Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8711

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-12-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
16/994003-14 (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 66-jarige man uit Soest (medeverdachte) wordt door de rechtbank Midden-Nederland gezien als de initiator van onder meer oplichting met obligatiefondsen in Duits vastgoed. Ook zijn vrouw (verdachte) was daarbij betrokken en werd veroordeeld tot een gevangenisstraf (die ze al in voorarrest heeft uitgezeten) en een werkstraf wegens valsheid in geschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/994003-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 december 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1959] ,

wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis wordt verdachte hierna ook wel aangeduid als ‘ [verdachte] ’.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2015 en op 1, 5, 8 en 9 oktober 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.D. Rijnsburger, advocaat te Amsterdam.

Tijdens de zitting van 23 november 2015, waarbij alleen het onderzoek is gesloten, is niemand verschenen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 1 mei 2012 tot en met 21 januari 2014, al dan niet samen met anderen, A. twee arbeidsovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt

en/of

B. gebruik heeft gemaakt van twee valse arbeidsovereenkomsten, dan wel deze heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad;

Feit 2: in de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014 al dan niet samen met anderen van het

witwassen van geldbedragen een gewoonte heeft gemaakt.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officieren van justitie zijn ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] arbeidsovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt. Ten aanzien van het ten laste gelegde gebruik maken van de valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomsten hebben de officieren van justitie tot vrijspraak gerekwireerd.

Met betrekking tot feit 2 achten de officieren van justitie wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] € 318.120,12 heeft witgewassen. De officieren van justitie gaan ten aanzien van het bedrag uit van de bedragen die via verschillende beleggingsfondsen op de bankrekeningen van [verdachte] zijn gestort en vervolgens voor privédoeleinden zijn aangewend.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Hiertoe heeft de raadsman -onder meer- het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van feit 1:

De verklaring van [verdachte] ‘dat zij nergens van wist en ‘slechts’ huisvrouw was’ wordt ondersteund door de overige verklaringen in het dossier. Er zijn geen
aanknopingspunten in het dossier te vinden omtrent haar wetenschap over hetgeen
haar echtgenoot, medeverdachte [medeverdachte] deed. Haar betrokkenheid bij de
ondernemingen van [medeverdachte] is nihil. Als haar gevraagd werd iets te tekenen,
dan deed zij dat. Dat geldt ook voor de arbeidsovereenkomsten. De arbeidsovereenkomsten zijn door [verdachte] ondertekend maar zij heeft de inhoud niet gelezen. Zij heeft nooit de bedoeling gehad om iemand te misleiden. Strafbaarheid is niet aan de orde. [verdachte] heeft geen oogmerk tot misleiding gehad.

De feitelijke situatie is leidend voor de beantwoording van de vraag of er aanwijzingen in het dossier zijn waaruit volgt dat het niet anders kan zijn dan dat
[verdachte] de aanmerkelijke kans heeft aanvaard een vals stuk te tekenen. Deze vraag
dient ontkennend beantwoord te worden. Binnen een vertrouwensrelatie, in dit geval
een huwelijk, is het niet vreemd om op verzoek van je echtgenoot iets te tekenen en er daarbij vanuit te gaan dat dit geen problemen zal opleveren.

Van een nauwe en bewuste samenwerking kan niet gesproken worden, daar [verdachte] geen wetenschap had. Haar opzet is nimmer, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht geweest op het grondfeit. Wanneer er wel tot enig opzet gekomen zou worden, dan kan dit hooguit leiden tot medeplichtigheid. Dat is niet ten laste gelegd.

Ten aanzien van feit 2:

[verdachte] mocht vertrouwen op haar echtgenoot. Hij verzorgde de gehele financiële huishouding. [verdachte] pinde nooit. Als er boodschappen gedaan moesten worden, dan deed zij dat samen met haar echtgenoot. Hij betaalde altijd. [verdachte] kan niet verweten worden dat zij wist dat er eventueel iets mis was. Als er wel sprake zou zijn van wetenschap dan dient vervolgens vastgesteld te worden welk strafbare feit aan het witwassen ten grondslag ligt. Dit zou de oplichting door de beleggingsfondsen van [medeverdachte] kunnen zijn. Echter die oplichting kan niet bewezen worden, waardoor er geen grondfeit is om uiteindelijk witwassen te kunnen bewijzen.

