Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8539

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
UTR 14/7699
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak, beroep, exploitatievergunning coffeeshop Amsterdamsestraatweg afgewezen, na tussenuitspraak aanvullende motivering, beroep gegrond met in standlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/7699

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [vestigingsplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van Andel),

en

de burgemeester van Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Verkerk).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een exploitatievergunning voor Coffeeshop [coffeeshop] aan de [adres] te [vestigingsplaats] afgewezen.

Bij besluit van 19 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 13 maart 2015 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 29 april 2015 een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft hierop bij brieven van 9 juni 2015 en 26 juni 2015 een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het op de weg van verweerder ligt om aan te tonen dat de aandacht voor de Amsterdamsestraatweg is geïntensiveerd en dat daardoor in 2013 de Amsterdamsestraatweg een bijzondere positie inneemt die meebrengt dat een afwijzing van de aanvraag is gerechtvaardigd. Verweerder heeft zijn standpunt dat het woon- en leefklimaat op de Amsterdamsestraatweg het niet toe laat dat aan deze weg een coffeeshop wordt gevestigd, onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd.

3. In reactie op de tussenuitspraak heeft verweerder bij brief van 29 april 2015 een aanvullende motivering van de beslissing op bezwaar gegeven en diverse documenten ter onderbouwing daarvan toegezonden. Verweerder heeft de volgende documenten overgelegd en gesteld dat daaruit blijkt dat er sprake is van een onder druk staande leefbaarheid aan de Amsterdamsestraatweg en dat de gemeente Utrecht zich intensief inspant om de leefbaarheid te vergroten:

- Commissiebrief ‘Aanpak Amsterdamsestraatweg’ d.d. 16 juli 2013

- Wijkambities Noordwest 2014-2018 d.d. oktober 2013

- Ontwikkelstrategie Amsterdamsestraatweg d.d. 24 april 2014

- Aanwijzingsbesluit Amsterdamsestraatweg en Coffeeshopbeleid d.d. 24 april 2014 (het Aanwijzingsbesluit).

Daarnaast heeft verweerder nog drie documenten overgelegd die dateren van na het bestreden besluit:

- Plan van Aanpak en Veiligheid, Vergunningen, Toezicht en handhaving d.d. 26 november 2014

- Commissiebrief inclusief voortgangsrapportage en jaarplan 2015 Amsterdamsestraatweg d.d. 16 december 2014

- Voorbereidingsbesluit bestemmingsplan Amsterdamsestraatweg d.d. 12 februari 2015

4. Eiser heeft in zijn zienswijze van 9 juni 2015 en 26 juni 2015 aangevoerd dat geen van deze documenten aantoont dat ten tijde van de aanvraag om een exploitatievergunning door eiser op 15 juli 2013 dan wel ten tijde van de bestreden besluitvorming door verweerder er sprake van is geweest dat het woon- en leefklimaat op de Amsterdamsestraatweg het niet toeliet dat aan deze weg een coffeeshop wordt gevestigd. Eiser voert daarbij aan dat het bestreden besluit dateert van 13 juni 2014, en dat het Aanwijzingsbesluit van 24 april 2014 in werking is getreden op 19 juni 2014 en dus dateert van na het bestreden besluit.

5. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van de aanvraag om een exploitatievergunning van belang is de situatie ten tijde van de beslissing van verweerder. Dat is, gezien de volledige heroverweging in bezwaar, de situatie ten tijde van de beslissing op bezwaar van 19 november 2014. Het standpunt van eiser dat de situatie ten tijde van de aanvraag of het primaire besluit, te weten 15 juli 2013 dan wel 13 juni 2014, bepalend is, volgt de rechtbank dus niet. Het aanwijzingsbesluit van 24 april 2014, gepubliceerd op 19 juni 2014, mag dus wel worden meegewogen, omdat de beslissing op bezwaar dateert van 19 november 2014. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

6. Ten aanzien van de door verweerder bij brief van 29 april 2015 overgelegde documenten die dateren van na de beslissing op bezwaar (zie rechtsoverweging 3), overweegt de rechtbank dat deze stukken niet ten grondslag kunnen hebben gelegen aan de beslissing op bezwaar en daardoor op zichzelf ook niet door verweerder kunnen worden meegenomen in zijn aanvullende motivering voor het bestreden besluit. Echter, de in die stukken beschreven feiten en bevindingen die dateren van vóór de beslissing op bezwaar kunnen wel bevestigen hoe de situatie voor de beslissing op bezwaar was. Aangezien die situatie ook blijkt uit de stukken die dateren van voor de beslissing op bezwaar, is duidelijk dat die situatie ten tijde van de beslissing op bezwaar al bij verweerder bekend was. De documenten die dateren van na het bestreden besluit kunnen in deze zin wel steun bieden aan verweerders aanvullende motivering.
De rechtbank overweegt verder dat bij de beoordeling van de vraag of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, in beginsel moet worden uitgegaan van de op het moment van de uitspraak geldende feiten en omstandigheden, zodat de documenten in dat kader wel ten volle kunnen meewegen.

