Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8439

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
UTR - 15 _ 1072 en UTR - 15 _ 5079
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Verweerder stelt in het eerste bestreden besluit dat eiser per e-mail bezwaar heeft gemaakt. Deze weg heeft verweerder niet opengesteld voor bezwaar. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft gereageerd op de brief van 17 december 2014 waarin eiser in de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen en heeft daarom het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiser voert in de beroepsgronden aan dat de beslissing op bezwaar is genomen terwijl de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift nog niet was verstreken. Daarnaast stelt eiser dat het bezwaarschrift tevens tijdig per aangetekende post is verzonden. Eiser heeft hiervan een verzendbewijs overgelegd. Uit dit verzendbewijs volgt dat het bezwaarschrift op 19 december 2014 aangetekend is verzonden. In het verweerschrift van 17 april 2015 heeft verweerder, na nader onderzoek te hebben gedaan, de tijdige ontvangst van dit bezwaarschrift bevestigd. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift tijdig bij verweerder is ingediend.

De rechtbank overweegt dat ten tijde van het instellen van beroep tegen het eerste bestreden besluit, te weten 21 februari 2015, het tweede bestreden besluit nog niet was genomen en eiser redelijkerwijs nog niet kon weten dat de proceskostenvergoeding zou worden afgewezen. Hierdoor kan het beroepschrift niet worden opgevat als zijnde tevens gericht tegen het besluit van 12 maart 2015. De rechtbank heeft bepaald dat de beroepsgronden wel dienen te worden opgevat als nieuw beroepschrift. Eiser heeft daarmee op 23 maart 2015 afzonderlijk beroep ingesteld tegen het besluit van 12 maart 2015.

De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 229, derde lid, van de Gemeentewet de heffing van leges kan worden aangemerkt als een gemeentelijke belasting. Op grond van artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet, geschieden de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van onder meer de Invorderingswet en de Kostenwet als waren die belastingen rijksbelastingen. De rechtbank is van oordeel dat de grondslag voor de aanmaning is gelegen in de Kostenwet nu sprake is van het verrichten van invorderingswerkzaamheden zoals omschreven in artikel 1 van de Kostenwet. De rechtbank vindt hiervoor aansluiting in de uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 december 2014 en van het Gerechtshof Amsterdam van 27 september 2012 waarin eveneens aansluiting is gezocht bij de Kostenwet. De rechtbank ziet gelet hierop aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten in de bezwaarprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/1072 en UTR 15/5079

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Wijdemeren, verweerder

Procesverloop

Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 14 januari 2015 (het eerste bestreden besluit) beroep ingesteld. Verder heeft eiser tegen het besluit van 12 maart 2015 (het tweede bestreden besluit) beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

3. Vast staat dat verweerder het primaire besluit met betrekking tot de heffing van leges voor het toezenden van kopieën in het kader van een Wob-verzoek bekend heeft gemaakt op 4 december 2014 door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 15 januari 2015.

4. Verweerder stelt in het eerste bestreden besluit dat eiser per e-mail bezwaar heeft gemaakt. Deze weg heeft verweerder niet opengesteld voor bezwaar. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft gereageerd op de brief van 17 december 2014 waarin eiser in de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen en heeft daarom het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiser voert in de beroepsgronden aan dat de beslissing op bezwaar is genomen terwijl de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift nog niet was verstreken. Daarnaast stelt eiser dat het bezwaarschrift tevens tijdig per aangetekende post is verzonden. Eiser heeft hiervan een verzendbewijs overgelegd. Uit dit verzendbewijs volgt dat het bezwaarschrift op 19 december 2014 aangetekend is verzonden. In het verweerschrift van 17 april 2015 heeft verweerder, na nader onderzoek te hebben gedaan, de tijdige ontvangst van dit bezwaarschrift bevestigd. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift tijdig bij verweerder is ingediend.

5. Verweerder heeft geen andere reden gegeven waarom het bezwaar niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Zo'n andere reden is ook niet op andere wijze gebleken. Verweerder heeft dus ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigt het eerste bestreden besluit en draagt verweerder op alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen.

6. Eiser stelt in de beroepsgronden dat het beroepschrift diende te worden opgevat als gericht tegen twee samenhangende besluiten. Het beroep richt zich tevens tegen de brief van verweerder van 12 maart 2015 waarin de bezwaren van eiser tegen een aanmaning gegrond worden verklaard en eisers verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure is afgewezen. Eiser is het oneens met die afwijzing.

7. De rechtbank overweegt dat ten tijde van het instellen van beroep tegen het eerste bestreden besluit, te weten 21 februari 2015, het tweede bestreden besluit nog niet was genomen en eiser redelijkerwijs nog niet kon weten dat de proceskostenvergoeding zou worden afgewezen. Hierdoor kan het beroepschrift niet worden opgevat als zijnde tevens gericht tegen het besluit van 12 maart 2015. De rechtbank heeft bepaald dat de beroepsgronden wel dienen te worden opgevat als nieuw beroepschrift. Eiser heeft daarmee op 23 maart 2015 afzonderlijk beroep ingesteld tegen het besluit van 12 maart 2015.

8. Op grond van artikel 8:41, derde lid, van de Awb is slechts één keer griffierecht verschuldigd indien belanghebbende in één beroepschrift beroep instelt tegen verschillende, maar met elkaar samenhangende besluiten. Zoals hiervoor reeds is overwogen kan niet worden gezegd dat eiser in één beroepschrift beroep heeft ingesteld tegen beide besluiten. Er is dan ook geen sprake van samenhang zoals bedoeld in artikel 8:41, derde lid van de Awb. Hierdoor is eiser voor beide zaken afzonderlijk griffierecht verschuldigd.

9. Verweerder heeft de proceskostenvergoeding in bezwaar afgewezen omdat de aanmaning is gebaseerd op artikel 11 van de Invorderingswet 1990 (Invorderingswet). Uit artikel 1, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 volgt dat hoofdstuk 7 van de Awb niet van toepassing is bij bezwaren tegen invorderingsmaatregelen. Eiser stelt dat de bezwaarprocedure is gebaseerd op artikel 7 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) en dat eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure.

10. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 229, derde lid, van de Gemeentewet de heffing van leges kan worden aangemerkt als een gemeentelijke belasting. Op grond van artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet, geschieden de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van onder meer de Invorderingswet en de Kostenwet als waren die belastingen rijksbelastingen. De rechtbank is van oordeel dat de grondslag voor de aanmaning is gelegen in de Kostenwet nu sprake is van het verrichten van invorderingswerkzaamheden zoals omschreven in artikel 1 van de Kostenwet. De rechtbank vindt hiervoor aansluiting in de uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 december 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:5202) en van het Gerechtshof Amsterdam van 27 september 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BY1188) waarin eveneens aansluiting is gezocht bij de Kostenwet. De rechtbank ziet gelet hierop aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten in de bezwaarprocedure.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.470,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 2 punten voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het eerste bestreden besluit op bezwaar van 14 januari 2015;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van 19 december 2014 met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    vernietigt het tweede bestreden besluit op bezwaar van 12 maart 2015, voor zover het betreft de afwijzing van de proceskostenvergoeding in bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.470,-, te betalen aan eiser;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het tweede bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser de door hem betaalde griffierechten van € 90,- (2 x € 45,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van

S. Brussaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.