Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:865

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2015
Datum publicatie
13-02-2015
Zaaknummer
384126/ HA RK 15-3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 384126/ HA RK 15-3

beslissing van 6 februari 2015 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken, zitting houdend te Lelystad

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker tot wraking,

verder te noemen verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 januari 2015

- een schriftelijke verweer van 16 januari 2015 van mr. H. Benek

- een schriftelijke toelichting op de wrakingsgronden van 19 januari 2015

- een nadere schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van 21 januari 2015 van mr. H. Benek

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 23 januari 2015 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is namens verzoeker zijn gemachtigde de heer [A] verschenen. Namens het College van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Zuiderzeeland is mr. E.M. Tannehill verschenen. Mr. H. Benek is – met bericht van verhindering – niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. H. Benek als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter) van het door [verzoeker] ingestelde beroep tegen een besluit van het College van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Zuiderzeeland (hierna: Waterschap Zuiderland) van 9 september 2014, geregistreerd onder zaaknummer UTR 14/5810 WOB T3 S200.

2.2.

Verzoeker heeft objectieve partijdigheid aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft, zakelijk weergegeven, gesteld , dat de rechter te veel doorvroeg naar zijn belang bij het indienen van zijn verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Bij het indienen van een Wob-verzoek hoeft een indiener geen belang te stellen. Alleen als aanstonds uit het Wob-verzoek blijkt dat sprake is van misbruik van recht dient een rechter daar op in te gaan. Er werden subjectieve vragen gesteld die niets van doen hadden met de behandeling van de zaak.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter heeft in haar schriftelijk verweer, zakelijk weergegeven, het navolgende naar voren gebracht. Ter zitting is de vraag gesteld wat het belang van verzoeker was bij het indienen van het Wob-verzoek. Daarbij is aangegeven dat deze vraag mede gesteld werd, omdat Waterschap Zuiderzeeland in haar verweer aangeeft dat er een sterk vermoeden is van misbruik van recht. De rechtbank dient in dat geval ook ambtshalve in te gaan op de vraag of eiser de aan hem op grond van de Wob toekomende bevoegdheden op de juiste wijze heeft gebruikt.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

4.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 van de Awb en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat van uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor

bedoeld niet is gebleken. Een van de verweren die Waterschap Zuiderzeeland bij de behandeling van het beroep heeft aangevoerd is dat sprake is van misbruik van recht. Het enkele feit dat een indiener van een Wob-verzoek ingevolge artikel 3 lid 3 van de Wet openbaarheid van Bestuur geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, betekent niet dat in het kader van het onderzoek naar de vraag of al dan niet sprake is van misbruik van recht, geen vraag over het belang bij het indienen van een Wob-verzoek gesteld mag worden. Het doel van een Wob-verzoek kan immers relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

De blijkens het proces-verbaal van de zitting door de rechter gestelde vragen getuigen niet van een vooringenomenheid of van een zoektocht naar bevestigende argumenten voor de aanwezigheid van misbruik van recht. De vragen zijn van onderzoekende aard inzake de vraag of er al dan niet sprake kan zijn geweest van het door verweerder gestelde misbruik van recht. Dat de rechter non-verbaal blijk heeft gegeven van vooringenomenheid is niet gebleken. Verzoeker heeft deze stelling, desgevraagd ter zitting, ook niet nader onderbouwd met concrete feiten die dit gevoel objectief bezien rechtvaardigen.

4.4.

Nu verzoeker ook overigens geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond

waarvan kan worden geoordeeld dat de rechter blijk heeft gegeven van partijdigheid dan wel

van vooringenomenheid dan wel dat de vrees van vooringenomenheid objectief

gerechtvaardigd is, zal de rechtbank het wrakingsverzoek afwijzen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek tot wraking van mr. H. Benek af;

5.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan

verzoeker en mr. H. Benek, alsmede aan de voorzitter van de afdeling bestuursrecht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. O.E. Mulder, voorzitter, mr. J.M. Willems en mr. C.A. de Beaufort als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. B.F. Hammerle,

griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2015.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.