Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8803

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
14-12-2015
Zaaknummer
4581264 UE VERZ 15-543 LvdH/1470
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestaat er een recht op transitievergoeding bij een beëindigingsovereenkomst “op initiatief van de werkgever”?

Mededelingsplicht werkgever bij mogelijk recht op transitievergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Burgerlijk Wetboek Boek 7 673
Burgerlijk Wetboek Boek 7 900
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1253
Prg. 2016/31
AR 2015/2521
JAR 2016/25
RAR 2016/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4581264 UE VERZ 15-543 LvdH/1470

Beschikking van 11 december 2015 (bij vervroeging)

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. T.A. Timmermans,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

Timing Uitzendteam B.V.,

gevestigd te Ede,

verder ook te noemen Timing,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. A.E.B. de Hollander.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met 3 producties, ingekomen op 6 november 2015;

  • -

    de mondelinge behandeling op 2 december 2015, waarvan aantekening is gehouden;

  • -

    de pleitnota van mr. De Hollander.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [1978] , is op 8 augustus 2012 in dienst van (de rechtsvoorganger van) Timing getreden in de functie van productiemedewerker. Het laatstgenoten brutoloon bedroeg € 2.200,00 per maand, op basis van een dienstverband van 40 uren per week.

2.2.

Timing en [verzoeker] hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten, welke is ondertekend op 20 juli 2015, waarin onder meer – voor zover relevant – de volgende bepalingen zijn opgenomen:

“…

nemen in aanmerking dat:

c) Op 29 juni 2015 hebben werkgever en werknemer gezamenlijk te kennen hebben gegeven dat zij voornemens zijn het dienstverband per 29 september 2015 niet voort te zetten. Reden hiervoor is het verschil in inzicht ten aanzien van samenwerking tussen werknemer en werkgever. Eén en ander is met werknemer meerdere malen besproken en partijen hebben in onderling overleg besloten het dienstverband niet voort te zetten.

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Beëindiging

Partijen beëindigen de arbeidsovereenkomst met ingang van 29 september. Op initiatief van

werkgever, waarbij geen sprake is van dringende redenen.

Artikel 6. Finale kwijting

Na uitvoering van bovenstaande afspraken verklaren partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben op basis van de (beëindiging van de) arbeidsovereenkomst en verlenen zij elkaar met betrekking tot de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan over een weer algehele en finale kwijting.

Artikel 7. Ontbinding

Ingevolge artikel 7:670b BW heeft werknemer het recht onderhavige overeenkomst binnen 14 dagen na totstandkoming daarvan middels een schriftelijke aan de werkgever gerichte verklaring te ontbinden.

…”

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter hem een transitievergoeding, zoals bepaald in artikel 7:673 BW, toe te kennen. Hij legt aan dit verzoek twee redenen ten grondslag. Allereerst stelt [verzoeker] dat Timing op grond van artikel 7:673 BW aan hem een transitievergoeding verschuldigd is, nu de arbeidsovereenkomst feitelijk door de werkgever is opgezegd, hetgeen volgt uit artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst. Ten tweede stelt [verzoeker] dat er voor de werkgever op grond van goed werkgeverschap, zoals neergelegd in artikel 7:611 BW, op een werkgever een verplichting rust een werknemer te wijzen op diens recht op een transitievergoeding.

3.2.

Timing voert gemotiveerd verweer, waarop in het navolgende voor zover nodig voor de beslissing zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Kern van de zaak is het antwoord op de vraag of Timing moet worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding. Een dergelijk verzoek behoort volgens artikel 7:686a lid 3 BW, te worden ingeleid met een verzoekschrift.

Artikel 262 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat in zaken die worden ingeleid met een verzoekschrift, de rechter van de woonplaats van verzoeker bevoegd is van het verzoekschrift kennis te nemen. Nu [verzoeker] woonachtig is in [woonplaats] , is de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, bevoegd.

4.2.

[verzoeker] heeft het verzoekschrift tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 4 sub b BW).

Transitievergoeding op grond van artikel 7:673 BW

4.3.

De eerste grondslag van het verzoek van [verzoeker] is dat Timing op grond van artikel 7:673 BW een transitievergoeding aan hem verschuldigd is, nu uit de tussen partijen gesloten overeenkomst feitelijk blijkt dat het initiatief tot opzegging van de arbeidsovereenkomst bij de werkgever lag. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

4.4.

Al voor de datum van inwerkingtreding van de verschillende bepalingen van de Wet Werk en Zekerheid, bestond de mogelijkheid dat werkgever en werknemer kwamen tot een beëindiging van een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Door partijen werden de afspraken hierover dan vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst (een vaststellings- of beëindigingsovereenkomst). In artikel 7:670b BW is hierover één en ander bepaald.

Na 1 juli 2015 bestaat tevens de mogelijkheid dat de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt en dat de werknemer hiermee schriftelijk instemt. Tussen deze beide varianten zit een belangrijk juridisch verschil, namelijk dat bij de beëindiging met wederzijds goedvinden de werkgever aan de werknemer in beginsel geen transitievergoeding verschuldigd is en bij de opzegging door de werkgever met instemming van de werknemer wel.

