Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8758

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
16/661090-15 (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige boekhouder in dienst van FC Utrecht, heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. De boekhouder heeft samen met zijn 20-jarige broer - verdachte in deze zaak - een overval in scène gezet.

De broers hebben geprobeerd het verduisterde geld veilig te stellen door het onder te brengen bij een medeverdachte, een 23-jarige man uit Utrecht. De 21-jarige (toenmalige) vriendin van één van de broers heeft meegewerkt aan de verduistering door de vluchtwagen te besturen

Verdachte en zijn broer zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Daarnaast moeten de verdachte, zijn broer en de overige medeverdachten gezamenlijk het verduisterde geld aan FC Utrecht terugbetalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661090-15 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 december 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1995] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] in [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 november 2015, waarbij de officier van justitie en de raadsman mr. D.J.P. van Omme, advocaat te Amsterdam, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van een geldbedrag van € 77.500,00 van

FC Utrecht.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweren gevoerd met betrekking tot het ten laste gelegde feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank1

Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend en de raadsman heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:

1. de bekennende verklaring van verdachte;2

2. de aangifte van verduistering namens FC Utrecht.3

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 26 januari 2015 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk

een geldbedrag ter grootte van 77.500,- euro in contanten dat toebehoorde aan

FC Utrecht en welk geldbedrag verdachtes mededader, te weten [medeverdachte 1] uit hoofde van

diens persoonlijke dienstbetrekking als financieel medewerker van FC Utrecht onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

7 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft tevens de oplegging van bijzondere voorwaarden gevorderd, te weten: een meldplicht en het ondergaan van een ambulante behandeling.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om niet over te gaan tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf omdat dit de kans op het voltooien van zijn opleiding door verdachte ernstig vermindert. Naar de mening van de raadsman kan worden volstaan met de oplegging van een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman gewezen op uitspraken die in soortgelijke zaken zijn gedaan.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking samen met zijn broer, die werkzaam was op de financiële afdeling van

FC Utrecht. Verdachte heeft samen met zijn broer een overval in scène gezet nadat het zijn broer niet was gelukt om de opbrengst van een voetbalwedstrijd af te storten bij de bank. Daarbij hebben verdachte en zijn broer het doen voorkomen alsof de broer werd overvallen door een in bivakmuts gehulde man en zogenaamd werd gedwongen om geld uit de kluis af te staan aan de overvaller, terwijl hij wist dat de overvaller verdachte was. Samen hebben zij een geldbedrag van € 77.500,00 uit de kluis weggenomen van FC Utrecht. Verdachte en zijn broer hebben voorbereidingen getroffen om het wegnemen van het geld te laten slagen, zoals het aanschaffen van een pet en een nieuwe mobiele telefoon en het van tevoren bekijken van de vluchtroutes. Ook heeft verdachte de mobiele telefoons van zijn broer meegenomen om het geheel een geloofwaardig uiterlijk te geven. Verdachte en zijn broer hebben geprobeerd het geld veilig te stellen door het onder te brengen bij een derde. Ten slotte heeft verdachte ook zijn (toenmalige) vriendin bij dit feitencomplex betrokken door haar te vragen om de vluchtauto te besturen. Het weggenomen geldbedrag is tot op heden niet getraceerd.

Verdachte heeft uiteindelijk bekennende verklaringen afgelegd en op die manier zijn medewerking verleend aan het onderzoek. Niettemin neemt dit de doortrapte wijze waarop verdachte en zijn broer te werk zijn gegaan niet weg. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 oktober 2015, waaruit volgt dat verdachte eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld, waaronder ook voor vermogensdelicten. Verdachte is na het plegen van het bewezen verklaarde feit in de onderhavige zaak nog veroordeeld; de rechtbank houdt dan ook rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft verder ook gelet op de inhoud van de over verdachte opgemaakte reclasseringsadviezen van 30 januari 2015 en van 27 mei 2015.

Verdachte heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat hij weliswaar bereid is om zich te houden aan bijzondere voorwaarden als deze zouden worden opgelegd, maar ook dat hij zijn leven goed op orde heeft.

Verdachte volgt nog altijd een opleiding en heeft ook een baan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen begeleiding nodig heeft van de reclassering in verband met vermeende beïnvloedbaarheid. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om over te gaan tot de oplegging van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank heeft verder nog rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en met het feit dat verdachte nog lange tijd de financiële gevolgen zal ondervinden van het bewezen verklaarde feit, nu hij de door FC Utrecht geleden schade als gevolg van het bewezen verklaarde feit zal moeten vergoeden.

De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten zal plegen.

Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een passende en geboden reactie op het bewezen verklaarde strafbare feit.

9 De vordering van de benadeelde partij

De behandeling van de vordering van FC Utrecht B.V, levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 77.500,00 (zevenenzeventigduizend en vijfhonderd euro) aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank bepaalt dat verdachte voor een bedrag van € 77.500,00 aansprakelijk is, behalve voor zover deze vordering (gedeeltelijk) al door of namens een ander/anderen is betaald.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 894,00 (achthonderdvierennegentig euro), met dien verstande dat indien en voor zover medeverdachte [medeverdachte 1] (parketnummer 16/705259-15) of

[medeverdachte 2] (parketnummer 16/661103-15) of [medeverdachte 3] (parketnummer 16/661101-15) of een ander betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 47, 63, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals onder 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op: medeplegen van verduistering in dienstbetrekking.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 maanden van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van benadeelde partij FC Utrecht toe tot € 77.500,00 (zegge zevenenzeventigduizend en vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan FC Utrecht voornoemd, behalve voor zover deze vordering (gedeeltelijk) al door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 894,00 (achthonderdvierennegentig euro), behalve voor zover dit bedrag door of namens medeverdachte [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] of een ander is betaald.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van FC Utrecht, aan de Staat € 77.500,00 (zegge zevenenzeventigduizend en vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 150 dagen, behalve voor zover deze verplichting al (gedeeltelijk) door of namens een ander/anderen is betaald.

De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. A.G. Bakker en

mr. R.L.M. van Opstal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 december 2015

BIJLAGE: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 26 januari 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

een (groot) geldbedrag (ter grootte van ongeveer 77.500,- euro in contanten),

in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele toebehoorde aan FC

Utrecht, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

en welk geldbedrag verdachtes mededader, te weten [medeverdachte 1] uit hoofde van

diens persoonlijke dienstbetrekking als financieel medewerker van FC Utrecht,

in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 23 november 2015.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens FC Utrecht van 9 februari 2015, pagina 30 en 31 (einddossier).