Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8901

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-12-2015
Datum publicatie
14-12-2015
Zaaknummer
16/994034-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich, samen met anderen, gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan oplichting en een gewoonte gemaakt van witwassen van een groot geldbedrag. Dit zijn ernstige vermogensdelicten die een ontwrichtende werking hebben op de economie en die de integriteit van het financiële verkeer aantasten.

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid als stichtingsbestuurder de beschikking en verantwoordelijkheid gehad over vele miljoenen die door beleggers werden ingelegd op basis van een obligatieovereenkomst. Van dit geld is slechts een klein percentage gebruikt voor de aankoop van onroerend goed. De rest van het ingelegde geld is in zijn geheel opgegaan en niet ten bate van de beleggers gekomen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (zegge: achttien) maanden.

De rechtbank beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zegge: zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

De rechtbank stelt daarbij een proeftijd van 2 (zegge: twee) jaren vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/994034-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 december 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1960] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis wordt verdachte hierna ook wel aangeduid als ‘ [verdachte] ’.

Om diezelfde reden wordt de toevoeging ‘B.V.’ bij de verschillende besloten vennootschappen telkens weggelaten.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 en 29 september 2015 en op 2, 5, 8, 9 en 12 oktober 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M. Vermeij, advocaat te Den Haag.

Tijdens de zitting van 23 november 2015, waarbij alleen het onderzoek is gesloten, is niemand verschenen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

Feit 1 primair: [stichting 1] in de periode 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014, al dan niet samen met anderen, beleggers heeft opgelicht, terwijl verdachte hieraan feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven;

Feit 1 subsidiair: verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014, al dan niet samen met anderen, beleggers heeft opgelicht;

Feit 1 meer subsidiair: verdachte behulpzaam is geweest bij de oplichting van beleggers door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014;

Feit 2 primair: [stichting 2] in de periode 9 september 2011 tot en met 21 januari 2014, al dan niet samen met anderen, beleggers heeft opgelicht, terwijl verdachte hieraan feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven;

Feit 2 subsidiair: verdachte in de periode van 9 september 2011 tot en met 21 januari 2014, al dan niet samen met anderen, beleggers heeft opgelicht;

Feit 2 meer subsidiair: verdachte behulpzaam is geweest bij de oplichting van beleggers door [bedrijf 3] in de periode 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014;

Feit 3: verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014 € 4.912.100,-- heeft witgewassen.

3 Voorvragen

3.1

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de onder feit 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid heeft de raadsman aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig verklaard dient te worden.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Namens het Openbaar Ministerie is geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op hetgeen hierna onder paragraaf 4.3.2 overwogen zal worden, behoeft het gevoerde verweer geen nadere bespreking.

Voor het overige heeft de rechtbank vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Meer specifiek hebben de officieren van justitie wettig en overtuigend bewezen geacht dat hij:

- feitelijk leiding heeft gegeven aan de oplichtingen van beleggers begaan door [stichting 1] , zoals onder feit 1 primair ten laste gelegd.

- feitelijk leiding heeft gegeven aan de oplichtingen van beleggers begaan door [stichting 2] , zoals onder feit 2 primair ten laste gelegd.

- € 4.912.100,-- € 4.912.100,-- heeft witgewassen, zoals onder feit 3 ten laste gelegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Hiertoe heeft de raadsman -onder meer- het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van feit 1 en 2

De vastgoedfondsen opereerden onder Wft-vrijstelling. In de risicoparagrafen van de prospectussen is opgenomen dat elke belegger geadviseerd wordt advies in te winnen over zijn investeringsbeslissing. Uit het dossier volgt dat geen van de ondervraagde beleggers dit heeft gedaan. Gezien het type beleggingen gaven de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer, en in het bijzonder de beleggingswereld, vereiste omzichtigheid wel degelijk aanleiding om deskundig advies in te winnen. Nu dit niet is gebeurd, kan niet bewezen worden dat de beleggers door een samenweefsel van verdichtsels werden bewogen tot inleg.

De in de tenlastelegging opgenomen ‘voorwendselen’ zouden voorafgaand aan de betaling van de inleggelden door de beleggers gecommuniceerd moeten zijn, om oplichting te kunnen bewijzen. [verdachte] , noch de stichtingen, zijn betrokken geweest bij het benaderen van de beleggers. Evenmin zijn zij betrokken geweest bij, of hadden zij invloed op, (de wijze van) het opstellen van de prospectussen. De omstandigheid dat de in het prospectus genoemde referentieobjecten niet zijn aangekocht kan niet gezien worden als oplichtingsmiddel. Diverse beleggers hebben op dit punt verklaard dat dit niet uitmaakt. Daarbij wordt door in de prospectussen gebruik te maken van de term ‘referentieobjecten’ expliciet niet toegezegd dat deze objecten daadwerkelijk aangekocht zouden worden.

Ook is niet voorgewend dat het jaarlijks rendement afkomstig zou zijn uit de huuropbrengsten. Er wordt juist een exploitatierisico geschetst. Daarbij hebben inleggers al rente ontvangen, voordat de fondsen gesloten waren. Beleggers hebben moeten weten dat dit niet betaald kon worden uit huuropbrengsten. Van belang is ook dat [verdachte] juist tegen het gebruik van inleggelden voor het doen van rentebetalingen was, maar medeverdachte [medeverdachte 1] besliste dat dit wel zo zou gebeuren. In die zin ontbreekt het element ‘willen’ bij [verdachte] , waardoor het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling niet bewezen kan worden.

Het rendement is telkens per kwartaal uitbetaald. Het derde gedachtestreepje in de tenlastelegging kan niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Met betrekking tot het vierde gedachtestreepje dient uitgegaan te worden van de taxatiewaarde. De inleg van de beleggers moet gedekt worden door de taxatiewaarde van het aangekochte onroerend goed. De aankoopprijs (en verkoopprijs) kan hooguit een indicatie geven over de waarde, maar zegt helemaal niets over de werkelijke waarde. Van elk aangekocht onroerend goed is een uitgebreid taxatierapport met taxatiewaarde beschikbaar. Er bestaat geen enkele aanleiding om niet uit te mogen gaan van de juistheid van de taxatiewaarden in het dossier. Het juiste uitgangspunt is dat de inleg van de beleggers in voldoende mate moet worden gedekt door de (taxatie)waarde van het aangekochte onroerend goed. In de prospectussen is niet voorgewend dat de totale (fonds)investering zou worden aangewend voor de aankoop van onroerend goed. Er staat dat de inleg zal worden gedekt door de waarde van het aan te kopen onroerend goed. Overigens had [verdachte] als stichtingsbestuurder geen inzicht in de financiële situatie/bankrekeningen van de fondsen.

Ten aanzien van het vijfde gedachtestreepje kan niet vastgesteld worden dat is voorgewend dat inleggers hun inleg gegarandeerd na de looptijd retour zouden ontvangen. De looptijd was immers nog niet volledig verstreken op het moment waarop de FIOD en het Openbaar Ministerie in actie kwamen.

Iedere oplettende belegger had uit de statuten kunnen opmaken dat de stichtingen niet onafhankelijk waren. Binnen de hun gegunde kaders hebben de stichtingen wel zo veel als mogelijk onafhankelijk gefungeerd. [verdachte] had geen belangen in de fondsen en op bepaalde punten is door [medeverdachte 1] naar zijn adviezen geluisterd. Gelden werden pas na beoordeling van verstrekte informatie vrijgegeven.

Betreffende [bedrijf 1] is inderdaad geen bankgarantie gegeven, maar dit levert geen oplichting op. Over het niet stellen van de bankgarantie is medeverdachte [medeverdachte 1] altijd eerlijk en transparant geweest. Het recht van eerste hypotheek is overeenkomstig de tekst van het prospectus gesteld.

Aan de garantstelling in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] mag niet te veel gewicht worden gehangen. In het prospectus wordt duidelijk gemaakt dat er risico’s bestaan.

In het prospectus van [bedrijf 2] staat niet vermeld dat een bankgarantie gegeven zou worden. Datzelfde geldt voor het recht van eerste hypotheek. Dit is dus niet voorgewend.

[verdachte] heeft inzage gevraagd aan [medeverdachte 1] betreffende de participatie van de initiatiefnemer in [bedrijf 3] à € 170.000,--. [medeverdachte 1] heeft hier geen gehoor aan gegeven.

[verdachte] heeft een Raad van Advies in het leven geroepen, onder meer om de financiële-informatievoorziening aan de beleggers te verbeteren. Hij heeft met de beste bedoelingen gehandeld.

Kortom: [verdachte] heeft geen opzet gehad op de onware aard van de in de tenlastelegging opgenomen ‘voorwendselen’. Het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling was niet bij hem aanwezig.

Kijkend naar de criteria voor feitelijk leidinggeven kan niet gezegd worden dat de stichtingen (alleen-) plegers zijn geweest. Evenmin kan bewezen worden dat [verdachte] of de stichtingen nauw en bewust hebben samengewerkt met andere entiteiten of natuurlijke personen.

Ten aanzien van feit 3

Nu [verdachte] dient te worden vrijgesproken van de oplichting, dient ook vrijspraak te volgen voor het witwassen. Niet kan bewezen worden dat [verdachte] (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de criminele herkomst van de gelden.

Subsidiair dienen de bedragen die aan [bedrijf 4] zijn betaald buiten beschouwing te blijven. Deze bedragen zijn aan de vennootschap betaald en niet aan [verdachte] zelf. Niet is ten laste gelegd het feitelijk leiding geven dan wel medeplegen van gewoontewitwassen door [bedrijf 4] . Ook dienen de aan [verdachte] betaalde onkostenvergoedingen buiten beschouwing te worden gelaten, alles aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] alle –al dan niet primair- aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.3.1

Algemene overweging vooraf

In onderhavige zaak gaat het -kort gezegd- om het aanbieden van obligatieleningen door diverse obligatiefondsen met als doel de door beleggers ingelegde gelden aan te wenden voor het aankopen van vastgoedobjecten in Duitsland.

Kort samengevat ziet de werkwijze er als volgt uit:

Potentiële beleggers worden middels prospectussen geïnformeerd over de obligatiefondsen. Wanneer zij besluiten te participeren, maken zij hun inleg over naar een stichting die toezicht houdt op onder meer het aankoopbeleid van het obligatiefonds. Deze stichting kan het geld van de beleggers vervolgens vrijgeven aan de exploitatie-/werkmaatschappij. De exploitatie-/werkmaatschappij koopt met de inleg vervolgens feitelijk het onroerend goed aan.

4.3.2

Het bewijs

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.12

Ten aanzien van de feiten 1, 2, -beide subsidiair- en feit 3

4.3.2.1 De fondsen

[bedrijf 1] en [bedrijf 2]

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] (hierna te noemen [bedrijf 1] respectievelijk [bedrijf 2] ), gevestigd te [vestigingsplaats] zijn opgericht op 10 februari 2010. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] voeren volgens hun uittreksels van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) als activiteit ‘beheer en belegging in vastgoed en het verstrekken van geldleningen tegen hypothecaire zekerheid’. In de prospectussen staat dat zij de aanbieders zijn van de obligaties.3 Enig aandeelhouder en bestuurder is [bedrijf 5] .4 [bedrijf 5] wordt ook wel de initiatiefnemer van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] genoemd en is de dochtermaatschappij van [bedrijf 6] .5 [medeverdachte 1] is vanaf de oprichting op 17 augustus 2009 bestuurder en alleen/zelfstandig bevoegd van [bedrijf 6] .6 [bedrijf 6] is de dochteronderneming van [bedrijf 7] . Met ingang van 17 augustus 2009 is [medeverdachte 1] 60% aandeelhouder van deze holding en medeverdachte [medeverdachte 2] 40%. Verdachte [medeverdachte 1] is bestuurder en alleen en zelfstandig bevoegd.7

[bedrijf 8] is de doelvennootschap en de dochteronderneming van [bedrijf 6] .8

De initiatiefnemer, de doelvennootschap, [bedrijf 1] en [bedrijf 2] worden alle bestuurd door [medeverdachte 1] .9

Op 19 februari 2010 is [stichting 1] (hierna: [stichting 1] ), gevestigd te [vestigingsplaats] , opgericht. Volgens de KvK heeft [stichting 1] tot doel hetgeen staat in het prospectus van de BV [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 8] .10 [stichting 1] is opgericht ter meerdere zekerheid van de obligatiehouders. Bestuurder en alleen/zelfstandig bevoegd van [stichting 1] is [verdachte]11 [verdachte] heeft verklaard dat hij bij de stichting betrokken was als bestuurder.12

[bedrijf 3]

[bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ), gevestigd te [vestigingsplaats] , is opgericht op 14 juli 2011. [bedrijf 3] voert volgens het uittreksel KvK als activiteit ‘beheren en beleggen in vastgoed alsmede het verstrekken van geldleningen tegen hypothecaire zekerheid, het beheren van pensioenvermogen en het beleggen van gelden’.13 In het prospectus staat dat zij de aanbieder is van de obligaties.14

Enig aandeelhouder en bestuurder is [bedrijf 9] .15 [medeverdachte 1] is vanaf 10 februari 2012 algemeen directeur en alleen/zelfstandig bevoegd van [bedrijf 9] .16 [bedrijf 9] is de dochteronderneming van [bedrijf 10] .17 [bedrijf 10] is de dochter van Duitse Investeringsholding.18 Medeverdachte [medeverdachte 3] is per 10 februari 2012 bestuurder en alleen/zelfstandig bevoegd van de Duitse Investeringsholding.19 Met ingang van 10 februari 2012 zijn 40% de aandelen van deze Holding in bezit van [medeverdachte 2] en 60% in bezit van [medeverdachte 1] .20 Vanaf 4 oktober 2013 is [medeverdachte 1] bestuurder van de Duitse Investeringsholding en alleen en zelfstandig bevoegd.21

Volgens het prospectus is [bedrijf 3] een initiatief van [bedrijf 10] . [medeverdachte 1] is de bestuurder van [bedrijf 10] .22

Op 23 augustus 2011 is [stichting 2] (hierna: [stichting 2] ) met statutaire zetel in [vestigingsplaats] opgericht. Volgens de KvK heeft [stichting 2] tot doel ‘op een ten opzichte van de [bedrijf 3] onafhankelijke wijze meerdere zekerheid, al dan niet door middel van hypotheek- en/of pandrechten te verschaffen aan hen, hierna aan te duiden met obligatiehouders, die via de vennootschap in obligatiefondsen participeren alsmede hun belangenbehartiging; en het controleren of de aankopen van de vennootschap geschieden conform de doelstelling.’23 In het prospectus van [bedrijf 3] staat eveneens dat [stichting 2] is opgericht ter meerdere zekerheid van de obligatiehouders en onafhankelijk opereert van [bedrijf 3] .24 Per 23 augustus 2011 is verdachte bestuurder en alleen en zelfstandig bevoegd van [stichting 2] .25 Verdachte heeft verklaard dat hij bij [stichting 2] betrokken was als bestuurder.26

4.3.2.2 De rol van de verdachte en diens medeverdachten

[bedrijf 1] en [bedrijf 2]

Zoals hiervoor reeds opgenomen was [medeverdachte 1] de bestuurder en alleen/zelfstandig bevoegde van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Getuige [getuige 1] , vanaf 2002 werkzaam voor [medeverdachte 1] , heeft in dit verband verklaard dat [medeverdachte 1] formeel gerechtigd was tot het doen van de financiële handelingen. Wanneer hij betalingen verrichtte, dan deed hij dat altijd in opdracht van [medeverdachte 1] .27 Getuige [getuige 2] , vanaf april 2011 als boekhoudster in dienst bij [bedrijf 6] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de grote baas was van alles.28

Medeverdachte [medeverdachte 4] ( de zoon van [medeverdachte 1] en hierna ook wel te noemen: [medeverdachte 4] ) heeft verklaard dat hij het prospectus van [bedrijf 1] heeft gemaakt op basis van input van het bestuur.29 Op de laptop van [medeverdachte 4] is tevens een concept prospectus van [bedrijf 2] aangetroffen, welke als auteur ‘ [medeverdachte 4] ’ heeft en voor het laatst bewerkt is op 13 september 2010.30 [medeverdachte 4] belde mensen om te vragen of ze nog vragen hadden over het prospectus en of ze wilden deelnemen. Hij denkt dat hij voor [bedrijf 1] voor één miljoen heeft verkocht en voor [bedrijf 2] voor een paar ton.31 Getuige [getuige 1] bevestigt dat [medeverdachte 4] contact had met de beleggers. Als [medeverdachte 1] er niet was stond [medeverdachte 4] hen te woord. Ook was hij betrokken bij beslissingen. [medeverdachte 4] presenteerde zich als verkoper en wist beleggers te overtuigen en hun vertrouwen te winnen.32 Bij [bedrijf 2] was [medeverdachte 4] , aldus [getuige 1] , meer betrokken. Hij had duidelijk een bijdrage bij de totstandkoming van het product, de uitvoering en het resultaat. Hij kwam met ideeën en adviezen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] deden alles samen, aldus getuige [getuige 1] .33 De heer [getuige 3] heeft verklaard dat hij, toen hij bij de AFM werkte, naar het kantoor in Amersfoort is gegaan om inzicht te krijgen in de boekhouding van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . [medeverdachte 4] was daar aanwezig en presenteerde zich als iemand met recht van spreken binnen de organisatie.34 De heer [getuige 4] , lid van de Raad van Advies, had als gesprekspartner hoofdzakelijk [medeverdachte 1] . Later kwam [medeverdachte 4] daar bij.35 Als hij geen contact kon krijgen met [medeverdachte 1] , had hij contact met [medeverdachte 4] .36

Verdachte heeft verklaard dat hij een beperkte rol had bij de stichting. Wat hij adviseerde over het vastgoed, inclusief zijn advies om het wel of niet te kopen, kon door [bedrijf 8] overruled worden, waarmee hij bedoelt dat deze vennootschap -in de meeste gevallen [medeverdachte 1] - zelfstandig kon beslissen of vastgoed werd aangekocht of niet.37 De stichting moest samenwerken om het fonds te kunnen besturen, aldus verdachte. De uiteindelijk doorslaggevende stem kwam altijd vanuit [bedrijf 8] , [medeverdachte 1] . Feitelijk kwam het erop neer dat [medeverdachte 1] besliste. De onafhankelijkheid van de [stichting 1] was in de praktijk feitelijk niet gewaarborgd.38 Verdachte gaf het geld van [stichting 1] vrij.39 Hij had de bevoegdheid om gelden over te maken.40

Volgens getuige [getuige 1] heeft verdachte nooit op eigen initiatief geld overgemaakt. [medeverdachte 1] gaf volgens hem de opdracht aan verdachte om overboekingen en/of uitbetalingen te doen in het kader van [bedrijf 1] . Ook bij [bedrijf 2] had verdachte geen uitvoerende taken.41 [medeverdachte 1] had alles in zijn handen en in zijn macht. Hij mocht overal voor tekenen.42

[bedrijf 3]

Zoals hiervoor reeds opgenomen was [medeverdachte 1] de bestuurder en alleen/zelfstandig bevoegde van [bedrijf 3] . Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de eindverantwoordelijke was bij [bedrijf 3] .43 Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de grote baas was van alles.44

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij mensen belde om te vragen of ze nog vragen hadden over het prospectus en of ze wilden deelnemen.45 Hij had een meewerkende, meedenkende rol bij [bedrijf 3] , maar was niet beslissingsbevoegd, aldus [getuige 1] .46 Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] hielp met het opzetten van [bedrijf 10] . [medeverdachte 1] had daarin de leiding. [medeverdachte 4] hielp met het maken van het prospectus van [bedrijf 3] .47 Inlegger [inlegger] (hierna: [inlegger] ) heeft verklaard dat zij, voordat ze intekende in [bedrijf 3] , heeft gesproken met de zoon van [medeverdachte 1] . Hij had als voorletter ‘ [voorletter] ’.48

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij voor een functie van directeur bij [bedrijf 10] sollicitatiegesprekken heeft gehad met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . In februari 2012 trad hij in die hoedanigheid in dienst en werd door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] ingewerkt. De anderhalf jaar dat hij bij [bedrijf 3] werkte heeft [medeverdachte 3] niet ervaren dat hij directeur was. Hij moest gewoon doen wat [medeverdachte 1] hem vertelde. Er was eerder sprake van een relatie werkgever-werknemer.49 Als [medeverdachte 1] vertelde wat er moest gebeuren, dan deed [medeverdachte 3] dat.50 [medeverdachte 3] hield zich niet bezig met de financiële afwerking van de ingelegde gelden. [medeverdachte 1] bepaalde wat wel of niet werd aangekocht.51

Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 4] waren druk bezig met het afronden van [bedrijf 3] . [medeverdachte 4] was bezig met het bellen van geïnteresseerden.52

[verdachte] was de stichtingsbestuurder.53 De [stichting 2] moest samenwerken om het fonds te kunnen besturen, aldus [verdachte] . De uiteindelijk doorslaggevende stem kwam altijd vanuit [medeverdachte 1] . Feitelijk kwam het erop neer dat [medeverdachte 1] besliste. De onafhankelijkheid van de Stichting was in de praktijk feitelijk niet gewaarborgd.54 Ter terechtzitting heeft [verdachte] in dit verband verklaard dat door de verwevenheid van de stichting met de vennootschappen de uiteindelijke beslisser [medeverdachte 1] was. [verdachte] had geen inzage in de financiële administratie van [bedrijf 3] . Voor hem was het onmogelijk om goed te controleren of de initiatiefnemer, waarover in paragraaf 4.3.2.3 meer, voor € 170.000,-- deel had genomen in het obligatiefonds.55

4.3.2.3 De prospectussen

[bedrijf 1] en [bedrijf 2]

[bedrijf 1] heeft een prospectus gedateerd op februari 2010 uitgebracht. Hierin staat onder meer dat:

- [bedrijf 1] een obligatielening uitschrijft van € 4.990.000,--;

- [bedrijf 1] uitsluitend tot doel heeft de aangetrokken gelden uit te lenen tegen een eerste hypothecaire zekerheid op het onroerend goed uit de doelvennootschappen, waardoor de inleg van de obligatiehouders in [bedrijf 1] de hele looptijd veilig wordt gesteld;56

- de gemeente Düsseldorf een huursubsidie verstrekt, geldig tot 2016, om een tekort aan huurpenningen te voorkomen.57 Hierdoor is de huur vrijwel zeker gesteld en het risico dat de rentebetalingen niet voldaan kunnen worden buitengewoon klein.58 Rendementen afkomstig uit de exploitatie van het onroerend goed zijn ook zeker;59

- de bankgarantie de aflossingspremie verzekert op de einddatum;60

- indien de aflossingspremies niet voldaan kunnen worden uit de exploitatie- of verkoopopbrengsten deze zullen worden uitgekeerd door een door de Rabobank afgegeven bankgarantie. Hierdoor worden de aflossingspremies gegarandeerd;61

- door de combinatie van sterke huurpartijen en de bankgarantie de rendementen vrijwel geheel zijn zeker gesteld;62

- [bedrijf 5] aansprakelijk is voor de rentebetalingen, omdat zij zich garant heeft gesteld voor de verplichtingen van [bedrijf 1] die ontstaan of zullen ontstaan door uitgifte van de obligatieleningen in de vier verschillende klassen;63

- ingeval [bedrijf 1] niet aan haar verplichtingen tot terugbetaling van de hoofdsommen kan voldoen, [bedrijf 5] daarvoor aansprakelijk is, omdat zij zich garant heeft gesteld voor alle verplichtingen van [bedrijf 1] ;

- het risico bestaat dat [bedrijf 5] niet (volledig) aan haar verplichtingen onder de garantie zal kunnen voldoen;

- onderhoudskosten, kosten voor verhuur, ontwikkelingskosten en andere kosten welke het exploiteren van het onroerend goed met zich meebrengen worden betaald uit het exploitatieresultaat. Indien het exploitatieresultaat de kosten niet geheel kan dekken is [bedrijf 5] aansprakelijk voor deze kosten. Het risico bestaat dat [bedrijf 5] aan haar verplichtingen onder de garantie niet (volledig) zal kunnen voldoen;64

- de obligatiefondsen van [naam] als uitgangspunt hebben de obligatiehouders een maximale zekerheid te bieden. Deze zekerheid wordt bewerkstelligd door de hypotheekrechten die de obligatiefondsen verkrijgen voor de door de obligatiefondsen verstrekte hypothecaire leningen en andere zekerheden zoals een bankgarantie en/of huursubsidie verstrekt door gemeenten op de huurpenningen;65

- [stichting 1] is opgericht ter meerdere zekerheid van de obligatiehouders en onafhankelijk opereert van [bedrijf 1] ;

- obligatiehouders de gelden storten op de rekening van [stichting 1] die controleert of het aankoopbeleid van [bedrijf 1] volgens de doelstelling en het beleggingsbeleid gebeurt zoals opgenomen in dit prospectus. Als de aan te kopen vastgoedobjecten aan de voorwaarden voldoen geeft [stichting 1] (de rechtbank begrijpt [stichting 1] ) de gelden vrij;66