De raadsman heeft bepleit verdachte integraal vrij te spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] alle aan haar ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.3.1

Algemene overweging vooraf

Onderhavige zaak maakt onderdeel uit van een groot onderzoek genaamd [medeverdachte] / [fonds] . In dat onderzoek gaat het -kort gezegd- om het aanbieden van obligatieleningen door diverse obligatiefondsen, waarvan de echtgenoot van verdachte, genaamd [medeverdachte] , feitelijk leidinggever is. Het doel van de obligatiefondsen is om, met de door beleggers ingelegde gelden, vastgoedobjecten aan te kopen in Duitsland. Gedurende het onderzoek is verdachte [verdachte] in beeld gekomen, hetgeen geleid heeft tot haar vervolging wegens valsheid in geschrift en witwassen. In de strafzaak tegen [medeverdachte] is de rechtbank bij vonnis van heden tot het oordeel gekomen dat hij zich -kort gezegd- schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van beleggers.

4.3.2

Het bewijs

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.12

Op 9 mei 2012 is te Amersfoort een arbeidsovereenkomst ondertekend door [A] (hierna: [A] ) en [verdachte] (de rechtbank begrijpt verdachte).3 Het betreft een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en [verdachte] . [verdachte] treedt in dienst bij [bedrijf 1] .4 Zij ontvangt een vast salaris van € 5.000,-- bruto per maand op basis van een 38-urige werkweek.5 Op elke pagina van de arbeidsovereenkomst is onderaan bij ‘paraaf werkneemster’ een paraaf gezet.6

Vervolgens is op 17 september 2013 te Amersfoort wederom een arbeidsovereenkomst ondertekend door [A] en [verdachte] .7 Het betreft een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [verdachte] . [verdachte] treedt in dienst bij [bedrijf 2]8 Zij ontvangt een vast salaris van € 5.200,-- bruto per maand op basis van een 37,5-urige werkweek.9 Op elke pagina van de arbeidsovereenkomst is onderaan bij ‘paraaf werkneemster’ een paraaf gezet.10

Ter terechtzitting heeft verdachte [verdachte] verklaard dat het haar handtekening is onder de arbeidsovereenkomsten.11 [verdachte] heeft geen arbeidsverleden en heeft nog nooit gewerkt.12

[A] heeft verklaard dat [medeverdachte] vertelde dat [verdachte] zou komen werken voor [bedrijf 1] . De handtekening onder de arbeidsovereenkomst is van hem. De arbeidsovereenkomst tussen [verdachte] en [bedrijf 2] is in opdracht van [medeverdachte] opgesteld, aldus [A] . [medeverdachte] gaf hem een voorbeeldovereenkomst en zei wat erin moest komen met betrekking tot de voorwaarden en de werkzaamheden.13

[medeverdachte] heeft verklaard dat zijn loon op naam van [verdachte] stond, maar dat zij hiervoor geen werkzaamheden heeft verricht. Het loon stond op een verkeerde naam.14 [medeverdachte] werkte ervoor, [verdachte] deed niets. Het arbeidscontract was, aldus [medeverdachte] , niet juist.15

Verdachte [verdachte] heeft een bankrekening met nummer [rekeningnummer] en een rekening met nummer [rekeningnummer] .16 Op deze bankrekeningen van [verdachte] is in de periode van 22 maart 2010 tot en met 20 januari 2014 in totaal € 540.340,12 gestort.17 Hiervan is (door de rechtbank berekend) € 145.816,00 gestort onder vermelding ‘salaris’ en/of ‘vakantiegeld’ en/of ‘deel salaris’ en/of ‘voorschot salaris’ en/of zonder omschrijving. In dat laatste geval betreft het een bedrag ter grootte van haar maandelijkse salaris dat wordt gestort op of omstreeks een datum waarop zij haar salaris gewoonlijk kreeg uitbetaald.18

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij wist dat zij twee bankrekeningen had.19

4.3.3

Aanvullende bewijsoverwegingen

Valsheid in geschrift

Door de verdediging is kort gezegd aangevoerd dat [verdachte] geen opzet heeft gehad op het plegen van valsheid in geschrift. [verdachte] tekende de stukken die haar echtgenoot haar voorhield blind. Zij mocht erop vertrouwen dat haar echtgenoot haar geen valse stukken liet ondertekenen.

Een arbeidsovereenkomst heeft een bewijsbestemming, namelijk het bewijs van een overeenkomst tussen een werkgever en een werknemer, op basis waarvan een werknemer inkomen genereert. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] op elke pagina van de genoemde arbeidsovereenkomsten bij het onderschrift ‘paraaf werkneemster’ haar paraaf heeft gezet. Zij moet om die reden gezien hebben, en dus geweten hebben, dat zij als werkneemster arbeidsovereenkomsten ondertekende.

