Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8783

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
C/16/393100 / KG ZA 15-363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot afgifte van stukken of inzage daarin afgewezen, omdat niet aan alle voorwaarden zoals genoemd in artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is voldaan.

Niet gebleken is dat eiser in dit stadium een rechtmatig belang heeft bij deze stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/393100 / KG ZA 15-363

Vonnis in kort geding van 9 december 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.L.G.M. Verwiel,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,

2. de naamloze vennootschap

[gedaagde sub 2] N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 4] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,

gedaagden,
hierna gezamenlijk aan te duiden als: [eisers c.s.] ,

advocaten mrs. E.S. de Bock en N.T. Dempsey.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,
    - de producties 1 tot en met 30 van [eiser] ,
    - de producties 1 tot en met 7 van [eisers c.s.] ,

  • -

    de mondelinge behandeling van 25 november 2015,

  • -

    de wijziging van eis van [eiser] ,

  • -

    de pleitnota van [eiser] ,
    - de pleitnota van [eisers c.s.]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 8 november 1999 in dienst getreden bij [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). Hij heeft bij deze werkgever diverse functies bekleed, waaronder laatstelijk (tot 1 mei 2014) die van directeur [vervoerder 1] B.V. (hierna: [vervoerder 1] ) In de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijf] is een geheimhoudingsbeding en non-concurrentiebeding opgenomen.

2.2.

De provincie Limburg heeft op 26 juni 2014 een openbare aanbesteding uitgeschreven voor het openbaar vervoer in de provincie Limburg voor de periode van
2016 tot 2031 (hierna: de aanbesteding). Inschrijvers dienden uiterlijk op 3 november 2014 hun inschrijving in te dienen. Op het moment van het uitschrijven van deze aanbesteding verzorgde [vervoerder 1] op basis van een aan haar verleende concessie het openbaar vervoer in Limburg. [vervoerder 1] was met andere woorden de zittende concessiehoudster.

2.3.

Eind 2013 begin 2014 is [eiser] door [gedaagde sub 2] benaderd om bij [gedaagde sub 1] te komen werken. Tijdens het gesprek is ter sprake gekomen dat [eiser] een non-concurrentiebeding met een geldigheidsduur van één jaar had.
[gedaagde sub 2] heeft advies bij een juridisch medewerker en een extern advocatenkantoor ingewonnen over de geldigheid en werking van dit non-concurrentiebeding.

2.4.

[eiser] heeft vervolgens overeenstemming met [gedaagde sub 1] bereikt over het sluiten van een arbeidsovereenkomst ingaande op 1 mei 2015. Daarnaast heeft [eiser] met [gedaagde sub 1] afgesproken dat hij voorafgaand aan zijn indiensttreding bij [gedaagde sub 1] gedurende een periode van een jaar, ingaande 1 mei 2014 en eindigende op 1 mei 2015, met tussenkomst van adviesbureau [adviesbureau] (hierna: [adviesbureau] ) onder meer werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde sub 1] zou verrichten. Daartoe heeft:
- [gedaagde sub 1] voor de periode van 1 mei 2014 tot 1 mei 2015 met [adviesbureau] een overeenkomst van
opdracht (een adviesovereenkomst) gesloten, op basis waarvan zij [eiser] bij [adviesbureau]
inhuurde voor het ten behoeve van haar verrichten van werkzaamheden,
- [eiser] voor de periode van 1 mei 2014 tot 1 mei 2015 met [adviesbureau] een
arbeidsovereenkomst gesloten, op grond waarvan hij werd uitgeleend aan derden, onder
wie [gedaagde sub 1] .
heeft [eiser] vanaf 1 mei 2014 ook daadwerkelijk via [adviesbureau] ingehuurd. De door [eiser] ten behoeve van [gedaagde sub 1] te verrichten werkzaamheden bestonden, onder andere, uit het deelnemen aan overleggen over de aanbesteding.

2.5.

[gedaagde sub 3] , onderdeel uitmakend van [gedaagde sub 2] , heeft op 3 november 2014 haar inschrijving (offerte) ingediend voor de aanbesteding. Deze inschrijving is voorbereid door medewerkers van [gedaagde sub 1] , welk bedrijf ook tot de [gedaagde sub 2] behoort. Een op basis van deze inschrijving te verwerven concessie zou door [gedaagde sub 1] worden uitgevoerd.

Verder hebben op deze aanbesteding ingeschreven [vervoerder 2] B.V. (hierna: [vervoerder 2] ) en een combinatie van [vervoerder 1] en [vervoerder 1] N.V.
(hierna: de combinatie [vervoerder 1] ).
Op 10 februari 2015 heeft de provincie Limburg aan deze inschrijvers bericht dat zij voornemens is om de concessie voorlopig aan [gedaagde sub 3] te gunnen.
Vervolgens heeft de provincie Limburg de concessie op 10 maart 2015 definitief aan [gedaagde sub 3] gegund. [vervoerder 2] en de combinatie [vervoerder 1] hebben daartegen bezwaar gemaakt. De provincie Limburg heeft op 2 juni 2015 de gunning aan [gedaagde sub 3] ingetrokken en de concessie aan [vervoerder 2] gegund.

2.6.

[vervoerder 3] (hierna: [vervoerder 3] ) heeft op 15 februari 2015 een intern compliance onderzoek (hierna: het intern compliance onderzoek) laten verrichten naar mogelijke onregelmatigheden bij de voorbereiding van de aanbesteding inzake de concessie betreffende het openbaar vervoer in Limburg.
Aanleiding voor dit onderzoek was de door de combinatie [vervoerder 1] op 5 september 2014 bij de Autoriteit Consument Autoriteit (ACM) ingediende klacht tegen [vervoerder 3] . Tijdens deze klachtprocedure zijn e-mails van [vervoerder 3] aangetroffen die vragen opriepen over de rolzuiverheid
die [vervoerder 3] in de zomer van 2014 had betracht in de aanloop naar de aanbesteding.

