Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:845

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2015
Datum publicatie
13-02-2015
Zaaknummer
16/662093-14 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt aan een man de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 35.608,94 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank ontleent aan de inhoud van het vonnis en het strafdossier het oordeel dat de man van een hennepplantage voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/662093-14 (ontneming)

vonnis van de rechtbank d.d. 13 februari 2015

in de ontnemingszaak tegen:

[veroordeelde], hierna te noemen veroordeelde,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1973],

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Nieuwegein” te Nieuwegein.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit het volgende:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/662093-14 waaruit blijkt dat veroordeelde op

13 februari 2015 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank is veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf ter zake de teelt van hennepplanten en diefstal van elektriciteit;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, proces-verbaal PL0900-2014212288-1, pagina 219-231;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

- de overige stukken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 30 januari 2015 is de officier van justitie gehoord. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.K. Jap a Joe, advocaat te Utrecht.

2 De beoordeling

2.1

De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 35.612,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat verdachte tijdelijk de verzorging van de hennepplanten heeft gedaan voor een ander en geen voordeel heeft genoten uit deze hennepplantage.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij vonnis van 13 februari 2015 heeft de rechtbank bewezen verklaard dat veroordeelde hennepplanten heeft geteeld en aanwezig heeft gehad.

De rechtbank ontleent aan de inhoud van het voornoemde vonnis en het strafdossier het oordeel dat veroordeelde door middel van het begaan van voornoemd feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

Aan de inhoud van de wettige bewijsmiddelen ontleent de rechtbank de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 35.608,94. De rechtbank gaat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de berekening in het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, PL0900-2014212288-1.

Bij de bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten:

- de rechtbank stelt vast dat er bij de doorzoeking van de woning aan de [adres] te [woonplaats] op 2 augustus 2014 een in werking zijnde hennepkwekerij, met daarin drie ingerichte kweekruimtes, is aangetroffen. De twee kweekruimtes op de eerste verdieping waren ten tijde van de doorzoeking niet voorzien van hennepplanten. Op de zolderverdieping is een in werking zijnde kweekruimte aangetroffen met planten van ongeveer 2 weken oud;

- de rechtbank stelt vast dat er in de eerste kweekruimte 68 potten zijn aangetroffen, in de tweede kweekruimte 48 potten en in de derde kweekruimte 96 potten;

- gelet op de aangetroffen vervuiling van de koolstoffilters en afzuigers, verkleuring van hout in de kweekruimtes, het aantreffen van hennepresten, droognetten, wortelresten en een cannacutter is aannemelijk geworden dat veroordeelde in de periode van 1 maart 2014 tot 2 augustus 2014 tweemaal eerder hennepplanten heeft geoogst in alle drie de kweekruimtes;

- de rechtbank stelt vast dat de gemiddelde oogst per plant, naar uit ervaringsregels en politieonderzoek is gebleken, bij een kwekerij als bij veroordeelde is aangetroffen 28,2 gram per plant oplevert;
- de gemiddelde verkoopprijs per gram hennep bedraagt volgens ervaringsregels € 3,28.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van de opbrengsten van de oogsten:

Bruto opbrengt

Kweekruimte 1: (68 planten x 28,2 gram) x € 3,28 = € 6.289,73

Kweekruimte 2: (48 planten x 28,2 gram) x € 3,28 = € 4.439,81

Kweekruimte 3: (96 planten x 28,2 gram) x € 3,28 = € 8.879,61

De bruto opbrengst van de oogsten: 2 oogsten x (€ 6.289,73 + € 4.439,81 + € 8.879,61) =
€ 39.218,30

Kostenberekening

Verder gaat de rechtbank uit van de volgende kostenposten die naar het oordeel van de rechtbank zijn toe te schrijven aan de oogsten in de voornoemde periode:

- de rechtbank zal de prijs van een hennepstekje vaststellen op € 2,85 per stuk;

- de rechtbank zal de variabele kosten op gemiddeld € 3,33 per plant stellen;
- de rechtbank zal de kosten voor verwerking van de planten - ervan uitgaande dat de planten zijn verwerkt met de sterk vervuilde cannacuttter welke is aangetroffen in kweekruimte 3 - op € 0,21 per plant stellen;

- de rechtbank zal de afschrijvingskosten van de investering die veroordeelde heeft moeten maken voor het inrichten en opbouwen van een kweekruimte vaststellen op € 150,00 per oogst.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van de totale kosten: (212 planten x € 2,85) + (212 planten x € 3,33) + (212 planten x € 0,21) x ( 3 kweekruimtes x € 150,00) = € 1.804,68 per oogst.

Omdat sprake is van twee oogsten, bedraagt het totaal van de op het berekende voordeel in mindering te brengen kosten 2 x € 1.804,68 = € 3.609,36.

Netto wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het netto

wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op een bedrag van opbrengst
€ 39.218,30,- minus kosten van € 3.609,36 = € 35.608,94.

3 De beslissing

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 35.608,94.
Zij legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 35.608,94 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en J.M.L. van Mulbregt, rechters, in tegenwoordigheid van drs. E.M.S. Arduin, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2015.