Ook wist zij dat zij geen werkzaamheden zou gaan verrichten. Verdachte heeft immers zoals ze zelf heeft verklaard in haar leven nog nooit gewerkt en dat was op dat moment ook niet haar plan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de arbeidsovereenkomsten opzettelijk valselijk opgemaakt door deze van haar handtekening en paraaf te voorzien, terwijl zij wist dat zij niet voor de werkgevers zou gaan werken. Naar het oordeel van de rechtbank had zij ook het (voor het onder A van feit 1) vereiste oogmerk op het gebruik van deze arbeidsovereenkomsten als ware dezen echt en onvervalst. Immers, niet valt in te zien waarom zij deze arbeidsovereenkomsten die altijd een bewijsbestemming hebben, heeft ondertekend, als deze niet gebruikt zouden worden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met een ander opzettelijk valselijk opmaken van de twee arbeidsovereenkomsten.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder B van feit 1 tenlastegelegde gebruik maken, afleveren of voorhanden hebben van bedoelde arbeidsovereenkomsten. Van dat deel van feit 1 wordt zij dan ook vrijgesproken.

Witwassen

Door de verdediging is aangevoerd dat [verdachte] niet wist wat er op haar bankrekeningen gebeurde. Haar echtgenoot maakte gebruik van de rekeningen. [verdachte] had hier geen zicht op. Als er boodschappen gedaan moesten worden, dan deed zij dat samen met haar echtgenoot. Hij pinde.

Het scenario dat [medeverdachte] ook gebruik maakte van de rekeningen van verdachte, acht de rechtbank, gelet op de aard van de verschillende overboekingen via deze rekeningen, niet onaannemelijk. Echter, [verdachte] wist dat zij twee bankrekeningen had. Zij was de rechthebbende van haar rekeningen waarop gelden binnen kwamen. Gelet hierop moet zij aangemerkt worden als degene die beschikking had over de geldbedragen. Het lag immers in haar macht geldbedragen van die rekening af te halen en/of over te boeken. Het enkele feit dat medeverdachte [medeverdachte] (ook) over de bankpas beschikte en wist hoe overboekingen gedaan moesten worden, maakt niet dat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor hetgeen met haar rekeningen is gebeurd.

Verdachte [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Op basis van de valse arbeidsovereenkomsten zijn er gelden (in de vorm van salaris) op haar bankrekeningen binnengekomen. Dat bij [verdachte] wetenschap bestond, dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten valsheid in geschrift, staat gelet op de bewijsmiddelen vast. Voornoemde handelingen worden gekwalificeerd als witwassen. Verdachte heeft de gelden afkomstig uit enig misdrijf verworven en/of voorhanden gehad op haar bankrekeningen. Vervolgens heeft zij, al dan niet samen met haar medeverdachte, deze gelden overgedragen en/of omgezet en of daarvan gebruik gemaakt door hiermee betalingen te verrichten. De hoogte van deze salarisbetalingen heeft de rechtbank aan de hand van D-1361 berekend op een bedrag van € 145.816,00. Dit is een optelling van de bedragen die op de rekeningen van verdachte zijn bijgeschreven waarbij uit de omschrijving of uit de datum waarop ze zijn gestort, volgt dat het om salaris gaat.

Tevens zijn bedragen op haar bankrekeningen binnengekomen van bankrekeningen van rechtspersonen gelieerd aan [medeverdachte] . [verdachte] had hier geen recht op. Zij heeft in haar leven immers nog nooit gewerkt en ook anderszins bestond voor die betalingen geen reden. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] , als gerechtigde van haar bankrekeningen verantwoordelijk kan worden gehouden voor al hetgeen op haar rekeningen is gebeurd. Zij had meer alert moeten zijn en moeten vermoeden dat er iets mis was met deze gelden. Verdachte heeft zich daarmee dan ook schuldig gemaakt aan schuldwitwassen, maar deze variant van witwassen is haar niet ten laste gelegd. Nu enig bewijs in het dossier ontbreekt voor wetenschap van [verdachte] dat deze gelden afkomstig waren van oplichting, begaan door haar echtgenoot, zal zij worden vrijgesproken van het witwassen van deze overige bedragen.

Gelet op de langere duur waarbinnen [verdachte] salaris op haar bankrekeningen gestort kreeg, in samenhang met de duur van de arbeidsperioden, is er tevens bewijs geleverd voor de strafverzwarende variant van gewoontewitwassen.