2.7.

[vervoerder 3] heeft vervolgens op 19 maart 2015 haar huisadvocaat, [naam] (hierna in navolging van partijen: [naam] ), verzocht om een onderzoek in te stellen naar deze mogelijke onregelmatigheden. [vervoerder 3] heeft [naam] daarbij meer specifiek verzocht om een objectief en onafhankelijk beeld te geven van de feitelijke gang van zaken rondom de mogelijke onregelmatigheden met betrekking tot:
a) de indiensttreding van [eiser] bij [gedaagde sub 1] ,
b) het delen van informatie van [vervoerder 1] door [eiser] met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] .

2.8.

[naam] heeft een onderzoek ingesteld en heeft in het kader van dit onderzoek diverse documenten onderzocht, waarvan vijfendertig met betrekking tot informatiedeling door [eiser] , tweeëntwintig documenten met betrekking tot aanstellingsdocumentatie van [eiser] , en negen overige documenten met betrekking tot informatiedeling. Ook heeft
[naam] tien personen geïnterviewd.

2.9.

[naam] heeft vervolgens op 28 april 2015 een voorlopig rapport van bevindingen uitgebracht (hierna: het voorlopig rapport). Op het voorblad van dit rapport is vermeld dat nader onderzoek nog plaatsvindt en dat nadere onderzoekshandelingen aanleiding kunnen geven tot het bekend worden van andere feiten of omstandigheden dan die waarop het rapport is gebaseerd.

2.10.

[vervoerder 3] heeft dit voorlopige rapport van [naam] nog op dezelfde dag (28 april 2015) op haar website gepubliceerd.

2.11.

Bij brief van 28 april 2015 heeft [gedaagde sub 1] aan [eiser] – zakelijk weergegeven – bericht dat de tenuitvoerlegging van de adviesovereenkomst met [adviesbureau] met onmiddellijke ingang wordt opgeschort, vanwege mogelijke betrokkenheid van [eiser] bij onregelmatigheden bij de voorbereiding van de aanbesteding van het openbaar vervoer in de provincie Limburg voor de periode 2016-2031.

Zij heeft [eiser] er daarbij op gewezen dat hij zijn werkzaamheden voor [gedaagde sub 1] per onmiddellijke ingang moet staken en dat hij er rekening mee moet houden dat [gedaagde sub 1] de arbeidsovereenkomst met [eiser] zal vernietigen of opzeggen vanwege een dringende reden.

2.12.

Op 1 mei 2015 heeft de Raad van Commissarissen van [vervoerder 3] namens [vervoerder 3] [naam] opdracht gegeven specifiek aanvullend onderzoek te doen naar de mogelijke betrokkenheid van de Raad van Bestuur van [vervoerder 3] (RvB).

[naam] heeft ter uitvoering van dit verzoek onderzoek gedaan naar:
a) eventuele betrokkenheid van de RvB bij en wetenschap van de RvB van de mogelijke
onregelmatigheden waarnaar in het kader van het voorlopig rapport onderzoek is gedaan,
b) eventuele (pogingen tot) beïnvloeding door de RvB van het onderzoek.

2.13.

Bij brief en e-mail van 1 mei 2015 heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde sub 1] aan
[eiser] bericht – samengevat – dat het vermoeden bestaat dat sprake is van een dringende reden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] met onmiddellijke ingang kan worden opgezegd en dat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld om op 6 of 7 mei 2015 hierover te worden gehoord.

2.14.

[eiser] heeft hierop bij e-mail van 4 mei 2015 gereageerd en heeft daarbij
– kort gezegd – aangegeven dat een hoor- en wederhoor gesprek pas zinvol is wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan. Zo dient volgens [eiser] – samengevat – de volgende voorwaarden in acht te worden genomen:
- het onderzoek moet definitief zijn afgerond,
- er dient in opdracht van [gedaagde sub 1] een objectief en onafhankelijk onderzoek te
worden verricht,
- de bij het voorlopige rapport behorende onderliggende stukken dienen aan [eiser]
te worden verstrekt,
- het vermoeden dat [eiser] betrokken is bij onregelmatigheden en dat sprake is van een
dringende reden dient voldoende te worden geconcretiseerd.

2.15.

Bij brief van 8 mei 2015 heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde sub 1] [eiser] op staande voet ontslagen. Dit ontslag wordt in deze brief als volgt gemotiveerd:

“(…) Uit het op 28 april jl. gepubliceerde rapport van bevindingen blijkt dat u betrokken bent geweest bij de in het rapport beschreven onderzochte onregelmatigheden.

Uit het rapport blijkt dat deze onregelmatigheden betrekking hebben op:

a) uw indiensttreding als voormalig medewerker van [vervoerder 1] B.V. (“[vervoerder 1]”) bij
achtereenvolgens een extern adviesbureau (tot 1 mei 2015) en daarna [gedaagde sub 1] (vanaf 1 mei
2015); en
b) deling van kennis over [vervoerder 1] door u met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] B.V. (“[gedaagde sub 3]
”)

een en ander in het licht van de voorbereiding door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] (…) op de inschrijving op de Aanbesteding.

Als concessiedirecteur bij [vervoerder 1] B.V. (…) in Limburg beschikte u, ten tijde van de onderzochte gebeurtenissen, over ruime kennis over [vervoerder 1] . Onder andere om dergelijke kennis te beschermen had [vervoerder 1] daarom met u een non-concurrentiebeding en een geheimhoudingsbeding afgesproken.