- het honorarium van de bestuurders van [bedrijf 1] en [stichting 1] voor rekening van [bedrijf 6] BV komt;

- [bedrijf 1] geen vergoeding betaalt aan haar bestuurders noch aan het bestuur van [stichting 1] ;67

- de fondsinvestering als volgt is opgebouwd:

€ 4.500.000,-- taxatiewaarde

€ 130.000,-- overdrachtsbelasting

€ 10.000,-- notariskosten

De volgende kosten zijn berekend:

€ 77.000,-- makelaarskosten

€ 25.000,-- marketingkosten

€ 77.000,-- advieskosten

€ 9.000,-- taxatiekosten

€ 5.000,-- prospectuskosten

€ 150.000,-- structureringskosten

€ 5.000,-- oprichtingskosten.68

[bedrijf 2] heeft een prospectus gedateerd op september 2010 uitgebracht. Hierin staat onder meer dat:69

- [bedrijf 2] een obligatielening uitschrijft van € 2.100.000,--;

- [bedrijf 2] uitsluitend tot doel heeft de aangetrokken gelden uit te lenen tegen een eerste hypothecaire zekerheid, waardoor de inleg van de obligatiehouders in [bedrijf 2] de hele looptijd veilig wordt gesteld;70

- de huurinkomsten uit het object in Eschweiler door de Duitse overheid voor een deel gefinancierd worden in de vorm van een huursubsidie aan de bewoners.71 Deze financieringsvorm beperkt het exploitatierisico72;

- ingeval [bedrijf 2] niet aan haar verplichtingen tot terugbetaling van de hoofdsommen kan voldoen, [bedrijf 5] daarvoor aansprakelijk is, omdat zij zich garant heeft gesteld voor alle verplichtingen van [bedrijf 2] ;

- het risico bestaat dat [bedrijf 5] niet (volledig) aan haar verplichtingen onder de garantie zal kunnen voldoen;

- onderhoudskosten, kosten voor verhuur, ontwikkelingskosten en andere kosten welke het exploiteren van het onroerend goed met zich meebrengen worden betaald uit het exploitatieresultaat. Indien het exploitatieresultaat de kosten niet geheel kan dekken is [bedrijf 5] aansprakelijk voor deze kosten. Het risico bestaat dat [bedrijf 5] aan haar verplichtingen onder de garantie niet (volledig) zal kunnen voldoen;73

- [stichting 1] is opgericht ter meerdere zekerheid van de obligatiehouders en onafhankelijk opereert van [bedrijf 2] ;

- obligatiehouders de gelden storten op de rekening van [stichting 1] die controleert of het aankoopbeleid van [bedrijf 1] volgens de doelstelling en het beleggingsbeleid gebeurt zoals opgenomen in dit prospectus. Als de aan te kopen vastgoedobjecten aan de voorwaarden voldoen geeft [stichting 1] de gelden vrij;74

- de fondsinvestering als volgt is opgebouwd:

€ 1.760.000,-- aankoopprijs

€ 62.000,-- overdrachtsbelasting

€ 35.000,-- notariskosten

€ 62.000,-- makelaars- en selectiekosten

De volgende kosten zijn berekend:

€ 44.000,-- advieskosten

€ 15.000,-- taxatiekosten

€ 110.000,-- structureringskosten

€ 7.000,-- prospectuskosten

€ 5.000,-- oprichtingskosten.75

[bedrijf 3]

[bedrijf 3] heeft een prospectus uitgebracht gedateerd 8 september 2011. Hierin staat onder meer dat:

- [bedrijf 3] een obligatielening uitschrijft van € 2.260.000,--;

- [bedrijf 3] uitsluitend tot doel heeft de aangetrokken gelden uit te lenen voor de aankoop van onroerend goed. De obligatiehouders verkrijgen een eerste hypotheek op het aangekochte onroerend goed, waardoor de inleg van de obligatiehouders in [bedrijf 3] de hele looptijd veilig wordt gesteld;76

- de initiatiefnemer als aanvullende zekerheid zelf voor € 170.000,-- participeert. Haar obligatie wordt achtergesteld op de obligatiehouders.77 Hierdoor ontstaat een extra zekerheid en financiële buffer, waardoor u (de rechtbank begrijpt: de belegger) een hogere dekkingsgraad heeft;78

- de onderpanden meer waard dienen te zijn dan de obligatielening, wat betekent dat de risico’s aan dit fonds nihil zijn;79

- het van belang is dat het onroerend goed bij afname volledig verhuurd is;80

- [stichting 2] opgericht is ter meerdere zekerheid van de obligatiehouders en onafhankelijk opereert van [bedrijf 3] ;

- obligatiehouders de gelden storten op de rekening van [stichting 2] die controleert of het aankoopbeleid van [bedrijf 3] volgens de doelstelling, het beleggingsbeleid en de strategie plaats vindt, zoals opgenomen in dit prospectus. Als de aan te kopen vastgoedobjecten aan de voorwaarden voldoen geeft [stichting 2] de gelden vrij;81

- [bedrijf 3] primair tot doel heeft te investeren in het onroerend goed zoals beschreven in het prospectus;82

- het risicoprofiel laag wordt gehouden door obligatiehouders verschillende zekerheden te bieden, te weten onder andere: ‘dekking van de inleg en achtergestelde participatie initiatiefnemer en [stichting 2] ’83

- de fondsinvestering als volgt is opgebouwd:

€ 1.855.000,-- aankoopprijs incl. kosten

€ 65.000,-- overdrachtsbelasting

€ 22.000,-- notariskosten

€ 111.000,-- makelaars- en selectiekosten

De volgende kosten zijn berekend:

€ 75.000,-- marketingkosten

€ 15.000,-- advieskosten

€ 9.000,-- taxatiekosten

€ 6.000,-- due diligence kosten

€ 95.000,-- structureringskosten

€ 7.000,-- oprichtingskosten

De kosten zijn eenmalige kosten.84

4.3.2.4 De inleg en de besteding van de inleg

[bedrijf 1] en [bedrijf 2]

In de periode van 11 maart 2010 tot en met 17 augustus 2010 is voor € 2.111.300,-- door 61 obligatiehouders ingelegd in [bedrijf 1] .85 Van dit bedrag is door beleggers € 569.200,-- overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 1] (rekeningnummer [rekeningnummer] )86 en is
€ 1.542.100,-- door de obligatiehouders overgemaakt naar de bankrekening van [stichting 1] (rekeningnummer [rekeningnummer] ). [medeverdachte 4] schreef op 24 maart 2010, namens [bedrijf 1] , een inlegger aan om de inleg op de bankrekening van [bedrijf 1] te storten.87 [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat beleggers schriftelijk is medegedeeld hun inleg op de bankrekening van [bedrijf 1] te storten, omdat [verdachte] € 120.000,-- vanaf de bankrekening van de stichting in zijn eigen zak had gestoken.88 Op 30 maart 2010, derhalve 6 dagen na de zojuist genoemde brief van 24 maart 2010, wordt van de bankrekening van [stichting 1] € 10.000,00 overgemaakt naar [bedrijf 4] .89

Nadat de eerste inleggelden zijn binnengekomen op de rekening van [bedrijf 1] , wordt op 1 april 2010 € 55.000,-- overgeboekt naar [naam] onder vermelding ‘rentebetaling [naam] ’. Ook wordt diezelfde dag € 50.000,-- overgemaakt naar [bedrijf 11] onder vermelding ‘rentebetalingen’.90 Direct na binnenkomst van € 55.000,-- op de rekening van [naam] wordt daarmee een rentebetaling gedaan aan een inlegger in [naam] .91 Uiteindelijk is van de inleg op de bankrekening van [bedrijf 1] in totaal een bedrag van € 569.175,-- aan betalingen/overboekingen verricht onder meer naar andere BV’s gelieerd aan [medeverdachte 1] , rentebetalingen aan de inleggers in [naam] , [bedrijf 11] en [bedrijf 1] en salarisbetalingen aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] .92

Zoals hiervoor al vermeld, is van de inleg van € 2.111.300,-- een bedrag van € 1.542.100,-- door de obligatiehouders overgemaakt naar de bankrekening van [stichting 1] (rekeningnummer [rekeningnummer] ). Op de dag dat de eerste inleg binnenkomt, wordt meteen € 3.000,-- aan onkostenvergoeding overgemaakt aan [verdachte] .93 In totaal is € 24.000,-- van de inleg op deze bankrekening van [stichting 1] naar [verdachte] overgemaakt onder vermelding van ‘onkostenvergoeding’.94 De volgende betalingen zijn verricht aan [bedrijf 4] (rekeningnummer [rekeningnummer] ):

- € 10.000,-- d.d. 30 maart 201095

- € 30.000,-- d.d. 15 april 201096

- € 30.000,-- d.d. 19 april 2010.97

[verdachte] is bestuurder en alleen/zelfstandig bevoegd van [bedrijf 4] BV.98 [bedrijf 4] heeft een bankrekening met nummer [rekeningnummer] .99

Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij per stichting € 1.500,-- in rekening mocht brengen voor de vergoeding van onkosten.100

Naast betalingen aan [verdachte] , zijn er betalingen verricht aan een andere bankrekening van [stichting 1] en aan diverse BV’s gelieerd aan [medeverdachte 1] en [verdachte] , als ook betalingen betreffende taxaties in Duitsland. Op 30 november 2010 stond er nog € 3.448,99 op de bankrekening.101

Op 23 maart 2011 wordt er in totaal € 750.000,-- bijgeschreven op de rekening van [stichting 1] . Dit bedrag is afkomstig van [bedrijf 8] . Vervolgens wordt nog eens € 10.000,-- + € 249.000,-- + € 67.000,-- (derhalve totaal € 326.000,--) bijgeschreven op de bankrekening van de Stichting. Dit geld is afkomstig uit de inleg van [bedrijf 2] . Uiteindelijk wordt op 13 mei 2011 € 10.000,-- , drie keer € 249.000,-- en € 67.000,-- (derhalve totaal € 824.000,--) overgemaakt naar [bedrijf 8] in verband met de aankoop van onroerend goed te Aken.102 Een totaalbedrag van € 824.000,-- is door [bedrijf 8] overgemaakt aan een Duitse notaris en Terra Domus Aachen.103

Zodoende is € 498.000,-- aan [bedrijf 1] geld besteed aan de aankoop van onroerend goed, te weten [straat] , [straat] , Steinkaulstrasse, zes eenheden aan de [straat] , [straat] en [straat] alle te [woonplaats] .104

De bankgarantie, waar in het prospectus naar wordt verwezen, is niet afgegeven. De € 100.000,-- die aan de bank gestort moest worden, is weg, aldus [medeverdachte 1] .105

In de periode van 11 oktober 2010 tot en met 2 augustus 2011 is in totaal € 1.670.300,-- door

40 obligatiehouders ingelegd in [bedrijf 2] .106 Hiervan is € 1.599.100,-- binnengekomen op de bankrekening van [stichting 1] (rekeningnummer [rekeningnummer] ) en € 71.200,00 op de andere bankrekening van de stichting (rekeningnummer [rekeningnummer] ).107 Op 15 oktober 2010, 4 dagen nadat de eerste inleg binnenkomt op rekening [rekeningnummer] , wordt € 4.240.—afgeschreven onder vermelding ‘onkosten [bedrijf 2] ’.108 Uiteindelijk wordt van de inleg in [bedrijf 2] € 88.815,-- naar [medeverdachte 1] in privé overgemaakt en wordt er voor € 505.475,59 aan rentebetalingen gedaan in diverse andere fondsen, inclusief betalingen aan de eigen inleggers in [bedrijf 2] . Aan [verdachte] wordt € 60.000,-- betaald wegens onkosten voor zijn rol als bestuurder van [stichting 1] .109

Zoals hiervoor omschreven is een deel van de inleg (€ 10.000,-- + € 249.000,-- + € 67.000,-- = € 326.000,--) in [bedrijf 2] overgemaakt naar [stichting 1] ten behoeve van aankopen in [bedrijf 1] .110 Ook is € 100.000,-- en € 461.800,-- overgemaakt ten behoeve van de aankoop van [adres] en 14 eenheden [straat] .111 Omdat de aankoopprijs niet volledig is betaald, zijn deze panden niet geleverd.112

Totaal is in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] tezamen € 3.781.600,-- ingelegd.113

