeft gehandeld jegens [eisers c.s.] . De door [eisers c.s.] daartoe overgelegde e-mailcorrespondentie tussen [gedaagde sub 4] en haar collega geeft geen blijk van enig onrechtmatig handelen tegenover [eisers c.s.] Dat [gedaagde sub 4] vertrouwelijke bedrijfsinformatie zou hebben weggesluisd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin aannemelijk geworden. Weliswaar blijkt uit de door [eisers c.s.] overgelegde ‘Wetransfer’-berichten dat [gedaagde sub 4] een groot aantal bestanden naar haarzelf in privé heeft verzonden, maar volgens [gedaagde sub 4] betroffen dit privé-bestanden. Uit de overgelegde berichten kan niet worden vastgesteld wat de inhoud van de verzonden bestanden waren en deze procedure leent zich niet voor bewijslevering. Het is aan [eisers c.s.] om haar stellingen voldoende te onderbouwen en dat hebben zij niet gedaan.

4.24.

Voorgaande betekent dat vordering A tegen [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] zal worden afgewezen.

4.25.

De voorzieningenrechter begrijpt dat de vordering onder C., gelet op de personen tegen wie de vordering is ingesteld, is gebaseerd op het relatiebeding dat in de respectievelijke arbeidsovereenkomsten is opgenomen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan het relatiebeding niet (meer) tegen [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] worden ingeroepen. Derhalve zal ook deze vordering worden afgewezen.

[gedaagde sub 5]

4.26.

Ook [gedaagde sub 5] was in dienst bij gefailleerden als redacteur en ook zijn arbeidsovereenkomst is door de curator opgezegd. De situatie van [gedaagde sub 5] verschilt evenwel van zijn collega’s, omdat in zijn arbeidsovereenkomst geen relatie- of concurrentiebeding is opgenomen.

4.27.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is het enkele in dienst treden bij [tijdschrift 1] niet onrechtmatig, ook indien [tijdschrift 1] concurreert met [eiseres sub 1] . Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 5] betrokken is geweest bij het opstellen en uitvoeren van ‘Plan Anders’ anders dan dat ook hij door [gedaagde sub 1] . en [gedaagde sub 2] is benaderd om ‘mee te gaan’ naar [tijdschrift 1] . Volgens [eisers c.s.] heeft [gedaagde sub 5] vertrouwelijke bedrijfsinformatie weggesluisd. Dit zou moeten blijken uit het feit dat [gedaagde sub 5] van internet een handleiding heeft gedownload om een kopie te maken van zijn outlookgegevens en uit diverse ‘Wetransfer’-berichten. [gedaagde sub 5] heeft gemotiveerd betwist dat hij vertrouwelijke bedrijfsinformatie op onrechtmatige wijze heeft weggesluisd. Volgens hem heeft hij vooral privémail willen veilig stellen, wat hem overigens niet is gelukt en betroffen de overige bestanden door hem gemaakte foto’s. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de door [eisers c.s.] overgelegde berichten blijkt dat het (voornamelijk) gaat om jpeg-bestanden wat de weergave van [gedaagde sub 5] lijkt te ondersteunen. Weliswaar staat er ook een groot aantal “andere bestanden” op vermeld, maar daarvan kan niet worden vastgesteld wat de inhoud was. Het is in dat kader aan [eisers c.s.] om hun stellingen voldoende te onderbouwen, aangezien deze procedure zich niet leent voor bewijslevering. Dat hebben zij niet gedaan, noch hebben zij andere omstandigheden aangevoerd waaruit volgens hen zou blijken dat [gedaagde sub 5] op onrechtmatige wijze heeft gehandeld jegens hen. Derhalve zal ook de vordering jegens [gedaagde sub 5] worden afgewezen.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.28.

Aangezien door [eiseres sub 1] tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk is verklaard garant te staan voor eventuele toekomstige verplichtingen voortvloeiende uit de uitvoering van dit vonnis jegens [gedaagde sub 1] ., [tijdschrift 1] en [gedaagde sub 2] , is er geen reden het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel zekerheid te laten stellen door [eisers c.s.] .

Proceskosten

4.29.

