Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8684

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
04-12-2015
Zaaknummer
3676575 LC EXPL 14-5661
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser stelt voormalig werkgever aansprakelijk voor geleden schade op grond van art. 7:658 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1202
AR 2015/2432
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Lelystad

zaaknummer: 3676575 LC EXPL 14-5661

Vonnis van 12 augustus 2015

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] (Spanje),

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het voorwaardelijke incident,

gemachtigde: mr. G.J. Knotter,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Abbott Healthcare Products B.V., h.o.d.n. Solvay Duphar,

gevestigd te Weesp,

verder ook te noemen Solvay Duphar,

gedaagde partij in de hoofdzaak

eisende partij in het voorwaardelijke incident,

gemachtigde: mr. J. Meyst-Michels.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 februari 2015

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 mei 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 23 september 1974 in dienst getreden van Philips Duphar B.V. een rechtsvoorgangster van Solvay Duphar, aanvankelijk als bedieningsvakman chemische productie/1e (proces)operator en vanaf 1982 als chef productie.

2.2.

[eiser] is op 7 november 1985 uitgevallen na een wisselende periode van re-integratie. Hij is sedert 15 mei 1987 volledig arbeidsongeschikt. Het dienstverband is geëindigd per 1 november 1990.

2.3.

Bij brief van 16 juni 2005 van de Stichting Bureau Beroepsziekten FNV is Solvay Duphar aansprakelijk gesteld voor de schade geleden door [eiser] op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek.

2.4.

In een rapportage van 10 juni 1997 van de verzekeringsarts van het GAK M. van Boom is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

2.0

Onderzoek

2.1

Onderzoeksactiviteiten

Belanghebbende werd gezien op het spreekuur d.d. 29-5-97 i.v.m. een 2 jaar geleden gepland heronderzoek.

(…)

Informatie van derden:

zie het recente vaste deskundige rapport in de lopende beroepszaak, hieruit blijkt duidelijk dat er forse beperkingen zijn, weliswaar ligt er een tijd van bijna 2 jaar tussen dit rapport en het psychologisch onderzoek voorafgaand aan de schatting. Een geleidelijke verergering is mogelijk.

3.0

Diagnose

organisch psychosyndroom, cognitieve beperkingen

Diagnosecode:0P

4.0

Beschouwing

4.1

Beperkingen en mogelijkheden

Belanghebbende is niet in staat tot funktioneren in gezinssituatie of zonder toezicht of begeleiding, werken op de vrije arbeidsmarkt is gezien de recente psychologische testuitslagen niet mogelijk te achten.

(…)

4.3.

Reactie van belanghebbende

‘Accoord met mijn standpunt, maar belanghebbende acht zichzelf al sinds het voorgaande onderzoek 2 jaar geleden volledig a.o. hij kan geen moment van verergering aangeven ,allen een periode met virusklachten,niet ziekgemeld voor de huidige klachten

Telefonisch geeft zijn juridisch adviseur dan ook te kennen dat belanghebbende zichzelf niet ziek zal melden,omdat er doorlopende volledige a.o.heid wordt geclaimd.

2.5.

In het kader van het door [eiser] ingestelde beroep tegen een beslissing van het GAK om zijn WAO-uitkering te verlagen is in opdracht van de rechtbank Haarlem een psychiatrisch en psychologisch onderzoek ingesteld door N. van Loenen, psychiater en E.H. Ameling psycholoog. In dit rapport gedateerd 28 maart 1997, is als diagnose onder meer vermeld: persisterende dementie door vluchtige stoffen.

2.6.

Het GAK heeft de WAO-uitkering van [eiser] vervolgens weer uitbetaald op grond van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100.

2.7.

In de beroepsprocedure tegen de verlaging van de uitkering heeft [eiser] zich laten bijstaan door een gemachtigde.

3 Het geschil en de beoordeling daarvan

in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert voor recht te verklaren dat Solvay Duphar aansprakelijk is voor zijn schade, alsmede uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Solvay Duphar tot vergoeding van zijn materiele en immateriële schade, zulks nader op te maken bij staat, alsmede tot betaling van een voorschot van € 50.000,00 op zijn arbeidsvermogensschade alsook een voorschot op de buitengerechtelijke incassokosten ter grootte van € 11.434,00, met veroordeling van Solvay Duphar in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat hij tijdens het dienstverband met Solvay Duphar in de uitvoering van zijn werkzaamheden, zonder adequate bescherming, is blootgesteld aan een veelvoud van voor de gezondheid schadelijke (chemische) stoffen en oplosmiddelen ten gevolge waarvan hij materiele en immateriële schade lijdt. [eiser] meent dat de ten gevolge van de blootstelling opgelopen klachten zijn te duiden als Organo Psycho Syndroom dan wel Chronische Toxische Encephalopathie. [eiser] stelt voorts dat Solvay Duphar is tekortgeschoten in het nemen van maatregelen ter voorkoming van die blootstelling en dat Solvay Duphar daarom aansprakelijk is voor de door die blootstelling geleden schade. [eiser] maakt verder aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten nu hij veel onderzoek naar de schade heeft moeten laten verrichten.