[bedrijf 3]
In de periode van 9 september 2011 tot en met 17 februari 2012 hebben 33 obligatiehouders (waaronder niet de initiatiefnemer tot het fonds, zijnde [bedrijf 10] ) in totaal € 1.130.500,-- ingelegd in [bedrijf 3]114 Deze gelden zijn ingelegd op de bankrekening van [stichting 2] ( [rekeningnummer] ).115 Vervolgens zijn de ingelegde gelden besteed aan privébetalingen, betalingen couponrente van inleggers in andere fondsen, operationele kosten, onkostenvergoeding [verdachte] en notariskosten.116 Op 7 december 2012 is de bankrekening opgeheven. Het eindsaldo was € 0,--.117

4.3.2.5 De beleggers

[bedrijf 1] en [bedrijf 2]

[belegger 1] (hierna: [belegger 1] ) heeft op 7 december 20101 ingeschreven in [bedrijf 2] ad € 20.400,--. Op 25 januari 2011 schreef [belegger 1] zich een tweede keer in voor € 20.200,--. Hieraan voorafgaand had hij een prospectus aangevraagd.118 [belegger 1] ging ervan uit dat zijn inleg besteed zou worden, zoals in het prospectus stond vermeld. Ongeveer 90% zou voor de aankoop van onroerend goed gebruikt moeten worden.119 [belegger 1] heeft verklaard dat hij nooit zou hebben belegd als hij niet het vertrouwen had gehad dat men niet zou doen wat in het prospectus vermeld stond.120

[belegger 2] (hierna: [belegger 2] ) heeft het prospectus van [bedrijf 2] aangevraagd en op 4 april 2011 een bedrag van € 30.600,-- overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [stichting 3] .121 Hij had de indruk dat er voor € 1.670.000,-- aan onroerend goed was gekocht.122 Op basis van de inhoud van het prospectus had [belegger 2] niet het vermoeden dat zijn inleg niet of slechts gedeeltelijk aangewend zou kunnen worden voor de aankoop van onroerend goed. Evenmin gaf het prospectus hem aanleiding te vermoeden dat de inleggelden aangewend zouden worden om couponrentebetalingen mee te doen.123

[belegger 3] (hierna: [belegger 3] ) heeft via internet de brochure voor [bedrijf 1] aangevraagd.124 Hij investeerde € 306.000,-- en schreef dit bedrag over op 8 april 2010 naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [stichting 1] te [vestigingsplaats] .125 [belegger 3] heeft zijn inleg niet teruggekregen.126

[belegger 4] (hierna: [belegger 4] ) heeft op 10 januari 2011, na lezing van het prospectus, € 20.000,-- belegd in [bedrijf 2] . Ze had vertrouwen dat men uit zou voeren wat in het prospectus beschreven werd. Tot 1 oktober 2012 kreeg zij haar couponrente uitbetaald door [bedrijf 13] uit [vestigingsplaats] en na die tijd door [bedrijf 5] .127 Aan de hand van het prospectus had zij het volste vertrouwen dat haar belegging goed besteed zou worden.128

[belegger 5] (hierna: [belegger 5] ) ontving informatie van [bedrijf 1] met daarbij gevoegd het prospectus. Na ontvangst van het prospectus heeft [belegger 5] ingeschreven in [bedrijf 1] . Hij maakte € 20.400,-- over naar [stichting 1] . Op 25 maart 2010 kreeg hij een bevestiging dat zijn inschrijving was ontvangen.129 Als [belegger 5] van te voren had geweten dat het inleggeld niet, of slechts gedeeltelijk zou worden aangewend voor de aankoop van vastgoed dan had hij niet belegd in [bedrijf 1] .130 Ook zou hij niet ingelegd hebben als hij had geweten dat de couponrentebetalingen uit de inleggelden werden betaald.131

[bedrijf 3]

[belegger 2] zag een advertentie in beleggingsblad Cash. Hij besloot mee te participeren in [bedrijf 3] voor een bedrag van € 50.000,--. De emissiekosten bedroegen € 1.000,--.132 Op 31 oktober 2011 schreef hij zich in en op 7 november 2011 ontving [belegger 2] een bevestiging van zijn betaling.133 Op basis van de inhoud van het prospectus had [belegger 2] niet het vermoeden dat zijn inleg niet of slechts gedeeltelijk aangewend zou kunnen worden voor de aankoop van onroerend goed. Evenmin gaf het prospectus hem aanleiding te vermoeden dat de inleggelden aangewend zouden worden om couponrentebetalingen mee te doen.134

[inlegger] schreef op 19 december 2011 in in [bedrijf 3] .135 Op 3 januari 2012 ontving zij een bevestiging van de inschrijving van € 20.000,--. Ook maakte ze € 400,-- emissiekosten over. Voorafgaand aan de deelname zag zij het prospectus in. Volgens [inlegger] zou in principe het totale bedrag van € 2.644.000,--, zoals omschreven in het prospectus, in vastgoed geïnvesteerd worden.136

[belegger 6] (hierna: [belegger 6] ) ontving ongevraagd een brief waarin stond dat hij mee kon doen aan het fonds [bedrijf 3] . Hierop vroeg [belegger 6] het prospectus aan.137 Op 30 september 2011 maakte hij € 20.000,-- en € 400,-- emissiekosten over naar de bankrekening van [stichting 2] .138 Op 10 oktober 2011 maakte hij nog eens € 20.400,-- over.139

[belegger 7] (hierna: [belegger 7] ) ontving een brief met een vooraankondiging van [bedrijf 3] . De vooraankondiging was de aanleiding om het prospectus aan te vragen. Nadat hij het prospectus had gelezen stuurde [belegger 7] zijn inschrijfformulier in. [belegger 7] schreef zich in voor € 50.000,--. Op 16 november 2011 maakte hij € 51.000,-- over naar de bankrekening van [stichting 2] .140 [belegger 7] heeft verklaard dat hij niet belegd zou hebben als hij had geweten dat het inleggeld niet aangewend zou worden voor de aankoop van onroerend goed, of als hij had geweten dat de couponrentebetalingen uit de inleggelden betaald werden.141

[belegger 8] (hierna: [belegger 8] ) ontving per post een vooraankondiging voor het fonds [bedrijf 3] . Hij vroeg de brochure aan, nam deze door en besloot om in [bedrijf 3] te beleggen.142 [belegger 8] legde € 20.000,-- in en maakte op 29 september 2011 € 20.400,-- over naar de bankrekening van [stichting 2]143 Als uit de toegestuurde informatie en stukken van [bedrijf 3] duidelijk had kunnen worden dat niet de hele inleg besteed zou worden aan de aankoop van onroerend goed, dan zou [belegger 8] niet zijn gaan inleggen.144

4.3.3

De vrijspraak van het feitelijk leidinggeven

Onder feit 1 primair en feit 2 primair wordt [verdachte] verweten feitelijk leiding te hebben gegeven aan de oplichting door de stichtingen waarvan hij de bestuurder was.

Uit paragraaf 4.3.2.1 volgt weliswaar dat [verdachte] statutair bestuurder was van de Stichtingen [stichting 1] en [stichting 2] en in die hoedanigheid alleen en zelfstandig bevoegd was, maar de feitelijk gang van zaken (zoals weergegeven in paragraaf 4.3.2.2) laat een ander beeld zien. [verdachte] had slechts een beperkte rol binnen de stichtingen. [medeverdachte 1] kon hem ‘overrulen’ en kon zelfstandig beslissingen nemen. De onafhankelijkheid van de stichtingen was in de praktijk feitelijk niet gewaarborgd. Feitelijk kwam het erop neer dat medeverdachte [medeverdachte 1] besliste.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het voorgaande, niet wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] feitelijk leidinggevende was van de stichtingen. [verdachte] zal van het aan hem onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.3.4

Bewijsoverwegingen

4.3.4.1 Oplichting

De raadsman heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de beleggers in de diverse fondsen heeft opgelicht.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

Uit de hiervoor in paragraaf 4.3.2.5 opgenomen bewijsmiddelen volgt dat aan beleggers vooraankondigingen en/of prospectussen zijn verstuurd met daarin informatie over de obligatieleningen die door [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] werden aangeboden. De vooraankondigingen en/of prospectussen hadden tot doel om eventuele beleggers te interesseren in, en te informeren over, de obligatieleningen van de diverse fondsen. In de prospectussen was informatie opgenomen die niet strookte met de werkelijkheid.

Zo volgt uit de bewijsmiddelen dat de stichtingen niet onafhankelijk van de fondsen opereerden en hun taken niet hebben uitgevoerd, en ook niet konden uitvoeren, op een wijze als omschreven in de prospectussen. Onder meer uit de verklaring van [verdachte] volgt dat [medeverdachte 1] de stichtingen [stichting 1] en [stichting 2] kon ‘overrulen’. Hij had de uiteindelijk doorslaggevende stem. Bovendien zijn betalingen aan [verdachte] en zijn BV gedaan, terwijl duidelijk uit de prospectussen volgt dat [verdachte] geen vergoeding vanuit de fondsen zou ontvangen.

Uit het voorgaande volgt dat de inleggelden op de bankrekeningen van de stichtingen deels niet conform het aankoopbeleid vrijgegeven werden. Dit beeld wordt bevestigd als gekeken wordt naar het feitelijke aankoopbeleid binnen de fondsen.

Voor zover onroerend goed in Duitsland is aangekocht, is dit immers niet conform hetgeen in de prospectussen werd voorgespiegeld gebeurd. Van de inleg in [bedrijf 1] is slechts € 498.000,-- besteed aan de aankoop van onroerend goed. In [bedrijf 2] is van de € 1.670.300,-- een bedrag van € 326.000,-- gebruikt voor de aankoop binnen [bedrijf 1] . Door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] zelf is niets aangekocht. Terwijl in beide fondsen tezamen € 2.800.800,-- is ingelegd. Alles bij elkaar genomen is € 4.912.100,-- ingelegd, waarvan € 2.168.300,-- is besteed aan onroerend goed. Dat is ongeveer 44% van de totale inleg. Uit een berekening die de rechtbank heeft gemaakt aan de hand van de inhoud van de prospectussen, volgt daarentegen dat in de prospectussen (telkens) zo’n 8% à 10% is berekend aan eenmalige fondskosten (zoals structureringskosten, advieskosten, due diligence kosten, marketingkosten, oprichtingskosten) en dat de overige inleggelden besteed zouden worden aan de aankoop van onroerend goed. Uit het voorgaande volgt dat -anders dan in de prospectussen opgenomen- in beperkte mate investeringen zijn gedaan en dat daarentegen hoge kosten zijn gemaakt. Aanzienlijke delen van de geïnvesteerde gelden zijn niet ingezet ten behoeve van de beleggers en het te behalen rendement.

Uit de bankafschriften volgt ook dat vrijwel direct nadat de eerste inleggelden binnenkomen op de bankrekeningen van de stichtingen, deze inleggelden worden vrijgegeven om couponrentebetalingen te voldoen. Ook zijn grote geldbedragen, al dan niet direct, weggevloeid naar verdachte, naar zijn medeverdachten en hun familieleden. Ook dit is in strijd met hetgeen in de prospectussen staat. De ingelegde gelden mochten enkel door de stichtingen vrijgegeven worden ten behoeve van de aankoop van onroerend goed. Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet is veel minder onroerend goed aangekocht dan in de

prospectussen voorgespiegeld, terwijl bij [bedrijf 3] al het ingelegde geld is verdwenen en bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een groot deel van de ingelegde gelden is verdwenen.

Omdat er door de fondsen geen, dan wel veel minder, onroerend goed is aangekocht dan voorgespiegeld in de prospectussen, waren ook de huuropbrengsten niet gegarandeerd. Met de huuropbrengsten zouden de couponrentebetalingen voldaan worden en ook dat is derhalve niet gebeurd. De couponrente waar de inleggers recht op hadden werd voor het overgrote deel betaald uit hun eigen inleg of de inleg in andere fondsen.

Voorts zijn de aanwezige risico’s van de beleggingen in de prospectussen geminimaliseerd, door teksten op te nemen als: ‘De gemeente Düsseldorf verstrekt een huursubsidie, geldig tot 2016, om een tekort aan huurpenningen te voorkomen. Hierdoor is de huur vrijwel zeker gesteld en het risico dat de rentebetalingen niet voldaan kunnen worden buitengewoon klein’. En door op te nemen dat een derde partij garant zal staan wanneer het fonds niet aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen.