Het non-concurrentiebeding heeft u er echter niet van weerhouden om met [gedaagde sub 1] in januari 2014 te spreken over een mogelijke aanstelling. Sterker nog, in een poging het non-concurrentiebeding te omzeilen is er een heimelijk constructie bedacht voor de duur van uw concurrentiebeding. U hebt daarmee willens en wetens geprobeerd het non-concurrentiebeding te omzeilen.
Niet alleen hebt u geprobeerd het non-concurrentiebeding te omzeilen, u hebt ook daadwerkelijk kennis over [vervoerder 1] met medewerkers van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] gedeeld. U hebt daarmee ook uw geheimhoudingsbeding overtreden. U hebt op onoorbare wijze financieel geprofiteerd van de door u opgedane kennis over [vervoerder 1] .
Dit alles is des te ernstiger nu deze kennisdeling heeft plaatsgevonden in de aanloop naar de Aanbesteding. Ongeacht of de door u gedeelde kennis over [vervoerder 1] daadwerkelijk is gebruikt in (de voorbereiding van) de Aanbesteding heeft uw handelen grote mededingsrechtelijke en aanbestedingsrechtelijke risico’s met zich meegebracht. Uw handelen heeft daarnaast ernstige reputationele schade toegebracht aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] .
(…)
Bovenstaande feiten, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, worden aangemerkt als een dringende reden. Op grond van die dringende reden zegt [gedaagde sub 1] de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op.”.

2.16.

[gedaagde sub 1] heeft op 5 juni 2015 een verzoekschrift tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiser] bij de kantonrechter van deze rechtbank ingediend.
De mondelinge behandeling van dit verzoekschrift staat op dit moment gepland op
14 december 2015.

2.17.

Op 18 augustus 2015 heeft [naam] haar onderzoek inhoudelijk afgerond en een (concept) definitief rapport uitgebracht. Op 2 november 2015 heeft zij haar definitief rapport van bevindingen (hierna: het definitief rapport) uitgebracht. Dit rapport wijkt blijkens het voorblad behoudens enkele aanpassingen in spelling en opmaak niet af van haar eerder op 18 augustus 2015 uitgebrachte rapport.

2.18.

[eiser] kan zich niet vinden in het aan hem gegeven ontslag op staande voet en heeft een bodemprocedure bij de kantonrechter van deze rechtbank aanhangig gemaakt waarin hij dit ontslag aanvecht. Hij heeft daartoe op 6 november 2015 een dagvaarding
aan [gedaagde sub 1] laten betekenen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eisers c.s.] , voor zover mogelijk hoofdelijk, wordt veroordeeld om – samengevat –:
primair aan [eiser] ter beschikking te stellen en subsidiair aan [eiser] en/of zijn advocaat inzage te verlenen in, de bescheiden zoals vermeld in de als productie 16 overgelegde lijst, zoals aangevuld ter zitting en meer specifiek:
1. productie 14, 18 en 30 bij bijlage 1 van het voorlopig rapport van [naam] van
28 april 2015,

2. de verklaringen die, in het kader van het onderzoek door de [naam] , welk onderzoek
heeft geleid tot het voorlopig rapport van 28 april 2015, zijn afgelegd door:
- de drie bestuurders van [gedaagde sub 1] ( [A] , [B] en [C] ),
- “de medewerker van [vervoerder 3] ” ( [D] ) aangaande de contacten met [eiser] ,
- zes andere medewerkers van [vervoerder 3] / [gedaagde sub 3] / [gedaagde sub 1] ,

3. de notulen, de conceptnotulen en de definitieve notulen van de bestuursvergadering van
[gedaagde sub 3] van 14 januari 2014,
4. de reactie van de juridisch medewerker en ingeschakelde advocaat inzake het
non-concurrentiebeding,

5. het e-mailbericht van 6 maart 2014 van bestuurder 1 van [gedaagde sub 1] ,
6. het e-mailbericht van 21 januari 2014 van bestuurder 1 van [gedaagde sub 1] ,
7. het e-mailbericht van 23 januari 2014 van bestuurder 1 van [gedaagde sub 1] ,
8. het e-mailbericht van 9 april 2014 van bestuurder 1 van [gedaagde sub 1] ,
9. het e-mailbericht van [eiser] aan bestuurder 1 van [gedaagde sub 1] en het e-mailbericht van
bestuurder 1 van [gedaagde sub 1] aan zijn medebestuurders van mei 2014,
10. het e-mailbericht van een lid van het biedingsteam van 17 juni 2014,
11. het e-mailbericht van 23 februari 2014 van bestuurder 1 van [gedaagde sub 1] ,

12. de stukken zoals die eerder waren opgenomen in bijlage 1 bij het rapport van
bevindingen van 28 april 2015 onder de nummers 13, 29 en 34,

13. de verklaringen van bestuurders en/of medewerkers van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] afgelegd na het voorlopig onderzoek van
[naam] en voorafgaande aan de presentatie van het definitieve onderzoek van
van 2 november 2015,
14. De producties die worden genoemd in het eindrapport van [naam] van
2 november 2015, en meer in het bijzonder:
- bijlage 3, sub 13, sub 21 en sub 30,
- bijlage 5 waar het gaat om de inhoudelijke reacties van bestuurders en anderen,
15. het programma van eisen en de nota’s van inlichtingen van de aanbestedingsprocedure,
16. de door [gedaagde sub 3] in het kader van de aanbesteding ingediende offerte inclusief
alle bijlagen,
17. de aan [gedaagde sub 3] gerichte bevestiging van de provincie Limburg van
10 maart 2015 waarbij wordt meegedeeld dat de concessie aan [gedaagde sub 3] is
gegund,
18. de bezwaarstukken inclusief bijlagen die door de [vervoerder 1] combinatie en [vervoerder 2] tegen de
gunning aan [gedaagde sub 3] zijn ingediend,
19. de schriftelijke stukken die voorhanden zijn met betrekking tot het intern compliance
onderzoek, het rapport van dat intern compliance onderzoek, de opdracht tot het
verrichten van het intern compliance onderzoek, en de correspondentie die in relatie tot
het intern compliance rapport is gevoerd, voor zover deze stukken betrekking hebben op
[eiser] ,
20. de notulen van de vergadering van de Raad van Bestuur van [vervoerder 3] over de periode
1 oktober 2013 tot 25 juni 2015,
21. de notulen van de Raad van Commissarissen van [vervoerder 3] over de periode 1 oktober 2013 tot
25 juni 2015,
22. de notulen van de Raad van Bestuur van [gedaagde sub 4] over de periode 1 oktober 2013
tot 25 juni 2015,
23. de notulen van het managementteam/Raad van Bestuur van [gedaagde sub 1] over de periode
1 oktober 2013 tot 25 juni 2015,