7. Over eisers standpunt dat uit pagina 10 van het document getiteld “Wijkambities Noordwest 2014-2018” volgt dat het voornaamste bezwaarpunt van omwonenden is de overlast van derden zoals dubbelparkeren, hondenpoep, scooters op de stoep en niet van coffeeshops, overweegt de rechtbank als volgt. Dat deze door omwonenden ervaren overlast van derden anders is dan de overlast die kan worden ervaren door de vestiging van een coffeeshop, is niet doorslaggevend bij de vraag of het woon- en klimaat een coffeeshop toelaat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat als dit woon- en leefklimaat al door allerlei oorzaken onder druk staat, een nieuwe vorm van overlast dan wel onrust te veel kan zijn.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het overleggen van de documenten als omschreven in rechtsoverweging 3 voldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd dat het woon- en leefklimaat op de Amsterdamsestraatweg het niet toelaat dat aan deze weg een coffeeshop wordt gevestigd. Hierbij acht de rechtbank met name van belang het Aanwijzingsbesluit van 24 april 2014, gepubliceerd in het Gemeenteblad op 19 juni 2014, waarin het college van burgemeester en wethouders heeft besloten om het gebied Amsterdamsestraatweg tussen de Daalsetunnel/Weerdsingel en Muyskensstraat/De Lessepstraat (waarin ook [adres] is gelegen) aan te wijzen als gebied waar in de periode van 3 jaar vanaf het moment van bekendmaking geen gebruik zal worden gemaakt van de bevoegdheid om coffeeshops te gedogen, en deze mogelijkheid van gebiedsaanwijzing op te nemen in het beleid Coffeeshops. Dit aanwijzingsbesluit vloeit volgens verweerder voort uit de ten tijde van dit besluit al verhoogde toezicht- en handhavingsinspanning en het economisch en maatschappelijk functioneren dat zwaar onder druk staat. Deze inspanning en economische en maatschappelijke situatie wordt beschreven in de hierna vermelde documenten die verweerder eveneens heeft overgelegd.

In de commissiebrief ‘Aanpak Amsterdamsestraatweg’ van 16 juli 2013 is overzichtelijk weergegeven welke resultaten het dan al ingezette integrale traject van handhaving en veiligheid heeft opgeleverd. Ook blijkt uit deze brief dat het college van burgemeester en wethouders na 16 juli 2013 doorgaat met de geïntensiveerde handhavingsaanpak aan de Amsterdamsestraatweg en verder werkt aan diverse andere plannen en ontwikkelingen op de Amsterdamsestraatweg.

In het rapport ‘Wijkambities Noordwest 2014-2018’ van oktober 2013 is de integrale aanpak van de Amsterdamsestraatweg als speerpunt genoemd in deze wijkambitie. Op pagina 6 van dit rapport staat het volgende vermeld: “In het huidige economische klimaat, en kijkende naar de ontwikkelingen in de detailhandel (onder andere meer internetwinkelen) staat de detailhandelsfunctie behoorlijk onder druk. Er is sprake van toenemende activiteiten in de dienstverlening (kappers, administratiekantoren, woning/kamerverhuurbedrijven, massagesalons) en zeer uiteenlopende horeca. De klanten van een aantal ondernemingen in deze sectoren veroorzaken behoorlijk veel overlast voor andere bezoekers en omwonenden van (de omgeving van) de AWS. Er is een behoorlijke inspanning nodig om de leefbaarheid op en in de omgeving van de Amsterdamsestraatweg op peil te houden.” Op pagina 14 van dit rapport staat onder conclusies voor de wijk voor de Amsterdamsestraatweg onder meer vermeld dat leegstand, een rommelige aanblik, verkeerdrukte en overlast van enkele zaken zorgen baren. De problemen op de Amsterdamsestraatweg, met name op het middenstuk, hebben effect op de gezondheid van de achterliggende wijken. Er spelen op dit moment zo veel ontwikkelingen op en rond de Amsterdamsestraatweg dat een geïntegreerde aanpak zo niet onvermijdelijk dan wel bijzonder wenselijk is. Als ambitie voor de wijk is op pagina 17 aangegeven dat de aanpak van de Amsterdamsestraatweg de komende jaren speerpunt zal zijn in de krachtwijkenaanpak van Noordwest.

In de Ontwikkelstrategie Amsterdamsestraatweg van 24 april 2014, mede tot stand gekomen door diverse bijeenkomsten in 2013 over de stand van zaken en de toekomstige ontwikkeling van de Amsterdamsestraatweg, is geconcludeerd dat de Amsterdamsestraatweg zich in zwaar weer bevindt en dat een structurele aanpak nodig is om de groei van negatieve ontwikkelingen en overlast te stoppen. Er wordt een groot aantal door de gemeente uit te voeren maatregelen voorgesteld om een omslag te bereiken op de Amsterdamsestraatweg. Daarbij is, als onorthodoxe maatregel, het beleid ten aanzien van het vestigen van coffeeshops expliciet genoemd.

9. Uit de documenten die dateren van na het bestreden besluit blijkt duidelijk dat, zoals verweerder ook stelt, er nog steeds sprake is van een onder druk staand woon- en leefklimaat aan de Amsterdamsestraatweg. Er wordt door diverse betrokken partijen voortdurend bijzondere aandacht geschonken en inzet gepleegd om het tij aan de Amsterdamsestraatweg te keren.

10. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder voldoende nader heeft onderbouwd dat de aandacht voor de Amsterdamsestraatweg is geïntensiveerd en dat daardoor in 2013 de Amsterdamsestraatweg een bijzondere positie inneemt die meebrengt dat een afwijzing van de aanvraag is gerechtvaardigd. De leefbaarheid aan de Amsterdamsestraatweg staat onder druk. Het woon- en leefklimaat op de Amsterdamsestraaatweg laat het niet toe dat aan deze weg een coffeeshop wordt gevestigd. Verweerder heeft de exploitatievergunning voor Coffeeshop [coffeeshop] derhalve terecht geweigerd.

11. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, mede gelet op de stukken van na de beslissing op bezwaar waaruit blijkt dat de intensieve aanpak na november 2014 is voortgezet om het woon- en leefklimaat (verder) te verbeteren en dat verweerder heel kritisch is bij vestiging van nieuwe ondernemingen.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.715,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.715,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.