De voorgestelde gang van zaken gaf het beeld dat een investering in -een van de-voornoemde fondsen een zeer beperkt risico had. Door dit aan de inleggers voor te spiegelen, werden zij bewogen gelden in te leggen in een ogenschijnlijke zeer beperkt risicodragende obligatieovereenkomst met de fondsen. Zonder deze informatie waren zij daartoe niet overgegaan, zo blijkt uit de verklaringen van beleggers. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat mensen die geïnteresseerd zijn in het beleggen van hun gelden zich –alvorens daartoe over te gaan– (direct of indirect) laten informeren. Het is gebruikelijk dat dit gebeurt na bestudering van een prospectus, dan wel andere informatie, van het betreffende beleggingsproduct. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat mensen hun gelden beleggen om daar rendement uit te halen. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat de wederrechtelijkheid besloten ligt in de onwaarheden die zijn opgenomen in het prospectus en/of brochures en/of anderszins gegeven informatie, waardoor beleggers bewogen zijn gelden in te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten zich hebben bediend van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels door bedrieglijk en in strijd met de waarheid in de prospectussen en de brochures de in de bewijsmiddelen opgenomen zekerheden en informatie aan de beleggers voor te spiegelen, wetende dat deze niet bestonden of op geen enkele wijze waargemaakt zouden worden. Van een bonafide belegging is geen sprake geweest.

Door gelden aan te trekken van beleggers onder het voorwendsel dat met die gelden onroerend goed in Duitsland gekocht zou worden, terwijl die gelden voor het overgrote deel en reeds vanaf de eerste inleg, werden doorgesluisd naar en gebruikt werden door verdachte en zijn medeverdachten voor geheel andere doeleinden, is de rechtbank van oordeel dat het oogmerk bestond op de wederrechtelijke bevoordelingen van (mede) verdachte(n) zelf en anderen en dat er sprake was van oplichting.

4.3.4.2 Het medeplegen

Door de verdediging is aangevoerd dat [verdachte] niet nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen om beleggers op te lichten.

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte al dan niet als medepleger aangemerkt kan worden, zoals subsidiair ten laste gelegd, heeft de rechtbank de door de Hoge Raad (zie onder meer ECLI:NL:HR:2014:3474) geformuleerde criteria gehanteerd. Er moet sprake zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Of er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Bij deze beoordeling kan rekening gehouden worden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het gaat er dus om dat verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

Uit de paragrafen 4.3.2.1, 4.3.2.2 en 4.3.2.4 volgt dat verdachte [verdachte] zich samen met zijn mededaders bezig heeft gehouden met de obligatieleningen die door [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] werden uitgegeven en dat de inleggers zijn opgelicht. Verdachte [verdachte] was op de hoogte van de inhoud van de prospectussen en wist wat van hem als stichtingsbestuurder verwacht werd. Zo was het zijn taak om ervoor te zorgen dat gelden enkel werden vrijgegeven voor de aankoop van onroerend goed of daarmee samenhangende (fonds)kosten, conform de inhoud van de prospectussen. Desalniettemin heeft verdachte, door zijn handelen, eraan bijgedragen dat met het geld van beleggers iets anders werd gedaan dan voorgespiegeld. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat er geen, dan wel onvoldoende, toezicht is gehouden. Alle ingelegde gelden van beleggers zijn door de stichtingen vrijgegeven, terwijl voor minder dan de helft van de totale inleg onroerend goed is aangekocht. In het fonds [bedrijf 3] is zelfs helemaal geen onroerend goed aangekocht. Hieraan heeft verdachte een actieve bijdrage geleverd. Hij was het die de gelden vrij gaf, op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] , en hij was degene die diende te controleren dat de gelden ten behoeve van de aankoop van onroerend goed werden aangewend.

Het verweer van de verdediging dat verdachte slechts gelden vrijgaf, nadat hij de daarbij behorende stukken had gekregen, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Daaruit volgt immers dat verdachte meteen op de eerste dag waarop de eerste inleg in [bedrijf 1] binnenkomt € 3.000,-- naar zichzelf overmaakt, terwijl hij daar blijkens de inhoud van het prospectus van [bedrijf 1] helemaal geen recht op had. Nog geen maand nadat de eerste inleg binnen is gekomen in [bedrijf 1] maakt [verdachte] € 10.000,-- over naar zijn eigen vennootschap.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen van het tenlastegelegde.

De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee verworpen.

4.3.4.3 Witwassen

[verdachte] wordt onder feit 3 - zakelijk weergegeven - verweten dat hij zich al dan niet tezamen met anderen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014 schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte) witwassen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting. De daarbij betrokken rechtspersonen maakten onderdeel uit van een structuur van rechtspersonen, waarvan het gezamenlijke doel was het aantrekken van gelden van investeerders (beleggers). Uit de bewijsmiddelen volgt dat beleggers door valse voorwendselen zijn bewogen om geld te investeren en zijn opgelicht. Dit investeren doen zij door hun inleg over te boeken naar de bankrekening van stichtingen gelieerd aan de obligatiefondsen ofwel aan de obligatiefondsen zelf. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een constructie waarin beleggers worden opgelicht. De door hun ingelegde gelden zijn door misdrijf, te weten oplichting, verkregen.

Vervolgens is een groot deel van dit geld overgeboekt, ofwel omgezet, naar allerhande andere rekeningen van andere rechtspersonen/fondsen en zijn daarmee betalingen verricht en privé-onttrekkingen gedaan. Hierdoor is de criminele herkomst van de gelden verborgen of verhuld. De rechtbank sluit hierbij aan bij de arresten van de Hoge Raad d.d. 17 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2001) en 8 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX4449).

Van het totaal aan ingelegde gelden, te weten € 3.781.600,-- en € 1.130.500,-- kan de rechtbank niet eenvoudigweg vaststellen van wiens misdrijf (binnen de constructie van de diverse rechtspersonen) dit afkomstig is en of het is overgedragen of omgezet. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat op sommige bankrekeningen van de rechtspersonen nog gelden staan. Ook ten aanzien van deze gelden kan de rechtbank, gelet op het heen en weer schuiven met geld tussen verschillende bankrekeningen van verschillende vennootschappen, de herkomst niet meer vaststellen. Dit geld heeft zich op deze wijze vermengd met de andere van misdrijf afkomstige gelden op de verschillende rekeningen. Om die reden merkt de rechtbank het geldbedrag dat nog op bankrekeningen staat aan als zijnde witgewassen. Zo oordelend merkt de rechtbank het volledige bedrag (te weten: 4.912.100,- (€ 3.781.600,- + € 1.130.500,--) aan als zijnde witgewassen.

Gelet op de langere duur waarin beleggers zijn opgelicht en de door hen ingelegde gelden zijn omgezet, is er tevens sprake van de strafverzwarende variant van gewoontewitwassen.

Uit hetgeen in paragraaf 4.3.2.2 in relatie tot 4.3.2.4 en 4.3.4.2 reeds naar voren is gekomen, volgt dat tussen [verdachte] en zijn mededaders bij de uitvoering van de oplichting, sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

Op grond het voorgaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen. De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee verworpen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of elders in Nederland,

telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen

wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

personen hebben bewogen tot de (girale) afgifte van geldbedragen, in totaal Euro 3.781.600,- , te weten onder meer

- [belegger 1] (G-006) EURO 40.600,-, op of omstreeks 7 december 2010 en 4 februari

2011 en

- [belegger 2] (G-010) EURO 30.600,-, op 5 april 2011 en

- [belegger 3] (G-001) EURO 306.000, -, op 8 april 2010 en

- [belegger 4] (G-017) EURO 20.400,-, omstreeks 11 januari 2011 en

- [belegger 5] (G-005) EURO 20.400,-, op 23 maart 2010,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders, met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven- opzettelijk listiglijk en in strijd met de waarheid bedoelde personen via prospectussen en/of brochure(s) en/of op een andere wijze, benaderd en geïnteresseerd in de deelname aan een of meer obligatieovereenkomsten in de fondsen [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ) en daarbij voorgewend dat

-ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd en/of belegd in

de aankoop van in het prospectus als referentieobject genoemde vastgoedobjecten in Duitsland en

-de belegger/inlegger een bedrag investeerde dat een bepaald rendement opleverde afkomstig uit de huuropbrengsten en

- de (totale) fondsinvestering zou worden aangewend voor de aankoop van het

onroerend goed in het fonds en voor kosten in verband met de aankoop van het onroerend goed en in verband met (de oprichting van) het obligatiefonds

-De [stichting 1] , onafhankelijk zou worden bestuurd, en onafhankelijk toezicht zou houden op het aankoopbeleid van de beleggingsfondsen en de gelden voor aankoop van het

onroerend goed pas vrij zou geven wanneer aan alle voorwaarden in de prospectussen zou zijn voldaan en

-er zekerheden waren en

-er zekerheden zouden worden ondergebracht in de [stichting 1] , te weten de verkrijging van het recht van een eerste hypotheek,

waardoor bovengenoemde personen telkens werden bewogen tot de (girale) afgifte van bovengenoemde geldbedragen;

2.

Subsidiair

op tijdstippen in de periode van 9 september 2011 (eerste inleg) tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of elders in Nederland,

telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen

wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

personen, hebben bewogen tot de (girale) afgifte van geldbedragen, in totaal Euro 1.130.500,-, te weten onder meer

- [belegger 2] (G-010) EURO 51.000,- , op of omstreeks 7 november 2011 en

- [inlegger] (G-011-01) EURO 20.400,-, omstreeks 30 december 2011 en

- [belegger 6] EURO 40.800,-, op of omstreeks 30 september 2011 en

- [belegger 7] (G-024), EURO 51.000,-, op 16 november 2011 en

- [belegger 8] (G-004-01) EURO 20.400,-, op 29 september 2011,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders, met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven- opzettelijk listiglijk en in strijd met de waarheid bedoelde personen via

prospectussen en/of via internet en/of op een andere wijze, benaderd en geïnteresseerd in de deelname aan een of meer obligatieovereenkomsten in het fonds [bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ) en daarbij voorgewend dat,

-ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd en/of belegd in

de aankoop van in het prospectus als referentieobject genoemde vastgoedobjecten in Duitsland en

-de belegger/inlegger een bedrag investeerde dat een bepaald rendement opleverde afkomstig uit de huuropbrengsten en

- de (totale) fondsinvestering zou worden aangewend voor de aankoop van het

onroerend goed in het fonds en voor kosten in verband met de aankoop van het onroerend goed en in verband met (de oprichting van) het obligatiefonds

-De [stichting 1] , onafhankelijk zou worden bestuurd, en onafhankelijk toezicht zou houden op het aankoopbeleid van de beleggingsfondsen en de gelden voor aankoop van het

onroerend goed pas vrij zou geven wanneer aan alle voorwaarden in de prospectussen zou zijn voldaan en

-er zekerheden waren en

-er zekerheden zouden worden ondergebracht in de [stichting 1] , te weten de verkrijging van het recht van een eerste hypotheek,

waardoor bovengenoemde personen telkens werden bewogen tot de (girale) afgifte van bovengenoemde geldbedragen;

3.

op tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, zijn mededaders telkens meermalen voorwerpen te weten

geldbedragen, tot een totaal van Euro 4.912.100,- (Euro 3.781.600,- + Euro 1.130.500,-),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik van gemaakt terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat die geldbedragen - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Ten aanzien van de onder feit 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Gelet op de bewezenverklaring van de medeplegen van de oplichting, behoefte het gevoerde verweer betreffende de medeplichtigheid geen nadere bespreking.

Het bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:

Feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair: Telkens, medeplegen van oplichting, meermalen
gepleegd.

Feit 3: Medeplegen van gewoontewitwassen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair integraal vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het strafblad van verdachte waaruit volgt dat [verdachte] niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Voorts heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de ondergeschikte rol die [verdachte] in het geheel gespeeld heeft. Tenslotte heeft [verdachte] zichzelf niet verrijkt ten koste van de beleggers.

Wanneer tot strafoplegging over wordt gegaan, verzoekt de verdediging te volstaan met het opleggen van een werkstraf, al dan niet in combinatie met een geldboete.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

[verdachte] heeft zich, samen met anderen, gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan oplichting en een gewoonte gemaakt van witwassen van een groot geldbedrag. Dit zijn ernstige vermogensdelicten die een ontwrichtende werking hebben op de economie en die de integriteit van het financiële verkeer aantasten.

In zijn hoedanigheid als stichtingsbestuurder heeft [verdachte] de beschikking en verantwoordelijkheid gehad over vele miljoenen die door beleggers werden ingelegd op basis van een obligatieovereenkomst. Van dit geld is slechts een klein percentage gebruikt voor de aankoop van onroerend goed. De rest van het ingelegde geld is in zijn geheel opgegaan en niet ten bate van de beleggers gekomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet in de belangen van de beleggers heeft gehandeld, terwijl hen werd voorgespiegeld dat dat juist het doel van zijn functie was.