24. de notulen van de Raad van Bestuur van [gedaagde sub 3] over de periode
1 oktober 2013 tot 25 juni 2015,
25. de notulen van het executive commitee (overleg [vervoerder 3] en de directies van haar
dochterondernemingen) over de periode 1 oktober 2013 tot 25 juni 2015,

26. alle relevante correspondentie die er gewisseld is tussen [vervoerder 3] , [gedaagde sub 4] ,
[gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 1] en één of meer van haar bestuurders aangaande het benaderen,
in dienst nemen van [eiser] en de correspondentie/verslagen die betrekking hebben op
de informatie van [vervoerder 1] ,
27. de correspondentie die in het tijdvak 1 december 2013 tot en met 25 juni 2015 gewisseld
is tussen:
- [E] (CEO van [vervoerder 3] ) en [D] (directeur [vervoerder 3] ) over
[eiser] ,
- [A] ( [gedaagde sub 1] ) met de Raad van Bestuur van [gedaagde sub 3] , [E] en [D]
over [eiser] ,
- [B] ( [gedaagde sub 1] ) met de Raad van Bestuur van [gedaagde sub 3] , [E] en [D]
over [eiser] ,
- [A] met [B] over [eiser] ,
dit op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met hoofdelijke veroordeling van
[eisers c.s.] in de proceskosten.
3.2. [eiser] grondt zijn primaire en subsidiaire vordering zoals hiervoor weergegeven in de eerste plaats op het bepaalde in artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Subsidiair en meer subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de door hem verzochte stukken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde sub 1] en het op grond van die arbeidsovereenkomst door [gedaagde sub 1] in acht te nemen goed werkgeverschap aan hem moeten worden verstrekt. [eiser] voert in dit verband, onder andere, aan dat hij deze stukken nodig heeft om het aan hem verleende ontslag op staande voet aan te kunnen vechten, om verweer te kunnen voeren in de voorwaardelijke ontbindingsprocedure en om te bepalen of hij op grond van onrechtmatige daad een schadevergoedingsvordering tegen [eisers c.s.] zal instellen of niet. [eiser] stelt zich daarbij – kort gezegd – op het standpunt dat [eisers c.s.] hem voor zijn kennis bij [vervoerder 1] heeft aangenomen, dat de RvB daarvan op de hoogte was en dat hij nu door [eisers c.s.] wordt geslachtofferd.

3.3.

[eisers c.s.] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter zal eerst beoordelen of [eiser] op grond van het bepaalde in artikel 843a Rv aanspraak kan maken op een afschrift van de door hem verzochte stukken dan wel inzage in die stukken.

4.2.

In het eerste lid van artikel 843a Rv is bepaald dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

Er moet dus aan vier cumulatieve vereisten worden voldaan, wil een vordering tot afgifte van stukken of inzage in stukken toewijsbaar zijn, namelijk:
a) er moet sprake zijn van een rechtmatig belang,
b) het moet gaan om bepaalde bescheiden,
c) er moet sprake zijn van een rechtsbetrekking, en
d) degene van wie de bescheiden worden gevorderd, dient deze bescheiden tot zijn
beschikking of onder zijn berusting te hebben.
Wanneer aan al deze voorwaarden is voldaan, dan is de vordering tot het verstrekken van een afschrift van stukken of tot het verlenen van inzage in die stukken, in beginsel, toewijsbaar. Dit leidt echter, gelet op het bepaalde in artikel 843a lid 4 Rv, uitzondering wanneer i) daarvoor gewichtige redenen zijn, of ii) redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

De stukken zoals genoemd in 3.1. onder 1 tot en met 14
4.3. De stukken zoals genoemd in 3.1. onder 1 tot en met 14 betreffen stukken
waarnaar wordt verwezen in het voorlopige en definitieve rapport van [naam] .

4.4.

Partijen verschillen onder andere van mening over de vraag of [eiser] een rechtmatig belang bij het verschaffen van afschrift van deze stukken dan wel bij het verlenen van inzage daarin heeft.

4.4.1.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat dit het geval is en voert daartoe
– samengevat – het volgende aan.
Het aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet is vooral ontleend aan de door de
[naam] uitgevoerde onderzoeken en in dat verband opgestelde rapporten.
Er is echter gerede aanleiding om zowel aan de deugdelijkheid van de uitgevoerde onderzoeken als aan de in de rapporten vermelde conclusies (bevindingen) te twijfelen. Immers, [naam] is de huisadvocaat van [vervoerder 3] en kan daarom niet als een onafhankelijke derde worden aangemerkt. [eiser] heeft er daarom een rechtmatig belang bij dat hij van alle stukken waarnaar in deze rapporten wordt verwezen, kennis kan nemen, opdat hijzelf kan verifiëren of sprake is geweest van een deugdelijk onderzoek en of de in de rapporten van [naam] vermelde conclusies aangaande [eiser] kloppen.
Daarnaast voert [eiser] nog aan dat hij rechtmatig belang bij deze stukken heeft, omdat hij aan de hand van deze stukken kan nagaan of hij een actie uit onrechtmatige daad tegen [eisers c.s.] kan instellen of niet.

4.4.2.

[eisers c.s.] betwist dit standpunt van [eiser] .

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.

4.6.