Uit het bewijs volgt tevens dat [verdachte] samen met haar man [medeverdachte] gebruik maakte van de bankrekeningen. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] . [medeverdachte] verzorgde de arbeidscontracten op basis waarvan [verdachte] salaris ontving. Ook kon hij beschikken over haar bankpasjes en betalingen verrichten. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen van voornoemde bedragen. De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee eveneens verworpen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen voor een bedrag van € 145.816,00.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 1 mei 2012 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort of elders in Nederland telkens tezamen en in vereniging met een ander, telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

a. a) een arbeidsovereenkomst gedateerd 17 september 2013 tussen [bedrijf 2] en verdachte,

en

b) een arbeidsovereenkomst gedateerd 9 mei 2012 tussen

[bedrijf 1] ( [bedrijf 1] . ) en verdachte,

A.

valselijk hebben opgemaakt, immers hebben zij, verdachte, en/of haar mededader telkens valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

-in die arbeidsovereenkomsten doen vermelden en/of laten vermelden dat verdachte en [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan, terwijl in werkelijkheid geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, en het niet de intentie is geweest om een arbeidsovereenkomst tot stand te laten komen,

en

-valselijk en in strijd met de waarheid in voornoemd geschrift is opgenomen

dat verdachte werkzaamheden voor [bedrijf 2] en

[bedrijf 1] . zou verrichten, terwijl in werkelijkheid geen werkzaamheden zijn verricht, en het niet de bedoeling is geweest dat verdachte werkzaamheden zou gaan verrichten,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

2.

op tijdstippen, gelegen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en Soest en/of elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben zij, verdachte, en haar mededader telkens meermalen van voorwerpen te weten geldbedragen, tot een totaal van Euro € 145.816,00

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik van gemaakt terwijl zij, verdachte en haar mededader wisten dat die geldbedragen -middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

Feit 1: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Feit 2: Medeplegen van gewoontewitwassen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 31 dagen, met aftrek van voorarrest en een werkstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair integraal vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de impact die de zaak op [verdachte] heeft gehad. Zo heeft [verdachte] last van de negatieve media-aandacht die deze zaak teweeg heeft gebracht en is zij persoonlijk failliet verklaard. De raadsman heeft verzocht te volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door valse arbeidsovereenkomsten op haar naam te ondertekenen, terwijl het niet de bedoeling was dat zij werkzaamheden zou gaan verrichten en zij ook nooit heeft gewerkt. Op basis van deze valse arbeidsovereenkomsten heeft verdachte [verdachte] salaris ontvangen. Ook heeft verdachte [verdachte] zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag van € 145.816,00, zijnde de door haar ontvangen salarissen. Voorgaande feiten vormen een ernstige bedreiging voor de legale economie en tasten de integriteit van het financiële economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit. Dat heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Door de verdediging is verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de negatieve media-aandacht die deze zaak teweeg heeft gebracht. De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding om hiermee bij het bepalen van de duur van een op te leggen straf ten voordele van verdachte rekening te houden. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het algemeen aanvaardbaar dat strafzaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen. Dat over deze strafzaak door de media is gepubliceerd, is een gevolg van de aard en omvang van het opsporingsonderzoek, alsmede van de omvang van de fraude en het aantal gedupeerden. Niet gebleken is dat sprake is van onaanvaardbare media-aandacht, zodat de rechtbank hiermee geen rekening zal houden bij de strafmaat.

De rechtbank heeft acht geslagen op het blanco strafblad van verdachte en kennis genomen van de impact die het voorarrest op verdachte [verdachte] heeft gehad. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de ondergeschikte rol die [verdachte] in het geheel van deze omvangrijke strafzaak heeft gehad. Zij heeft niet zelf het initiatief genomen voor het begaan van de bewezen verklaarde strafbare feiten. De rechtbank rekent haar wel aan dat zij zich volkomen passief heeft opgesteld ten aanzien van de geldstromen waarvoor haar rekeningen zijn gebruikt.

Anders dan de officieren van justitie acht de rechtbank een lager witwasbedrag wettig en overtuigend bewezen. Dit maakt echter niet dat de rechtbank een lagere straf op zal leggen dan door de officieren van justitie geëist. Rekening houdend met straffen die in soortgelijke zaken opgelegd worden, acht de rechtbank de straf zoals geëist ook met een lager witwasbedrag passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 225, 420 bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

- Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Feit 2: Medeplegen van gewoontewitwassen.

- Verklaart het bewezene strafbaar.

- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 31 (zegge: eenendertig) dagen.

- Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

- Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 150 (zegge: honderdvijftig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 (zegge: vijfenzeventig) dagen.