Zeer kwalijk en strafverzwarend acht de rechtbank het feit dat [verdachte] zich gelden heeft toegeëigend van de bankrekeningen van de stichtingen waarvan hij de bestuurder was, terwijl het juist zijn taak was erop toe te zien dat met het geld van de beleggers zou gebeuren wat in de prospectussen stond vermeld. Direct nadat de eerste inleg binnenkomt, maakt hij grote sommen geld naar zichzelf over. Verdachte heeft zijn eigen financiële gewin laten prevaleren boven de belangen van de beleggers en zichzelf op deze wijze schaamteloos verrijkt.

De door verdachte gedupeerde beleggers hebben aanzienlijke geldbedragen verloren. Het door hen ingelegde vermogen is geheel of grotendeels weggevloeid. Dit heeft, naast (grote) financiële gevolgen, ook emotionele gevolgen voor de gedupeerden.

Verdachte heeft geen blijk gegeven de laakbaarheid van zijn handelen in te zien. Ter terechtzitting heeft verdachte alle beschuldigingen van de hand gewezen en geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn aandeel in het geheel.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 30 september 2015, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke delicten.

Ondanks het feit dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het feitelijk leidinggeven, is de rechtbank van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat een hogere straf op te leggen dan wat de officieren van justitie hebben gevorderd. Het feit dat verdachte zijn taak als beheerder van de inleggelden op geen enkele wijze serieus heeft vervuld en hij direct nadat de eerste inleg binnen kwam gelden naar zichzelf heeft overgemaakt speelt in dat oordeel een belangrijke rol. Een forse gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk als stok achter de deur, is passend en geboden.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

In het strafproces tegen verdachte [verdachte] hebben zich tijdens de zitting van 29 september 2015 319 benadeelde partijen gevoegd terzake van een vordering tot schadevergoeding. Een overzicht van alle benadeelde partijen is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Deze benadeelde partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door de heer H.F. Lantsheer van de stichting Hypobli (hierna te noemen: Lantsheer).

Procesverloop
De rechtbank heeft, na overleg met alle raadslieden en officieren van justitie, een behandelplan vastgesteld voor inhoudelijke behandeling van alle zaken in onderhavig onderzoek. Dit behandelplan heeft zij op 1 mei 2015 aan alle procesdeelnemers bekend gemaakt en zag op de periode van maandag 28 september 2015 tot en met maandag 12 oktober 2015. Op 2 oktober 2015 was, naast de bespreking van de persoonlijke omstandigheden van alle verdachten in onderhavig dossier, de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen gepland. Op dat moment waren bij de rechtbank slechts twee vorderingen bekend.

Eerst op 17 september 2015, derhalve 7 werkdagen voorafgaand aan de aanvang van de inhoudelijke behandeling van onderhavige zaak, werd het de rechtbank bekend dat zich, reeds in 2014, 391 benadeelde partijen in het strafproces tegen de twee medeverdachten Hans en [medeverdachte 4] hadden gevoegd. Hiervan kwam de rechtbank op de hoogte door de ontvangst van de vorderingen welke door de officier van justitie aan de rechtbank werden toegezonden. Hoewel het de rechtbank op dat moment al duidelijk was dat de behandeling van die vorderingen zeer tijdrovend zou zijn - temeer omdat bleek dat de vorderingen inhoudelijk verschilden qua bedragen en qua schadeposten - heeft zij besloten de vorderingen in het strafproces te behandelen. De belangen van de benadeelde partijen hebben bij die beslissing voorop gestaan.

Tijdens de eerste en de tweede dag van de inhoudelijke behandeling (derhalve maandag 28 en dinsdag 29 september 2015) hebben zich evenwel verschillende ontwikkelingen voorgedaan.

Zo werd het de rechtbank duidelijk dat de benadeelde partijen hun vordering hadden ingediend in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] , maar dat het Openbaar Ministerie, zonder dat met de benadeelde partijen te bespreken, had besloten de 391 vorderingen óók in de zaak tegen [medeverdachte 4] in te dienen. Dat is evenwel geen bevoegdheid die het Openbaar Ministerie toekomt; een benadeelde partij bepaalt zelf in welke strafproces hij zijn vordering wenst in te dienen.

Verder werd het de rechtbank duidelijk dat de heer Lantsheer (in ieder geval) reeds op vrijdag 25 september 2015 aan de officier van justitie kenbaar had gemaakt dat hij de vorderingen van de benadeelde partijen die hij vertegenwoordigde, in de strafprocessen tegen álle 22 verdachten wenste in te dienen; dus niet alleen in de zaken tegen Hans en [medeverdachte 4] . Tijdens de zitting op maandag 28 september 2015 heeft het openbaar ministerie de rechtbank evenwel medegedeeld (naar later bleek, in weerwil van hetgeen Lantsheer voor ogen stond) dat de vorderingen alleen in de zaken tegen Hans en [medeverdachte 4] behandeling behoefden.

Tijdens de terechtzitting op dinsdag 29 september 2015 antwoordde Lantsheer vervolgens op de expliciete vraag van de rechtbank in welke zaak zijn cliënten hun vordering wilden indienen, dat die vorderingen nog slechts in de strafzaken tegen de medeverdachten Hans en [medeverdachte 4] , verdachte [verdachte] en een vierde verdachte in het onderzoek werden ingediend. Daarop heeft de raadsman van [verdachte] aangegeven geen vorderingen van de benadeelde partijen te hebben ontvangen en dus niet in de gelegenheid te zijn, de behandeling van die vorderingen voor te bereiden voorafgaand aan de geplande behandeling daarvan op vrijdag 2 oktober 2015. In dat licht is om aanhouding van de behandeling van de strafzaak verzocht.

Tenslotte bleek dat er onduidelijkheid bestond over de vraag welke van de benadeelde partijen door Lantsheer werden vertegenwoordigd. Lantsheer had de rechtbank een lijst met 319 door hem vertegenwoordigde benadeelde partijen verstrekt. Uit een onderzoek van de rechtbank bleek evenwel dat in ieder geval vier benadeelde partijen de stichting Hypobli of Lantsheer als gemachtigde hadden vermeld, terwijl deze vier personen niet op de door Lantsheer overgelegde lijst stonden.

Een en ander betekende dat de rechtbank van ieder van de benadeelde partijen zou dienen te onderzoeken in welke zaak zij haar vordering wenste in te dienen, dat diende te worden uitgezocht wie de heer Lantsheer precies vertegenwoordigde en dat de zaak zou dienen te worden aangehouden. De agenda van de rechtbank maakte een verdere behandeling van de zaken voor de zomer van 2016, evenwel niet mogelijk.

De reeds genomen beslissing

Op grond van al het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank reeds op 29 september 2015, tijdens de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak, gehoord hebbende de verdediging en de officier van justitie, tot het oordeel gekomen dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafproces was gaan vormen. Om die reden heeft de rechtbank op dat moment gebruik gemaakt van de haar op grond van artikel 333 Sv toekomende bevoegdheid en de vorderingen van alle benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 326, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- Verklaart de dagvaarding geldig.

Vrijspraak

- Verklaart het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

- Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

- Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair: Telkens, medeplegen van oplichting,
meermalen gepleegd.

Feit 3: Medeplegen van gewoontewitwassen.

- Verklaart het bewezene strafbaar.

- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (zegge: achttien) maanden.

- Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zegge: zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

- Stelt daarbij een proeftijd van 2 (zegge: twee) jaren vast.

- De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Benadeelde partijen

- Verstaat dat de vorderingen van de in bijlage 1 genoemde benadeelde partijen op 29 september 2015 niet ontvankelijk zijn verklaard.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en A.M. Verhoef, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 december 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

Primair

[stichting 1] en/of (een) aanverwante

rechtsperso(o)n(en), in elk geval (een) rechtsperso(o)n(en),

op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of Soest en/of Baarn en/of

Amstelveen en/of elders in Nederland, en/of in Duitsland

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans

alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen,

Door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

één of meer personen, heeft/hebben bewogen tot de (girale) afgifte van een of

meer geldbedragen, in totaal (ongeveer) Euro 3.781.600,- (AH 006/AH 008),

althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, te weten onder meer

- [belegger 1] (G-006) (inlegger 1), (ongeveer) Euro 40.600,-, althans

enig(e) geldbedrag(en) (op of omstreeks 7 december 2010 en/of 4 februari

2011) en/of

- [belegger 2] (G-010) (inlegger 2), (ongeveer) Euro 30.600,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 5 april 2011) en/of

- [belegger 3] (G-001) (inlegger 3), (ongeveer) Euro 306.000, -, althans

enig geldbedrag (op of omstreeks 8 april 2010) en/of

- [belegger 4] (G-017) (inlegger 4), (ongeveer) Euro 20.400,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 11 januari 2011) en/of

- [belegger 5] (G-005) (inlegger 5), (ongeveer) Euro 20.400,-, althans

enig geldbedrag (op of omstreeks 23 maart 2010),

immers heeft/hebben de [stichting 1] en/of

(een) aanverwante rechtsperso(o)n(en), in elk geval een rechtsperso(o)n(en),

en/of een (of meer) mededader(s) (telkens), met voornoemd oogmerk - zakelijk

weergegeven- opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid (bedoelde personen)

via (een) prospectus(sen) en/of flyer(s) en/of brochure(s) en/of

bijeenkomst(en) en/of telefonisch en/of via internet en/of op een andere

wijze, benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan een of meer

obligatieovereenkomst(en) in het/de fonds(en) [bedrijf 1]

[bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ) en/of [bedrijf 2] B.V.

( [bedrijf 2] ) en daarbij voorgewend dat

-ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd en/of belegd in

(de aankoop en/of verkoop en/of verhuur van) in het prospectus als

referentieobject genoemd(e) (een) vastgoedobject(en) in Duitsland en/of

-de belegger/inlegger een bedrag investeerde dat jaarlijks gegarandeerd een

bepaald rendement opleverde en/of

-het rendement per kwartaal tot het einde van de overeenkomst zou worden

ontvangen en/of

- de (totale) fondsinvestering zou worden aangewend voor de aankoop van (het)

onroerend goed in/voor het fonds en/of voor kosten in verband met de aankoop

van (het) onroerend goed en/of in verband met (de oprichting van) het

(obligatie)fonds;

-de inlegger na de looptijd van de obligatielening gegarandeerd de inleg

retour zou ontvangen en/of

-De [stichting 1] , althans een (of meer) Stichting(en), onafhankelijk zou(den)

worden bestuurd, en/of (onafhankelijk) toezicht zou(den) houden op het

aankoopbeleid van de beleggingsfondsen en/of de gelden voor aankoop van het

onroerend goed pas vrij zou(den) geven wanneer aan alle voorwaarden in de

prospectussen zou zijn voldaan en/of

-(er) zekerhe(i)d(en) was/waren en/of

-(er) zekerhe(i)d(en) zou(den) worden ondergebracht in de [stichting 1] ,

althans in een (of meer) Stichting(en), waaronder een bankgarantie en/of de

verkrijging van het recht van een eerste hypotheek (AH-003 en/of AH -004),

waardoor bovengenoemd(e) perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot de

(girale) afgifte van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans enig(e)

geldbedrag(en)

zulks terwijl hij, verdachte, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en)

opdracht heeft gegeven en/of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven;

Artikel 326 jo 51 Wetboek van Strafrecht

art 326 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij, verdachte, op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of Soest en/of

Baarn en/of Amstelveen en/of elders in Nederland, en/of in Duitsland

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans

alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen,

door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

één of meer personen heeft/hebben bewogen tot de (girale) afgifte van een of

meer geldbedragen, in totaal (ongeveer) Euro 3.781.600,- (AH 006/AH 008),

althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, te weten onder meer

- [belegger 1] (G-006), (inlegger 1), (ongeveer) Euro 40.600,-, althans

enig(e) geldbedrag(en) (op of omstreeks 7 december 2010 en/of 4 februari 2011)

en/of

- [belegger 2] , (G-010), (inlegger 2), (ongeveer) Euro 30.600,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 5 april 2011) en/of

- [belegger 3] , (G-001), (inlegger 3), (ongeveer) Euro 306.000, -, althans

enig geldbedrag (op of omstreeks 8 april 2010) en/of

- [belegger 4] (G-017), (inlegger 4), (ongeveer) Euro 20.400,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 11 januari 2011) en/of

- [belegger 5] (G-005), (inlegger 5), (ongeveer) Euro 20.400,-,

althans enig geldbedrag (op of omstreeks 23 maart 2010),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn/hun mededader(s), met voornoemd

oogmerk - zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (bedoelde personen)

via (een) prospectus(sen) en/of flyer(s) en/of brochure(s) en/of

bijeenkomst(en) en/of telefonisch en/of via internet en/of op een andere

wijze, benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan een of meer

obligatieovereenkomst(en)in het/de fonds(en) [bedrijf 3]

[bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 1] ) en/of [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ) en

daarbij voorgewend dat

-ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd en/of belegd in

(de aankoop en/of verkoop en/of verhuur van) in het prospectus als

referentieobject genoemd(e) (een) vastgoedobject(en)en in Duitsland en/of

-de belegger/inlegger een bedrag investeerde dat jaarlijks gegarandeerd een

bepaald rendement opleverde afkomstig uit de huuropbrengsten en/of

-het rendement per kwartaal tot het einde van de overeenkomst zou worden

ontvangen en/of

- de (totale) fondsinvestering zou worden aangewend voor de aankoop van (het)

onroerend goed in/voor het fonds en/of voor kosten in verband met de aankoop

van (het) onroerend goed en/of in verband met (de oprichting van) het

(obligatie)fonds;

-de inlegger na de looptijd van de obligatielening gegarandeerd de inleg

retour zou ontvangen en/of

-De [stichting 1] , althans een (of meer) Stichting(en), onafhankelijk zou(den)

worden bestuurd, en/of (onafhankelijk) toezicht zou(den) houden op het

aankoopbeleid van de beleggingsfondsen en/of de gelden voor aankoop van het

onroerend goed pas vrij zou(den) geven wanneer aan alle voorwaarden uit de

prospectussen zou zijn voldaan en/of

-(er) zekerhe(i)d(en) was/waren en/of

-(er) zekerhe(i)d(en) zoud(en) worden ondergebracht in de [stichting 1] ,

althans in een (of meer) Stichting(en), waaronder een bankgarantie en/of de

verkrijging van het recht van een eerste hypotheek (AH-003 en/of AH -004),

waardoor bovengenoemde perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot de

(girale) afgifte van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans enig geldbedrag;

Art. 326 jo. 47 Wetboek van Strafrecht

art 326 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

[bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de

periode van 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of

Soest en/of Baarn en/of Amstelveen en/of elders in Nederland en/of Duitsland,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans

alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen,

door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

één of meer personen, heeft/hebben bewogen tot de (girale) afgifte van een of

meer geldbedragen, in totaal (ongeveer) 3.781.600,- (AH 006/AH 008), althans

enig geldbedrag, in elk geval enig goed, te weten onder meer

- [belegger 1] (G-006) (inlegger 1), (ongeveer) 40.600,-, althans enig(e)

geldbedrag(en) (op of omstreeks 7 december 2010 en/of 4 februari 2011) en/of

- [belegger 2] (G-010) (inlegger 2), (ongeveer) 30.600,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 5 april 2011) en/of

- [belegger 3] (G-001) (inlegger 3), (ongeveer) 306.000,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 8 april 2010) en/of

- [belegger 4] (G-017) (inlegger 4), (ongeveer) 20.400,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 11 januari 2011) en/of

- [belegger 5] (G-005) (inlegger 5), (ongeveer) 20.400,-, althans

enig geldbedrag (op of omstreeks 23 maart 2010)

immers heeft/hebben [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV (telkens) met voornoemd oogmerk

zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (bedoelde personen)

via (een) prospectus(sen) en/of flyer(s) en/of brochure(s) en/of

bijeenkomst(en) en/of telefonisch en/of via internet en/of op een andere

wijze, benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan een of meer

obligatieovereenkomst(en) in het/de fonds(en) [bedrijf 1]

[bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ) en/of [bedrijf 2] B.V.

( [bedrijf 2] ) en daarbij voorgewend dat

- ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd en/of belegd

in (de aankoop en/of verkoop en/of verhuur van) in het prospectus als

referentieobject genoemd(e) (een) vastgoedobject(en) in Duitsland en/of

- de belegger/inlegger een bedrag investeerde dat jaarlijks gegarandeerd een

bepaald rendement opleverde afkomstig uit de huuropbrengsten en/of

- het rendement per kwartaal tot het einde van de overeenkomst zou worden

ontvangen en/of

- de (totale) fondsinvestering zou worden aangewend voor de aankoop van (het)

onroerend goed in/voor het fonds en/of voor kosten in verband met de aankoop

van (het) onroerend goed en/of in verband met (de oprichting van) het

(obligatie)fonds;

- de inlegger na de looptijd van de obligatielening gegarandeerd de inleg

retour zou ontvangen en/of

- de [stichting 1] ( [stichting 1] ), althans

een (of meer) stichting(en), onafhankelijk zou(den) worden bestuurd, en/of

onafhankelijk toezicht zou(den) houden op het aankoopbeleid van de

beleggingsfondsen en/of de gelden voor aankoop van het onroerend goed pas

vrij zou(den) geven wanneer aan alle voorwaarden in de prospectussen zou zijn

voldaan en/of

- ( er) zekerhe(i)d(en) was/waren en/of

- er zekerhe(i)d(en) zouden worden ondergebracht in de [stichting 1] , althans

in een (of meer) Stichting(en), waaronder de verkrijging van een bankgarantie

en/of de verkrijging van het recht van een eerste hypotheek (AH-003 en/of

AH-004),

waardoor bovengenoemd(e) perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot de

(girale) afgifte van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans enig(e)

geldbedrag(en)

bij het plegen van welk(e) strafba(a)r(e) feit(en) hij, verdachte, toen en

daar opzettelijk behulpzaam is geweest door als bestuurder van de [stichting 1]

[stichting 1]

gelden van de bankrekening van de Stichting vrij te geven en/of over te maken

aan (de besloten vennootschap) [bedrijf 8] , met

een ander doel dan (zoals in de statuten van de stichting bepaald en/of zoals

in het prospectus van [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV aangegeven) voor de aankoop van

onroerend goed en/of

niet of onvoldoende de belangen heeft behartigd van (de) obligatiehouders

(zoals in de statuten bepaald) en/of

niet of onvoldoende de belangen heeft behartigd van (de) obligatiehouders

(zoals in de statuten bepaald) en/of

niet of onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend op de aanschaf van (het)

onroerend goed en/of de besteding van inleggelden;

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

[stichting 2] en/of (een) aanverwante

rechtsperso(o)n(en), in elk geval een rechtsperso(o)n(en)

op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 september 2011

(eerste inleg) tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of Soest en/of

Baarn en/of Amstelveen en/of elders in Nederland, en/of in Duitsland

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans

alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen,

Door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

één of meer personen, heeft/hebben bewogen tot de (girale) afgifte van een of

meer geldbedragen, in totaal (ongeveer) Euro 1.130.500,- (AH 009), althans

enig geldbedrag, in elk geval enig goed, te weten onder meer

- [belegger 2] (G-010), (inlegger 1), (ongeveer) Euro 51.000,- , althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 7 november 2011) en/of

- [inlegger] (G-011-01), (inlegger 2), (ongeveer) EUro 20.400,-, althans

enig geldbedrag (op of omstreeks 30 december 2011) en/of

- [belegger 6] (G-024), (inlegger 3), (ongeveer) Euro 40.800,-, althans

enig geldbedrag (op of omstreeks 30 september 2011) en/of

- [belegger 7] (G-024), (inlegger 4), (ongeveer) EUro 51.000,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 16 november 2011) en/of

- [belegger 8] (G-004-01), (inlegger 5), (ongeveer) Euro 20.400,-, althans

enig geldbedrag (op of omstreeks 29 september 2011),

immers heeft/hebben de [stichting 2] ,

en/of (een) aanverwante rechtsperso(o)n/en en/of een (of meer) mededader(s),

met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (bedoelde

personen)

via (een) prospectus(sen) en/of flyer(s) en/of brochure(s) en/of

bijeenkomst(en) en/of telefonisch en/of via internet en/of op een andere

wijze benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan een of meer

obligatieovereenkomst(en) in het fonds [bedrijf 3]

[bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ) en daarbij voorgewend dat

-ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd en/of belegd in

(de aankoop en/of verkoop en/of verhuur van) in het fonds [bedrijf 3]

[bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ) (een) vastgoedobjecten in Duitsland

en/of

-de belegger/inlegger een bedrag investeerde dat jaarlijks gegarandeerd een

bepaald rendement opleverde afkomstig uit de huuropbrengsten en/of

-het rendement per kwartaal tot het einde van de overeenkomst zou worden

ontvangen en/of

-de (totale) fondsinvestering zou worden aangewend voor de aankoop van (het)

onroerend goed in/voor het fonds en/of voor kosten in verband met de aankoop

van (het) onroerend goed en/of in verband met (de oprichting van) het

(obligatie)fonds;

-de inlegger na de looptijd van de obligatielening gegarandeerd de inleg

retour zou ontvangen en/of

-De [stichting 2] , althans een (of meer) Stichting(en), onafhankelijk

zou(den) worden bestuurd, en (onafhankelijk) toezicht zou(den) houden op het

aankoopbeleid van de beleggingsfondsen en/of de gelden voor aankoop van het

onroerend goed pas vrij zou(den) geven wanneer aan alle voorwaarden uit de

prospectussen zou zijn voldaan en/of

-door deelname/participatie van [bedrijf 10] BV, althans van de [bedrijf 3]

[bedrijf 3] , in [bedrijf 3] BV met een geldbedrag van 170.000,-

en/of de door [bedrijf 10] BV, althans de door de [bedrijf 3]

[bedrijf 3] te ontvangen couponrente achter te stellen op alle in

het fonds deelnemende obligatiehouders, er een extra zekerheid en/of

financiële buffer aan de obligatiehouders werd zou worden gecreëerd (D-021, p.

45),

waardoor bovengenoemde perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot de

(girale) afgifte van bovengenoemd(e) geldbedrag(en),

zulks terwijl hij, verdachte, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en)

opdracht heeft gegeven en/of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven;

Artikel 326 jo 51 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij, verdachte, op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

9 september 2011 (eerste inleg) tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort

en/of Soest en/of Baaren en/of Amstelveen en/of elders in Nederland, en/if

Duitsland

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans

alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen,

door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

één of meer personen, heeft/hebben bewogen tot de (girale) afgifte van een of

meer geldbedrag(en), in totaal (ongeveer) EUro 1.130.500,- (AH 009), althans

enig geldbedrag, in elk geval enig goed, te weten onder meer

- [belegger 2] (G-010), (inlegger 1), (ongeveer) Euro 51.000,- , althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 7 november 2011) en/of

- [inlegger] (G-011-01), (inlegger 2), (ongeveer) Euro 20.400,-, althans

enig geldbedrag (op of omstreeks 30 december 2011) en/of

- [belegger 6] (G-024), (inlegger 3), (ongeveer) Euro 40.800,-, althans

enig geldbedrag (op of omstreeks 30 september 2011) en/of

- [belegger 7] (G-024), (inlegger 4), (ongeveer) Euro 51.000,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 16 november 2011) en/of

- [belegger 8] (G-004-01), (inlegger 5), (ongeveer) Euro 20.400,-, althans

enig geldbedrag (op of omstreeks 29 september 2011),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), met voornoemd

oogmerk - zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (bedoelde personen)

via (een) prospectus(sen) en/of flyer(s) en/of brochure(s) en/of

bijeenkomst(en) en/of telefonisch en/of via internet en/of op een andere

wijze, benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan een of meer

obligatieovereenkomst(en) in het fonds [bedrijf 3]

[bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ) en daarbij voorgewend dat,

-ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd en/of belegd in

(de aankoop en/of verkoop en/of verhuur van) in het prospectus als

referentieobject genoemd(e) (een) vastgoedobjecten in Duitsland en/of

-de belegger/inlegger een bedrag investeerde dat jaarlijks gegarandeerd een

bepaald rendement opleverde afkomstig uit de huuropbrengsten en/of

-het rendement per kwartaal tot het einde van de overeenkomst zou worden

ontvangen en/of

- de (totale) fondsinvestering zou worden aangewend voor de aankoop van (het)

onroerend goed in/voor het fonds en/of voor kosten in verband met de aankoop

van (het) onroerend goed en/of in verband met (de oprichting van) het

(obligatie)fonds en/of

-de inlegger na de looptijd van de obligatielening gegarandeerd de inleg

retour zou ontvangen en/of

-De [stichting 2] , althans een (of meer) Stichting(en), onafhankelijk zou(den)

worden bestuurd, en (onafhankelijk) toezicht zou(den) houden op het

aankoopbeleid van de beleggingsfondsen en/of de gelden voor aankoop van het

onroerend goed pas vrij zou(den) geven wanneer aan alle voorwaarden uit de

prospectussen zou zijn voldaan en/of

-door deelname/participatie van [bedrijf 10] BV, althans van de [bedrijf 3]

[bedrijf 3] , in [bedrijf 3] BV met een geldbedrag van 170.000,-

en/of de door [bedrijf 10] BV, althans de door de [bedrijf 3]

[bedrijf 3] te ontvangen couponrente achter te stellen op alle in

het fonds deelnemende obligatiehouders, er een extra zekerheid en/of

financiële buffer aan de obligatiehouders werd zou worden gecreëerd (D-021, p.

45),

waardoor bovengenoemde perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot de

(girale) afgifte van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans enig geldbedrag;

Artikel 326 jo. 47 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

[bedrijf 3] BV op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9

september 2011 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of Soest en/of

Baarn en/of Amstelveen en/of elders in Nederland en/of in Duitsland,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans

alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen,

door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

één of meer personen, heeft/hebben bewogen tot de (girale) afgifte van een of

meer geldbedragen, in totaal (ongeveer) 1.130.500,- (AH 009), althans enig

geldbedrag, in elk geval enig goed, te weten onder meer

- [belegger 2] (G-010) (inlegger 1), (ongeveer) 51.000,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 7 november 2011) en/of

- [inlegger] (G-011-01) (inlegger 2), (ongeveer) 20.400,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 30 december 2011) en/of

- [belegger 6] (G-024) (inlegger 3), (ongeveer) 40.800,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 30 september 2011) en/of

- [belegger 7] (G-024 (inlegger 4), (ongeveer) 51.000,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 16 november 2011) en/of

- [belegger 8] (G-004-01) (inlegger 5), (ongeveer) 20.400,-, althans enig

geldbedrag (op of omstreeks 29 september 2011)

immers heeft [bedrijf 3] BV (telkens) met voornoemd oogmerk zakelijk

weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid (bedoelde personen)

via (een) prospectus(sen) en/of flyer(s) en/of brochure(s) en/of

bijeenkomst(en) en/of telefonisch en/of via internet en/of op een andere

wijze, benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan een of meer

obligatieovereenkomst(en) in het fonds [bedrijf 3]

[bedrijf 3] BV en daarbij voorgewend dat

- ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd en/of belegd in

(de aankoop en/of verkoop en/of verhuur van) in het prospectus als

referentieobject genoemd(e) (een) vastgoedobject(en) in Duitsland en/of

- de belegger/inlegger een bedrag investeerde dat jaarlijks gegarandeerd een

bepaald rendement opleverde afkomstig uit de huuropbrengsten en/of

het rendement per kwartaal tot het einde van de overeenkomst zou worden

ontvangen en/of

- de (totale) fondsinvestering zou worden aangewend voor de aankoop van (het)

onroerend goed in/voor het fonds en/of voor kosten in verband met de aankoop

van (het) onroerend goed en/of in verband met (de oprichting van) het

(obligatie)fonds;

- de inlegger na de looptijd van de obligatielening gegarandeerd de inleg

retour zou ontvangen en/of

- de [stichting 2] , althans een (of meer) Stichting(en), onafhankelijk

zou(den) worden bestuurd, en/of (onafhankelijk )toezicht zou(den) houden op

het aankoopbeleid van de beleggingsfondsen en/of de gelden voor aankoop van

het onroerend goed pas vrij zou(den) geven wanneer aan alle voorwaarden in de

prospectussen zou zijn voldaan en/of

- ( er) zekerhe(i)d(en) was/waren en/of

- er zekerhe(i)d(en) zouden worden ondergebracht in de [stichting 2] , althans

in een (of meer) Stichting(en), waaronder de verkrijging van een bankgarantie

en/of de verkrijging van het recht van een eerste hypotheek en/of

- door deelname/participatie van [bedrijf 10] BV met een geldbedrag van

170.000,- en/of de door [bedrijf 10] BV, althans de door de [bedrijf 3]

[bedrijf 3] te ontvangen couponrente achter te stellen op alle

in het fonds deelnemende obligatiehouders, er een extra zekerheid en/of

financiële buffer aan de aandeelhouders werd/zou worden gecreëerd (D-021,

p.45),

waardoor bovengenoemd(e) perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot de

(girale) afgifte van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans enig(e)

geldbedrag(en)

bij het plegen van welk(e) strafba(a)r(e) feit(en) hij, verdachte, toen en

daar opzettelijk behulpzaam is geweest door als bestuurder van de [stichting 2]

[stichting 2]

gelden van de bankrekening van de Stichting vrij te geven en/of over te maken

aan (de besloten vennootschap) [bedrijf 3] , met

een ander doel dan (zoals in de statuten van de stichting bepaald en/of zoals

in het prospectus van [bedrijf 3] BV aangegeven) voor de aankoop van onroerend

goed en/of

niet of onvoldoende de belangen heeft behartigd van (de) obligatiehouders

(zoals in de statuten bepaald) en/of

niet of onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend op de aanschaf van (het)

onroerend goed en/of de besteding van inleggelden;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Hij, op een of meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 1

januari 2010 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of Soest en/of

Baarn en/of Amstelveen en/of elders in Nederland en/of Duitsland, (telkens)

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans een of meer

perso(o)n(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte

heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders

(telkens) meermalen van (een) voorwerp(en) te weten

(een of meerdere) geldbedrag(en), tot een totaal van Euro 4.912.100,- (Euro

3.781.600,- (AH 006/AH 008) + Euro 1.130.500,- (AH 009)),

althans enig(e) geldbedrag(en), de werkelijke aard, herkomst, de vindplaats,

de vervreemding of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of voornoemd(e)

voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of

omgezet en/of gebruik van gemaakt terwijl hij, verdachte en/of zijn

mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Artikel 420ter/420bis lid 1 sub a en b jo artikel 47 lid 1 Wetboek van

Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsoverwegingen voorkomen, verwijzen -voor zover niet anders vermeld- naar de schriftelijke stukken die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD Belastingdienst kantoor Utrecht, dossiernummer 49503, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en hulpofficier van justitie [verbalisant 3] .

3 D-007, p. 2527 en D-008, p. 2531.

4 D-230, p. 3207 en D-452, p. 3545.

5 D-019, p. 2589 en D-020, p. 2724; D-592, p. 4153.

6 D-591, p. 4152.

7 D-590, p. 4151.

8 D-019, p. 2589; D-456, p. 3550.

9 D-019, p. 2589 en D-020, p. 2724.

10 D-593, p. 4154.

11 D-593, p. 4154.

12 V013-01, p. 2066; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 september 2015.

13 D-589, p. 4148.

14 D-021, p. 2823.

15 D-589, p. 4148.

16 D-589, p. 4150.

17 D-027, p. 2911.

18 D-016, p. 2562.

19 D-015, p. 2558.

20 D-444, p. 3535 en 3536.

21 D-445, p. 3537.

22 D-021, p. 2821.

23 D-588, p. 4147.

24 D-021, p. 2824.

25 D-588, p. 4147.

26 V013-01, p. 2066; De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting d.d. 29 september 2015.

27 G19-001, p. 2411.

28 Verklaring getuige [getuige 2] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 1 december 2014, p. 3.

29 V17-001, p. 2152.

30 D-1456, p. 8570 & AH-045, p. 776 & AH-055, p. 850.

31 V17-001, p. 2152.

32 G19-001, p. 2412.

33 G19-001, p. 2412.

34 De verklaring van getuige [getuige 3] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 26 augustus 2015, p. 11.

35 Verklaring getuige [getuige 4] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 20 augustus 2015, p. 5.

36 Verklaring getuige [getuige 4] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 20 augustus 2015, p. 6.

37 V013-01, p. 2069.

38 V013-02, p. 2079

39 V013-01, p. 2069.

40 De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 september 2015.

41 G19-001, p. 2413.

42 Verklaring getuige [getuige 4] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 20 augustus 2015, p. 4.

43 G19-001, p. 2413.

44 Verklaring getuige [getuige 2] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 1 december 2014, p. 3.

45 V17-001, p. 2152.

46 G19-001, p. 2413.

47 Verklaring getuige [getuige 2] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 1 december 2014, p. 5; De verklaring van [medeverdachte 1] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 12 februari 2015, p. 6.

48 G-011-01, p. 2366.

49 V25-02, p. 2269.

50 De verklaring van [medeverdachte 3] afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 2 december 2014, p. 13.

51 V25-02, p. 2270.

52 De verklaring van [medeverdachte 3] afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 2 december 2014, p. 12.

53 G19-001, p. 2413; D-588, p. 4147; V013-01, p. 2066.

54 V013-02, p. 2079

55 De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting d.d. 29 september 2015.

56 D-019, p. 2578.

57 D-019, p. 2579.

58 D-019, p. 2580

59 D-019, p. 2582

60 D-019, p. 2582

61 D-019, p. 2579 & p. 2580.

62 D-019, p. 2579.

63 D-019, p. 2580.

64 D-019, p. 2581.

65 D-019, p. 2582.

66 D-019, p. 2589 & p. 2591

67 D-019, p. 2590.

68 D-019, p. 2592.

69 D-020, p. 2720.

70 D-020, p. 2720 & p. 2726.

71 D-020, p. 2721.

72 D-020, p. 2723 & p. 2731.

73 D-020, p. 2723.

74 D-020, p. 2725 & p. 2721 & p. 2732.

75 D-020, p. 2736.

76 D-021, p. 2817.

77 D-021, p. 2821 & p. 2826.

78 D-021, p. 2827.

79 D-021, p. 2822.

80 D-021, p. 2823.

81 D-021, p. 2824 & p. 2826 & p. 2829.

82 D-021, p. 2831.

83 D-021, p. 2836.

84 D-021, p. 2838.

85 AH-017, p. 562; AH-006, p. 324..

86 AH-006, p. 328; D-029 t/m D-034, p. 2916 t/m 2921.

87 D-988, p. 7136.

88 V12-01, p. 2034.

89 D-035, p. 2923.

90 AH-006, p. 331; D-030, p. 2917.

91 D-040, p. 2929.

92 AH-006, p. 330; D-029 t/m D-034, p. 2916 t/m 2921.

93 D-035, p. 2922.

94 AH-006, p. 364.

95 D-035, p. 2923.

96 D-036, p. 2924.

97 D-036, p. 2925.

98 D-248, p. 3241.

99 D-498, p. 3758.

100 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 september 2015.

101 AH-006, p. 363; D-035 t/m D-039, p. 2922 t/m 2928.

102 AH-006, p. 386; D-186 t/m D-188, p. p. 3150 t/m p. 3152.

103 AH-006, p. 386, D-189, p. 3153.

104 AH-179, p. 1353.

105 V12-01, p. 2032.

106 AH-017, p. 562; AH-008, p. 397.

107 AH-008, p. 398.

108 D-085, p. 2998.

109 AH-008, p. 399.

110 AH-006, p. 386; D-186 t/m D-188, p. p. 3150 t/m p. 3152; AH-179, p. 1353; D-098, p. 3011.

111 AH-179, p. 1353.

112 AH-179, p. 1353; de verklaring van getuige [getuige 5] , afgelegd ter terechtzitting d.d. 29 september 2015.

113 OPV-1, p. 72.

114 AH-017, p. 563; AH-009, p. 444.

115 AH-009, p. 444; D-152 e.v., p. 3104.

116 AH-009, p. 447 & p. 448.

117 AH-009, p. 450.

118 G-006, p. 2354.

119 G-006, p. 2355.

120 G-006, p. 2357.

121 G-010, p. 2360.

122 G-010, p. 2361.

123 De verklaring van getuige [belegger 2] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 12 januari 2015, p. 6.

124 G-001, p. 2320.

125 G-001, p. 2321.

126 G-001, p. 2321; de verklaring van getuige [belegger 3] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d.10 februari 2015, p. 7.

127 G-017, p. 2401.

128 G-017, p. 2401.

129 G-005, p. 2350.

130 De verklaring van [belegger 5] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 7 januari 2015, p. 5.

131 De verklaring van [belegger 5] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 7 januari 2015, p. 6.

132 G-010, p. 2361.

133 De verklaring van getuige [belegger 2] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 12 januari 2015, p. 7.

134 De verklaring van getuige [belegger 2] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 12 januari 2015, p. 6.

135 G-011-01, p. 2366.

136 G-011-01, p. 2367.

137 G-012, p. 2375.

138 D-152, p. 3104.

139 D-152, p. 3105.

140 D-183, p. 3147; G-024, p. 2463.

141 De verklaring van [belegger 7] d.d.6 januari 2015, p. 7.

142 G004-01, p. 2342.

143 G004-01, p. 2343; D-152, p. 3104.

144 G004-01, p. 2344.