Het staat vast dat [naam] de huisadvocaat is van [vervoerder 3] .
heeft [naam] verzocht om een objectief en onafhankelijk beeld te geven van de feitelijke gang van zaken rondom de mogelijke onregelmatigheden bij de aanbesteding inzake de concessie betreffende het openbaar vervoer in Limburg, en meer specifiek met betrekking tot de onregelmatigheden inzake:
a) de indiensttreding van [eiser] bij [gedaagde sub 1] ,
b) het delen van informatie van [vervoerder 1] door [eiser] met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] .

4.7.

Het vervolgens door [naam] uitgebrachte voorlopige rapport is publiekelijk en in het politieke debat tussen de minister van Financiën en de Tweede Kamer ter discussie komen te staan. Er zijn daarbij met name vraagtekens geplaatst bij de onpartijdigheid van [naam] bij het opstellen van het voorlopige rapport, omdat [naam] [vervoerder 3] ook bijstond als advocaat.

4.8.

[naam] heeft aan mr. [F] (hierna: [F] ) de opdracht verstrekt om een objectieve verificatie te verrichten of i) het onderzoek, ii) het voorlopig rapport van 28 april 2015 en iii) het definitieve rapport van 18 augustus 2015
(2 november 2015), conform het doel ervan, een objectief en onafhankelijk beeld geven van de feitelijke gang van zaken rondom de mogelijke onregelmatigheden die betrekking hebben op:
- de indiensttreding van een voormalig medewerker van [vervoerder 1] bij [gedaagde sub 1]
( [eiser] ),
- het delen van informatie van [vervoerder 1] door deze voormalig medewerker ( [eiser] ) met
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] .
[F] heeft deze opdracht aangenomen en op 9 september 2015 haar verificatierapport uitgebracht.

4.9.

In dit verificatierapport zijn de volgende eindconclusies vermeld:

10 Eindconclusies van de verificator
Heeft [naam] het Onderzoek zo ingericht en uitgevoerd dat het een objectief en onafhankelijk beeld van de onderzochte onderwerpen kon opleveren?
1. Sturing
Ik heb geen aanwijzingen gevonden om aan te nemen dat [vervoerder 3] de
Onderzoeksopdracht en/of de Onderzoeksperiode heeft ‘gestuurd’ naar het tijdstip
van 1 juli 2013, al dan niet om eventueel handelen van [vervoerder 3] en haar bestuurders ten
aanzien van de Aanbesteding Limburg in de periode vóór 1 juli 2013 aan het zicht
te onttrekken.
2. Onderzoeksdocumentatie
Mij is niet gebleken van enige aanleiding om aan de representativiteit en
betrouwbaarheid van de Onderzoeksdocumentatie te twijfelen. Evenmin is
gebleken van enige aanleiding om aan de objectiviteit en onafhankelijkheid te
twijfelen van degenen die zich hebben beziggehouden met de totstandkoming en
selectie van de Onderzoeksdocumentatie.
3. Wet bescherming Persoonsgegevens
(…)
4. Protocol
Waar het hier gaat om bevindingen die in een publiek gemaakt rapport worden
verwerkt had [naam] er naar mijn mening goed aan gedaan om een Protocol op
te stellen en dat ook controleerbaar te volgen, met name bij de Interviews.
5. Regie
had zelf de regie moeten voeren bij de organisatie van de gesprekken
met betrokkenen, de oproeping en de keuze van de gesprekslocatie.

[naam] had niet mogen aanvaarden dat de RvB zich persoonlijk zou belasten met de
oproeping van Bestuurders 1, 2 (CEO) en 3 (CFO) voor de eerst gehouden Interviews, laat
staan dat [naam] had moeten toelaten dat de CEO Bestuurders 1 en 2 persoonlijk
naar de Interviewruimte kon begeleiden.

6. Arbeidsrechtelijke werkzaamheden
Het is goed dat de arbeidsrechtelijke kant van de zaken voor [vervoerder 3] naar een ander
kantoor is overgedragen. Dat is echter pas gebeurd in de periode van 2 tot en met
6 juli 2015 en had eerder moeten gebeuren.
7. Met uitzondering van de hiervoor onder 4,5 en 6 geplaatste kanttekeningen heb ik
geen aanleiding om vraagtekens te zetten bij de inrichting en uitvoering van het
Onderzoek zodat het een objectief en onafhankelijk beeld van de onderzochte
onderwerpen kon opleveren.

Geven het Voorlopig Rapport en het Definitief Rapport een objectief en onafhankelijk beeld van de Onderzoeksbevindingen?
1. De documenten waarnaar in de Rapporten wordt verwezen, zijn naar inhoud en strekking
correct weergegeven.
2. De door betrokkenen afgelegde verklaringen zijn, voor zover valt na te gaan aan de hand
van de Interviewverslagen en latere commentaren van (de advocaten van) betrokkenen,
op een juiste manier in de bevindingen verwerkt.
3. (…)
4. [naam] had in het Voorlopig Rapport de zinsnede in 6.4.1 dat er in de
Onderzoeksdocumentatie geen aanwijzingen waren aangetroffen die duiden op
betrokkenheid van de RvB niet mogen handhaven.
5. Overigens is niet gebleken van enige aanwijzing dat [naam] in het Voorlopig Rapport
– ook al was dit in concept niet geheel of gedeeltelijk voorgelegd aan de meest direct
betrokkenen – geen objectief en onafhankelijk beeld gaf van haar voorlopige
onderzoeksbevindingen of dat [naam] zich in haar Onderzoek of rapportage door
wensen of sturing van enig persoon binnen of buiten [vervoerder 3] zou hebben laten beïnvloeden.
6. Niet is gebleken van enige aanwijzing dat [naam] in het Definitief Rapport geen
objectief en onafhankelijk beeld heeft gegeven van haar onderzoeksbevindingen of dat
zich in haar Onderzoek of rapportage door wensen of sturing van enig persoon
binnen of buiten [vervoerder 3] zou hebben laten beïnvloeden.