4.5.

Gelet op de stellingen van [verzoeker] , gaat de kantonrechter ervan uit dat hij zich op het standpunt stelt dat de arbeidsovereenkomst tussen hem en Timing feitelijk is opgezegd door Timing en dat [verzoeker] , blijkens de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst, hiermee schriftelijk heeft ingestemd en hij derhalve aanspraak kan maken op een transitievergoeding.

4.6.

De kantonrechter overweegt als volgt.

De benaming en de vormgeving van de tussen partijen gesloten overeenkomst wijzen er, in elk geval op het eerste gezicht, op dat het om een vaststellingsovereenkomst gaat en niet om een opzegging door de werkgever, waarmee door ondertekening van de overeenkomst, door de werknemer is ingestemd. Dit blijkt ook uit de bepaling waarbij partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen ten aanzien van al hetgeen zij op basis van de (beëindiging van de arbeidsovereenkomst te vorderen hebben (zie hiervoor onder 2.2.) In de overeenkomst wordt daarnaast ook nog verwezen naar de bepaling van artikel 7:900 BW (vaststellingsovereenkomst).

Verder heeft Timing tijdens mondelinge behandeling aangegeven dat zij het dienstverband met [verzoeker] wenste voort te zetten, hetgeen door [verzoeker] niet is weersproken. Volgens de werkgever was het [verzoeker] die weg wilde bij Timing om een eigen kapperszaak te beginnen. Deze stelling van werkgever is vervolgens door [verzoeker] niet voldoende gemotiveerd weerlegd, waaruit de kantonrechter afleidt dat [verzoeker] mede heeft aangestuurd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit oordeel wordt nog versterkt door het feit dat [verzoeker] reeds elders had gesolliciteerd.

Tot slot blijkt uit de considerans van de vaststellingsovereenkomst onder c (zie hiervoor onder 2.2.) dat partijen gezamenlijk te kennen hebben gegeven voornemens te zijn het dienstverband niet voort te zetten. De zinsnede in artikel 1 van de overeenkomst (zie hiervoor eveneens onder 2.2.), dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd op initiatief van de werkgever maakt dit oordeel niet anders. Timing heeft hiertegen immers aangevoerd dat deze zin in de overeenkomst is opgenomen omdat beide partijen wensten het recht op een WW-uitkering voor [verzoeker] veilig te stellen. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter een plausibele verklaring, nu het de kantonrechter ook ambtshalve bekend is dat een dergelijke bepaling vaker in vaststellingsovereenkomsten wordt opgenomen ten behoeve van het veiligstellen van het recht op WW-uitkering voor werknemers.

4.7.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat er tussen partijen sprake is geweest van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en is Timing daarom in beginsel geen transitievergoeding verschuldigd, zoals ook blijkt uit Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, pagina 103.

4.8.

Het stond partijen uiteraard vrij om ook bij een beëindiging met wederzijds goedvinden te onderhandelen over een eventuele transitievergoeding. Dit is echter niet gebeurd. Beide partijen hebben immers aangegeven dat er niet is gesproken over enige financiële vergoeding van Timing aan [verzoeker] .

Transitievergoeding op grond van artikel 7:611 BW

4.9.

De kantonrechter komt vervolgens toe aan de beoordeling van de tweede grondslag van het verzoek van [verzoeker] , namelijk het antwoord op vraag of er op Timing een mededelingsplicht rustte, op grond van artikel 7:611 BW, om een werknemer te wijzen op z’n mogelijke aanspraak op een transitievergoeding.

4.10.

De Wet Werk en Zekerheid is zeer recent in werking getreden. Daarin zijn ten behoeve van de werknemer door de wetgever bewust verschillende mededelingsplichten voor de werkgever geschapen. Geen daarvan ziet op een algemene spreekplicht voor de werkgever om bij de onderhandelingen omtrent het einde van de arbeidsovereenkomst te wijzen op de mogelijke aanspraak op een transitievergoeding. Bezien tegen die achtergrond valt niet makkelijk aan te nemen dat op de voet van artikel 7:611 BW een algemene mededelingsplicht ten aanzien van de transitievergoeding kan worden gebaseerd.

Iedere werknemer heeft immers thans 14 dagen dan wel 21 dagen bedenktijd en dat is voldoende tijd om als werknemer informatie in te winnen over de rechten en plichten bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de financiële voorwaarden daarbij. Dit gold dus ook voor [verzoeker] . De omstandigheid dat [verzoeker] zegt de Nederlandse taal onvoldoende te beheersen en snel te hebben moeten tekenen is onvoldoende feitelijk onderbouwd.

Dat er sprake is van dwang, dwaling of misbruik van omstandigheden is onvoldoende gesteld of gebleken.

4.11.

Het verzoek van [verzoeker] zal dus worden afgewezen.

4.12.

[verzoeker] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten van Timing. Deze kosten worden, tot deze beschikking, begroot op € 600,-- aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzoek van [verzoeker] af;

5.2.

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Timing, tot deze beschikking begroot op € 600,-- aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 december 2015.