[gedaagde sub 1] ., [tijdschrift 1] en [gedaagde sub 2] zijn als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te beschouwen en zij zullen daarom hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eisers c.s.] tot op heden begroot op de helft van het griffierecht (€ 306,50) en de helft van de advocaatkosten (€ 408,00). Daarnaast worden zij elk veroordeeld in de explootkosten van steeds € 95,12.

4.30.

De nakosten, waarvan [eisers c.s.] betaling vorderen, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal eveneens worden toegewezen.

4.31.

[eisers c.s.] worden als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] veroordeeld, tot op heden begroot op € 285,00 aan griffierecht en € 816,00 aan salaris advocaat.

4.32.

[eisers c.s.] wordt eveneens als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde sub 5] veroordeeld, tot op heden begroot op € 285,00 aan griffierecht en € 816,00 aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde sub 1] ., [tijdschrift 1] en [gedaagde sub 2] om vanaf één uur na betekening van het vonnis voor de duur van een jaar vanaf heden, hetzij direct hetzij indirect, dan wel door middel van (een) derde(n), enige (rechts-)persoon die klant of relatie is (geweest) van gefailleerden te benaderen en/of voor deze (rechts-)personen om niet of tegen vergoeding werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 – te verbeuren door degene van hen die het verbod overtreedt, of, als onduidelijk is wie van hen de overtreding beging, door alle drie hoofdelijk – voor elke keer dat dit verbod wordt overtreden en, voor zover dat uit de aard van de overtreding zou voortvloeien, voor iedere dag dat die overtreding daarna voortduurt, met een maximum aan hiervoor te verbeuren dwangsommen per persoon van € 500.000,00

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] . en [tijdschrift 1] om de uitingen zoals hij/zij die heeft gedaan op social media, waaronder de website van [tijdschrift 1] en/of de Facebook- en/of de LinkedInpagina van [gedaagde sub 1] ., althans uitingen met dezelfde strekking, te herhalen of te laten herhalen

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] . en [tijdschrift 1] om de volgende rectificatie binnen een werkdag nadat [eisers c.s.] hiertoe schriftelijk opdracht heeft gegeven, op de website van [tijdschrift 1] en de Facebook- en LinkedInpagina van [gedaagde sub 1] ., welke tekst bij normale browserinstellingen en uitgaande van een 19 inch beeldscherm met een resolutie van 1024x768 pixels volledig leesbaar is wanneer de homepage verschijnt, zonder dat er gescrolled moet worden en de tekst niet in een zogenaamde pop-up verschijnt, een rectificatie te laten plaatsen en geplaatst te houden met de volgende tekst:

Rectificatie:

Op last van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland berichten wij u als volgt.

“De berichten, die op de website van [tijdschrift 1] en de Facebook- en LinkedIn-pagina van [gedaagde sub 1] . hebben gestaan, waarin staat vermeld dat [tijdschrift 1] de voormalige harde kern van [tijdschrift 2] is, zijn onrechtmatig jegens [eiseres sub 1] .

Wij verzoeken u deze berichten als niet geschreven te beschouwen.”

5.4.

bepaalt dat indien [gedaagde sub 1] . of [tijdschrift 1] geen of niet tijdig gevolg geeft aan de hiervoor onder 5.3 genoemde veroordeling zij, hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, een dwangsom verbeuren van € 5.000,00 voor elke dag dat aan vorenstaande veroordeling geen gevolg wordt gegeven, met een maximum aan hiervoor te verbeuren dwangsommen van € 50.000,00

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] ., [tijdschrift 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de kosten aan de zijde van [eisers c.s.] begroot op € 714,50 aan griffierecht en salaris advocaat en een ieder in de explootkosten van steeds € 95,12

5.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1] ., [tijdschrift 1] en [gedaagde sub 2] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eisers c.s.] volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening

5.7.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

5.8.

veroordeelt [eisers c.s.] hoofdelijk in de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] tot op heden begroot op € 1.101,00

5.9.

veroordeelt [eisers c.s.] hoofdelijk in de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde sub 5] tot op heden begroot op € 1.101,00

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2015.