4.11.

Er zijn geen aanknopingspunten dat het door [F] verrichtte verificatieonderzoek en opgestelde rapport ondeugdelijk is. De door [eiser] aangevoerde omstandigheid dat zij de opdracht van [naam] heeft gekregen, is op zichzelf onvoldoende om die conclusie te dragen. Er zijn geen andere omstandigheden gesteld of gebleken die een dergelijke conclusie zouden rechtvaardigen. Als uitgangspunt heeft dan ook te gelden dat het door [F] verrichte verificatieonderzoek en opgestelde rapport deugdelijk is en een juiste en volledige weergave behelst van haar onderzoeksresultaten.

4.12.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] , in het licht van het door [F] uitgevoerde verificatieonderzoek en het door haar in dit verband uitgebrachte verificatierapport, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat hij een rechtmatig belang heeft bij het verschaffen van een afschrift van de hiervoor genoemde stukken dan wel bij het verlenen van inzage in die stukken. Dit wordt als volgt gemotiveerd.

4.12.1.

[F] heeft in haar verificatierapport in algemene zin geconcludeerd dat:
a) [naam] haar onderzoek zo heeft ingericht en uitgevoerd dat het een objectief en
onafhankelijk beeld van de onderzochte onderwerpen kon opleveren, en
b) het voorlopig rapport en het definitief rapport van [naam] een objectief en
onafhankelijk beeld van de onderzoeksbevindingen geven.
Zij plaats daarbij weliswaar enkele kanttekeningen, maar deze kanttekeningen staan, zo kan uit haar verificatierapport worden opgemaakt, niet aan deze conclusies in de weg.
4.12.2. Uit de in 4.10. weergegeven eindconclusies van [F] kan meer in het bijzonder worden opgemaakt dat:
- er geen aanleiding is om aan de representativiteit en betrouwbaarheid van de
onderzoeksdocumentatie te twijfelen,

- de documenten waarnaar in het voorlopige en definitieve rapport wordt verwezen naar
inhoud en strekking correct zijn weergegeven,
- de door betrokkenen afgelegde verklaringen op een juiste manier in de bevindingen zijn
verwerkt.

4.12.3.

[eiser] heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om aan de juistheid van deze eindconclusies van [F] te twijfelen.
[eiser] heeft slechts volstaan met in algemene bewoordingen te zeggen dat het hem onbekend is wat er in de door hem gevorderde stukken staat en dat hij deze stukken daarom zelf moet zien. Dit is echter gelet op wat hiervoor ten aanzien van het door [F] uitgevoerde verificatieonderzoek is overwogen onvoldoende. Dit onderzoek neemt immers de door [eiser] geuite twijfel over de deugdelijkheid van de door [naam] uitgevoerde onderzoeken en de in de rapporten vermelde conclusies (bevindingen), in beginsel, weg.
Bij gebrek aan concrete aanwijzingen dat de door [eiser] gewenste onderliggende stukken voor hem van meerwaarde zijn in het kader van zijn geschil met [eisers c.s.] , resteert niet meer dan het vermoeden dat deze bescheiden, mogelijk informatie bevatten die het standpunt van [eiser] zou kunnen onderbouwen of van [eisers c.s.] zou kunnen ontkrachten.
Dit is zodanig speculatief dat dit geen rechtmatig belang oplevert.

4.13.

Het voorgaande is wellicht anders wanneer [eisers c.s.] zich in de procedures inzake het door haar ingeroepen ontslag op staande voet en/of haar verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiser] zich zou beroepen op de concrete
– niet uit de rapporten van [naam] blijkende – inhoud van de door [eiser] in deze procedure gevraagde stukken (interviewverslagen en andere documenten waarnaar in de rapporten van [naam] wordt verwezen). [eiser] zou dan mogelijk toch een rechtmatig belang kunnen hebben bij afgifte van een afschrift van die stukken of bij het verlenen van inzage daarin. Er zijn echter op dit moment geen aanwijzingen dat [eisers c.s.] dit doet en zolang zij dit niet doet, kan – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet worden gezegd dat [eiser] rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van een afschrift van de hiervoor bedoelde stukken om rechtsvorderingen tegen [eisers c.s.] in te stellen dan wel om zich tegen rechtsvorderingen van haar te verweren en is het verzoek van [eiser] prematuur.
Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat het partijdebat betreffende het ontslag op staande voet en de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst nog grotendeels moet worden gevoerd. Het is gelet daarop in dit stadium nog niet duidelijk welke stellingen van partijen als niet of onvoldoende weersproken zullen vaststaan, welke gevolgen dit heeft voor de mogelijke bewijslevering, en/of de stukken waarvan thans afgifte/inzage wordt gevoerd aan dat bewijs kunnen bijdragen.
4.14. Voor zover [eiser] de stukken wenst in verband met de mogelijk door hem tegen [eisers c.s.] in te stellen actie uit hoofde van onrechtmatige daad geldt (nog) het volgende.
Niet valt in te zien dat op basis van de thans beschikbare informatie en de reeds kenbare standpunten van partijen een dergelijke actie door [eiser] niet kan worden geëntameerd, dan wel om een voorlopig getuigenverhoor kan worden verzocht. [eiser] heeft, in het licht daarvan, zijn stelling dat hij de door hem gewenste stukken in dit stadium nodig heeft om een actie uit onrechtmatige daad te kunnen instellen onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vordering tot afgifte/inzage van de stukken ook in dit verband in feite louter is gebaseerd op het vermoeden dat daarin mogelijk bruikbare informatie te vinden is. Ook hier geldt dat het partijdebat betreffende de mogelijke actie uit onrechtmatige daad nog grotendeels moet worden gevoerd. Het is gelet daarop in dit stadium nog niet duidelijk welke stellingen van partijen als niet of onvoldoende weersproken zullen vaststaan, welke gevolgen dit heeft voor de mogelijke bewijslevering, en/of de stukken waarvan thans afgifte/inzage wordt gevoerd aan dat bewijs kunnen bijdragen.