3.3.

Solvay Duphar heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen en primair een beroep gedaan op verjaring en op het bepaalde in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek. Solvay Duphar voert aan dat [eiser] eerst bij brief van 16 juni 2005 aansprakelijk is gesteld terwijl bij [eiser] in juni 1997 de diagnose OPS was gesteld en hij daarmee bekend was, terwijl [eiser] zelf in 1988 reeds heeft uitgesproken ervan overtuigd te zijn dat zijn klachten het gevolg waren van het contact met oplosmiddelen gedurende zijn werkzaamheden bij Solvay Duphar. In juni 1997 is derhalve voldaan aan de voor aanvang van de verjaring gestelde eisen van bekendheid met zijn schade en de daarvoor aansprakelijke partij. Wat betreft de daadwerkelijke bekendheid met de schade heeft Solvay Duphar nog aangevoerd dat daarvan sprake is wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan en dat die mate van zekerheid in het algemeen pas aanwezig zal zijn wanneer een ter dier zake deskundige arts de oorzaak is gediagnosticeerd. Solvay Duphar meent dat, nu door de verzekeringsarts aan [eiser] en zijn gemachtigde in juni 1997 is kenbaar gemaakt dat zijn gezondheidsklachten zijn veroorzaakt door de blootstelling aan toxische stoffen gedurende zijn werkzaamheden bij Solvay Duphar, zijn vordering op Solvay Duphar op of omstreeks 10 juni 2002 is verjaard, vijf jaar na zijn bekendheid met de diagnose OPS. Voorts meent Solvay Duphar dat ook psychiater Van Loenen als ter zake deskundig kan worden aangemerkt. Dat deze diagnose naar de mening van Solvay Duphar achteraf niet juist blijkt te zijn, doet aan de verjaring van de vordering niet af, omdat het gaat om de subjectieve bekendheid waarvan in dit geval sprake is.

3.4.

[eiser] heeft gesteld dat de psychiater Van Loenen niet als een ter zake deskundige kan worden aangemerkt nu hij geen specialist is op het gebied van toxische stoffen, dat zijn toenmalige gemachtigde het rapport van Van Loenen heeft ontvangen maar hij zelf niet, en dat de verzekeringsgeneeskundige als ter zake deskundige kan worden aangemerkt maar dat hij [eiser] destijds in 1997 in het gesprek niet heeft meegedeeld dat er sprake was van OPS.

3.5.

De kantonrechter laat in het midden of van Loenen destijds als een ter zake deskundige kan worden aangemerkt nu op grond van de onweersproken stelling van [eiser] zelf de verzekeringsgeneeskundige als ter zake deskundige arts moet worden aangemerkt en [eiser] niet heeft weersproken dat zijn gemachtigde in ieder geval wel op de hoogte was van diens diagnose. Dit betekent dat in ieder geval voor de gemachtigde van [eiser] in of omstreeks juni 1997 voldoende zekerheid bestond omtrent de oorzaak van de klachten van [eiser] om Solvay Duphar ter zake aansprakelijk te stellen. Deze wetenschap bij de gemachtigde moet aan [eiser] worden toegerekend nu geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan die wetenschap niet aan [eiser] zou moeten worden toegerekend, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat [eiser] op dat moment niet in staat was om een vordering tegen Solvay Duphar in te stellen. Solvay Duphar heeft dan ook terecht betoogd dat de verjaringstermijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek op of omstreeks 10 juni 1997 is aangevangen en dat de vordering van [eiser] is verjaard, nu Solvay Duphar eerst bij brief van 16 juni 2005 door [eiser] aansprakelijk is gesteld voor zijn schade.

in het voorwaardelijke incident

3.6.

Solvay Duphar heeft voor het geval het beroep op verjaring of op het bepaalde in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek niet opgaat, gevorderd [eiser] te veroordelen een aantal bescheiden in het geding te brengen.

3.7.

Nu de aan de incidentele vordering gestelde voorwaarde niet in vervulling is gegaan, behoeft deze vordering geen bespreking meer.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Solvay Duphar, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.200,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2015.