Voorlopige hechtenis

- Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en A.M. Verhoef, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 december 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

Zij, verdachte, op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 mei 2012 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of Soest en/of Baarn

en/of Amstelveen en/of elders in Nederland, en/of in Duitsland (telkens)

tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen, te weten

a. a) een arbeidsovereenkomst gedateerd 17 september 2013 tussen

[bedrijf 2] en verdachte (D-841),

en/of

b) een arbeidsovereenkomst gedateerd 9 mei 2012 tussen

[bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] . ) en verdachte (D-1072),

A.

valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of

heeft vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben

zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk en/of

in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

-op/in die arbeidsovereenkomst(en) vermeld en/of doen vermelden en/of laten

vermelden dat verdachte en [bedrijf 2] en/of [bedrijf 1] .

een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan, terwijl in werkelijkheid geen

arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, en/of het niet de intentie is

geweest om een arbeidsovereenkomst tot stand te laten komen,

en/of

-valselijk en/of in strijd met de waarheid in voornoemd geschrift is opgenomen

dat verdachte werkzaamheden voor [bedrijf 2] en/of

[bedrijf 1] . zou verrichten, terwijl in werkelijkheid geen werkzaamheden zijn

verricht, en/of het niet de bedoeling is geweest dat verdachte werkzaamheden

zou gaan verrichten,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

en/of

B.

(telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van en/of heeft/hebben

afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl verdachte en/of (een

of meer van) haar mededader(s) (telkens) wist(en) of redelijkerwijs moest(en)

vermoeden, dat dat/die geschrift(en) (telkens) bestemd was/waren voor gebruik

als ware deze echt en onvervalst;

bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat -zakelijk weergeven-

verdachte en/of ( een of meer van) haar mededader(s) op/in die

arbeidsovereenkomst(en) vermeld(en) en/of laten vermelden dat verdachte en

[bedrijf 2] en/of [bedrijf 1] . een arbeidsovereenkomst zijn

aangegaan, terwijl in werkelijkheid daar geen sprake van was en/of het niet de

intentie is geweest om een arbeidsovereenkomst tot stand te laten komen, en/of

valselijk en/of in strijd met de waarheid in voornoemd geschrift is opgenomen

dat verdachte werkzaamheden voor [bedrijf 2] en/of

[bedrijf 1] . zou verrichten, terwijl verdachte in werkelijkheid geen werkzaamheden

heeft verricht en/of het (ook) niet de intentie is geweest dat verdachte

werkzaamheden zou gaan verrichten,

en

bestaande het gebruik maken van voornoemde arbeidsovereenkomst(en) hierin dat

verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) die arbeidsovereenkomst in

de administratie van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 1] . hebben

opgenomen of doen opnemen en/of

salaris van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 1] heeft/hebben

ontvangen,

zulks terwijl zij verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) en/of

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd

was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

Artikel 225 lid 1 en 2 jo 47 van het Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Zij, op een of meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 1

januari 2010 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of Soest en/of

Baarn en/of Amstelveen en/of elders in Nederland en/of Duitsland, (telkens)

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen

van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte,

en/of haar mededaders (telkens) meermalen van (een) voorwerp(en) te weten

(een of meerdere) geldbedrag(en), tot een totaal van Euro 540.340,12 (D-1415),

althans enig(e) geldbedrag(en), de werkelijke aard, herkomst, de vindplaats,

de vervreemding of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of voornoemd(e)

voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of

omgezet en/of gebruik van gemaakt terwijl zij, verdachte en/of haar

mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Artikel 420ter/420bis lid 1 sub a en b jo artikel 47 lid 1 Wetboek van

Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsoverwegingen voorkomen, verwijzen -voor zover niet anders vermeld- naar de schriftelijke stukken die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD Belastingdienst kantoor Utrecht, dossiernummer 49503, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en hulpofficier van justitie [hulpofficier van justitie] .

3 D-1072, p. 7398.

4 D-1072, p. 7395.

5 D-1072, p. 7396.

6 D-1072, p. 7395 t/m p. 7398.

7 D-841, p. 6378.

8 D-841, p. 6375.

9 D-841, p. 6376.

10 D-841, p. 6375 t/m p. 6378.

11 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 oktober 2015.

12 V-014-01, p. 2131.

13 V25-02, p. 2273.

14 V12-01, p. 2030.

15 De verklaring van [medeverdachte] afgelegd bij de rechter-commissaris d.d.12 februari 2015, p. 6.

16 D-566, p. 3953 e.v.; D-724, p. 5182 e.v.

17 D-1415, p. 8446 tot en met p. 8450.

18 D-1361, p. 8299 tot en met 8307.

19 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 oktober 2015.