4.15.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] bij de huidige stand van zaken op basis van artikel 843a Rv geen aanspraak kan maken op het verschaffen van afschrift van de stukken zoals genoemd in 3.1 onder 1 tot en met 14 of het verlenen van inzage in die stukken.


De stukken zoals genoemd in 3.1. onder 15 tot en met 18

4.16.

[eiser] maakt verder aanspraak op diverse aanbestedingsstukken, namelijk:
- het programma van eisen en de nota’s van inlichtingen van de aanbestedingsprocedure,
- de door [gedaagde sub 3] in het kader van de aanbesteding ingediende offerte inclusief alle
daarbij behorende bijlagen,
- de aan [gedaagde sub 3] gerichte bevestiging van de provincie Limburg van
10 maart 2015, waarbij wordt meegedeeld dat de concessie aan [gedaagde sub 3] is
gegund, en
- de bezwaarstukken inclusief bijlagen die door de combinatie [vervoerder 1] en [vervoerder 2] tegen de
gunning aan [gedaagde sub 3] zijn ingediend.

4.17.

[eiser] wenst deze stukken te verkrijgen om zijn stelling dat hij in het kader van de aanbesteding inzake de concessie openbaar vervoer Limburg nauwelijks tot geen geheime informatie over [vervoerder 1] met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] heeft gedeeld te kunnen onderbouwen.

4.18.

Voor zover al aangenomen zou kunnen worden dat [eiser] op basis van artikel 843a lid 1 Rv aanspraak kan maken op het verstrekken van afschrift van de door
[gedaagde sub 3] ingediende offerte inclusief alle bijlagen of het verlenen van inzage in deze offerte met bijlagen, dan nog kan dit [eiser] niet baten, omdat [eisers c.s.] aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gewichtige redenen zoals bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv.
Het is aannemelijk dat – zoals [eisers c.s.] aanvoert – in deze offerte bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige informatie over [gedaagde sub 3] is vermeld. [eisers c.s.] heeft er daarom een zwaarwegend belang bij om deze informatie niet aan [eiser] te hoeven prijs te geven. [eiser] heeft in het licht daarvan geen argumenten aangevoerd die meebrengen dat dit zwaarwegende belang van [eisers c.s.] moet wijken voor het belang van [eiser] bij het verschaffen van een afschrift van de offerte of het verlenen van inzage daarin.

[eiser] heeft niet toegelicht in welk opzicht deze offerte zou kunnen bijdragen aan de onderbouwing van zijn stelling dat hij geen of weinig geheime informatie over [vervoerder 1] met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] heeft gedeeld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat
[eiser] zelf wordt geacht te weten welke informatie hij met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] heeft gedeeld.

4.19.

Het voorgaande zou mogelijk anders zijn als [eisers c.s.] in het kader van
de ontslagzaak en het voorwaardelijk ontbindingsverzoek een beroep op de inhoud van de offerte doet. Er zijn echter op dit moment geen aanwijzingen dat [eisers c.s.] dit doet en zolang zij dit niet doet, kan – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet worden gezegd dat [eiser] rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van een afschrift van de offerte inclusief de daarbij behorende bijlagen om rechtsvorderingen tegen [eisers c.s.] in te stellen dan wel om zich tegen rechtsvorderingen van haar te verweren en is het verzoek van [eiser] prematuur. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat – zoals al in 4.13. is overwogen – het partijdebat betreffende het ontslag op staande voet en de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst nog grotendeels moet worden gevoerd.

4.20.

Wat betreft de andere door [eiser] gevorderde aanbestedingsstukken geldt dat niet aannemelijk is dat [eiser] daarbij een rechtmatig belang heeft.
Het programma van eisen en de nota’s van inlichtingen hebben een algemeen karakter. In deze stukken is – kort gezegd – de aanbestedingsprocedure verwoord. Op basis van deze stukken dienen de inschrijvers een offerte in te dienen. In een definitieve gunningsbeslissing wordt niet meer gezegd dan dat de opdracht definitief aan één van de inschrijvers wordt gegund, in dit geval aan [gedaagde sub 3] . In de bezwaarstukken van de combinatie [vervoerder 1] en [vervoerder 2] wordt beschreven waarom zij het niet eens zijn met de gunningsbeslissing.
[eiser] heeft onvoldoende gemotiveerd toegelicht waarom deze stukken zouden kunnen dienen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij weinig of geen geheime informatie over [vervoerder 1] met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] heeft gedeeld. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat [eisers c.s.] in het kader van de ontslagzaak en het voorwaardelijk ontbindingsverzoek een beroep doet op de inhoud van de hiervoor genoemde aanbestedingsstukken. Mede daarom kan – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet worden gezegd dat [eiser] op dit moment rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van een afschrift van de hiervoor besproken aanbestedingsstukken om rechtsvorderingen tegen [eisers c.s.] in te stellen dan wel om zich tegen rechtsvorderingen van haar te verweren.

4.21.

Het voorgaande leidt ertoe dat [eiser] , bij de huidige stand van zaken, geen aanspraak kan maken op het verschaffen van een afschrift van de stukken zoals genoemd in 3.1 onder 15 tot en met 18 of op het verlenen van inzage in die stukken.

De stukken zoals genoemd in 3.1. onder 19
4.22. [eiser] maakt verder aanspraak op afgifte van een afschrift van stukken verband houdende met het intern compliance onderzoek of het verlenen van inzage in die stukken.
Het gaat daarbij om stukken die voorhanden zijn met betrekking tot het intern compliance onderzoek, het rapport van dat intern compliance onderzoek, de opdracht tot het verrichten van het intern compliance onderzoek, en de correspondentie die in relatie tot het intern compliance rapport is gevoerd, voor zover deze stukken betrekking hebben op [eiser] . Deze stukken zullen hierna kortheidshalve worden aangeduid als: “de stukken inzake het intern compliance onderzoek”.

4.23.

Dit intern compliance onderzoek is opgesteld voor intern gebruik. Het gaat hier niet om een door een onafhankelijke deskundige uitgevoerd onderzoek en op basis daarvan uitgebracht rapport, maar om een zogeheten partijrapport. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de inhoud van een dergelijke rapport, in beginsel, niet met derden hoeft te worden gedeeld, ook als het daarbij gaat over die derden. Een andere opvatting zou geen recht doen aan het gerechtvaardigde belang van een (rechts)persoon om in vrijheid intern advies te kunnen vragen of onderzoek te kunnen doen ten behoeve van het bepalen van het eigen standpunt of intern te maken keuzes. Dit uitgangspunt geldt ook voor de stukken inzake het onderhavige intern compliance onderzoek. [eiser] heeft, in beginsel, geen rechtmatig belang in de zin van artikel 843a Rv bij het verkrijgen van een afschrift hiervan of inzage daarin.

4.24.

Er zijn ook geen redenen gebleken om van dit uitgangspunt af te wijken en te oordelen dat [eiser] bij die afgifte toch rechtmatig belang heeft.

4.24.1.

Het intern compliance onderzoek was aanleiding voor het onderzoek door
[naam] en de door [naam] in het kader van haar onderzoek uitgebrachte rapporten zijn, zoals hiervoor is overwogen, geverifieerd door [F] . Het is niet concreet gesteld of onderbouwd dat in het intern compliance onderzoek meer of andere informatie beschikbaar wordt, dan de informatie die uit de geverifieerde rapporten van [naam] blijkt. Daarbij wordt benadrukt dat het dan zou moeten gaan om informatie die van belang is in het kader van de arbeidsrechtelijke geschillen tussen partijen en/of de mogelijk door
[eiser] in te stellen actie uit onrechtmatige daad.

4.24.2.

Niet gesteld of gebleken is dat [eisers c.s.] zich in het kader van de ontslagzaak en het voorwaardelijk ontbindingsverzoek op de stukken inzake het compliance onderzoek zal beroepen. Zo lang [eisers c.s.] zich in voorkomende procedures (ontslagzaak en het voorwaardelijke ontbindingsverzoek) niet op de inhoud van deze stukken beroept, kan tegen de achtergrond van wat hiervoor in 4.23. is overwogen, niet worden gezegd dat [eiser] rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van een afschrift van de stukken inzake het compliance onderzoek of inzage daarin om rechtsvorderingen tegen [eisers c.s.] in te stellen dan wel om zich tegen rechtsvorderingen van haar te verweren en is het verzoek van
[eiser] prematuur. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat – zoals al in 4.13. is overwogen – het partijdebat betreffende het ontslag op staande voet en de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst nog grotendeels moet worden gevoerd.

4.24.3.

Voor zover [eiser] aanvoert dat hij de stukken inzake het intern compliance onderzoek nodig heeft in verband met de door hem mogelijk in te stellen actie uit onrechtmatige daad geldt dat dit onvoldoende is om zijn vordering toe te wijzen.
De voorzieningenrechter verwijst daarvoor naar hetgeen in 4.14. is overwogen.

4.25.

Het voorgaande leidt er al toe dat [eiser] op basis van artikel 843a Rv geen aanspraak kan maken op afgifte van een afschrift van de stukken zoals genoemd in 3.1 onder 19 of op inzage in die stukken.


De stukken zoals genoemd in 3.1. onder 20 tot en met 27
4.26. De stukken zoals genoemd in 3.1. onder 20 tot en met 27 betreffen alle interne correspondentie en interne stukken, zoals notulen van bestuursvergaderingen.

Ten aanzien van deze interne correspondentie geldt hetzelfde uitgangspunt zoals hiervoor met betrekking tot het intern compliance onderzoek is weergegeven in 4.23.
Dit betekent dat [eiser] , in beginsel, geen rechtmatig belang in de zin van artikel 843a Rv heeft bij het verkrijgen van een afschrift van deze interne correspondentie dan wel inzage daarin. Vraag is vervolgens of dit uitgangspunt uitzondering leidt. Er zijn geen aanknopingspunten dat dit het geval is.
Meer in het bijzonder zijn er geen aanwijzingen dat de in 4.24.2. besproken uitzondering zich voor wat betreft de interne correspondentie en/of notulen voordoet. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat er in deze interne correspondentie gericht over [eiser] wordt gesproken.
Voor zover [eiser] aanvoert dat dat hij de interne stukken en/of notulen nodig heeft in verband met de door hem mogelijk in te stellen actie uit onrechtmatige daad geldt dat dit onvoldoende is om zijn vordering toe te wijzen. De voorzieningenrechter verwijst daarvoor naar hetgeen in 4.14. is overwogen.

4.27.

Het voorgaande leidt er al toe dat [eiser] op basis van artikel 843a Rv geen aanspraak kan maken op afgifte van een afschrift van de stukken zoals genoemd in 3.1 onder 20 tot en met 27 dan wel op inzage daarin.


Andere grondslagen

4.28.

Er zijn geen aanknopingspunten dat een afschrift van de hiervoor besproken stukken dan wel de inzage daarin op grond van de tussen [eiser] met [gedaagde sub 1] gesloten arbeidsovereenkomst dan wel goed werkgeverschap zou moeten worden gegeven.
[eiser] heeft dit door [eisers c.s.] gemotiveerd weersproken standpunt niet onderbouwd.

Slotsom
4.29. De slotsom is dat de primaire en subsidiaire vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. De overige door partijen ingenomen standpunten kunnen onbesproken blijven.

Proceskosten
4.30. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers c.s.] worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.429,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers c.s.] tot op heden begroot op € 1.429,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.1

1 type: BvdG/4374 coll: