Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:843

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2015
Datum publicatie
13-02-2015
Zaaknummer
16/661740-14 & 16/662093-14 (ter terechtzitting gevoegd) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een man tot zes jaar gevangenisstraf voor poging doodslag, handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, opzettelijk handelen in strijd de Opiumwet en diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661740-14 & 16/662093-14 (ter terechtzitting gevoegd) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 13 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1973],

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Nieuwegein” te Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. H.K. Jap a Joe, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16/661740-14

feit 1: (primair) op 31 juli 2014 heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel (subsidiair) [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

feit 2: op 31 juli 2014 tezamen en in vereniging met een ander of anderen een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

16/662093-14

feit 1: in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2014 ongeveer 212 hennepplanten heeft geteeld/bereid/bewerkt/verwerkt;

feit 2: in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2014 een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is ten aanzien van parketnummer 16/661740-14 van mening dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer], de verklaring van [A], de verklaring van [B], de medische verklaringen over het letsel van [slachtoffer] en de rapportages van het NFI.

Ten aanzien van feit 2 is de officier van justitie van mening dat verdachte een omgebouwd alarmpistool, zijnde een vuurwapen van categorie III, voorhanden heeft gehad.

De officier van justitie is ten aanzien van parketnummer 16/662093-14 van mening dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 en feit 2 heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de processen-verbaal van bevindingen, de getuigenverklaringen en de rapporten die zich in het dossier bevinden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van parketnummer 16/661740-14 aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is die [slachtoffer] heeft neergeschoten, of dat hij een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van parketnummer 16/662093-14 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte slechts tijdelijk voor een ander de verzorging deed van de hennepplanten. Verdachte was niet de eigenaar van de hennepkwekerij. De raadsman is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van de hennepteelt en van de diefstal van elektriciteit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Parketnummer 16/661740-14, feit 1 primair en feit 2

Aangever [slachtoffer] verklaarde dat hij op 31 juli 2014, omstreeks 19:15 uur, samen met zijn tweelingbroer [A] en een vriend, genaamd [B], in Amersfoort reed toen hij een donkergekleurde Saab zag. Aangever herkende de bestuurder van deze Saab als [medeverdachte]. Aangever zag dat er een man naast [medeverdachte] zat. De man maakte een gebaar met zijn handen waaruit aangever opmaakte dat zij achter hem aan moesten rijden. De Saab reed de parallelweg langs de stadsring op. [B] reed achter dit voertuig aan. De Saab stopte en [B] stopte enkele meters achter dit voertuig. Aangever zag dat de man uitstapte en op de stoep naast de auto stond. Aangever liep in de richting van de man. Op het moment dat aangever naast de auto stond duwde de man hem onmiddellijk met zijn linkerhand achteruit. Tegelijkertijd zag aangever dat de man zijn rechterarm gestrekt voor zich hield en op zijn buik richtte. Aangever hoorde een knal. Aangever voelde dat hij geraakt was. Aangever zag dat de man iets kleins in zijn rechtervuist hield. Aangever keek naar zijn buik en zag een klein puntje. Hij voelde onmiddellijk dat er iets niet goed was. Aangever voelde pijn en begon heftig te zweten.2

De broer van aangever, [A], verklaarde dat er in de auto van het merk Saab twee mensen zaten. De auto werd bestuurd door een vrouw die volgens hem de roepnaam [medeverdachte] (fonetisch) heeft. Bij haar in de auto zat een man. [A] zag dat de Saab een soort parallelweggetje opreed en daar stopte. [A] reed samen met aangever en [B] naar de plek waar de Saab stond. Zij parkeerden een klein stukje achter de Saab. [A], aangever en [B] stapten uit de auto van [B]. [A] zag dat de man uit de Saab ook was uitgestapt. [A] zag dat de man iets in zijn hand had. De man had een donkergekleurde doek of een T-shirt over iets wat hij in zijn handen had. Het wapen dat [A] gezien had was klein van stuk, kleur grijs/zilver. De man had het wapen in zijn rechterhand. Aangever was ongeveer één meter bij deze man vandaan. [A] zag dat aangever het wapen van de man probeerde af te pakken. Op hetzelfde moment hoorde hij een harde knal alsof er werd geschoten. [A] hoorde aangever zeggen dat hij was geschoten. [A] zag een gaatje in de T-shirt van aangever en in zijn buik.3

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat bij aangever een inschotopening in zijn linker-onderbuik werd geconstateerd.4 Op vrijdag 1 augustus 2014 overhandigde internist [internist] in het Meander Ziekenhuis te Amersfoort een potje aan verbalisant [verbalisant 1] met daarin een projectiel. Aan de verbalisant werd medegedeeld dat het projectiel tijdens de operatie in het lichaam van aangever was aangetroffen en uit het lichaam was verwijderd.5 Dit projectiel werd gewaarmerkt met SIN AAHG8352NL.6

Op zondag 3 augustus 2014 werd door verbalisant [verbalisant 2] in het Meander Ziekenhuis te Amersfoort een onderzoek ingesteld naar het letsel van aangever. Volgens de dienstdoende verpleegkundige had aangever het volgende letsel: een geperforeerde dunne darm, waarna ongeveer 50 centimeter dunne darm is verwijderd, beschadiging van de bloedtoevoer naar de urineleider, 2 liter bloedverlies, uitschakeling van de werking van het maag-/darmstelsel. Voor aangever zou een lange periode van herstel volgen.7

Op donderdag 31 juli 2014, omstreeks 20:50 uur, werd sporenonderzoek gedaan op de locatie waar aangever was neergeschoten. Verbalisant [verbalisant 3] zag voor de Renault, de auto waar aangever in had gezeten, een huls (munitie deel vuurwapen) liggen. Deze huls werd gewaarmerkt met SIN AAEO2853NL.8

Door het NFI werd munitieonderzoek gedaan. Uit dit onderzoek is gebleken dat de huls met SIN AAEO2853NL vermoedelijk is verschoten met een omgebouwd alarmpistool van het kaliber 6,35 mm Browning, merk Tanfoglio. De afvuursporen in de kogel met SIN AAHG8352NL passen eveneens bij dit vuurwapen.9

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] is gebleken dat de bestuurder en de bijrijder van de Saab zijn aangehouden op 31 juli 2014, omstreeks 20:00 uur. De bestuurder bleek te zijn genaamd: [medeverdachte]. De bijrijder bleek te zijn genaamd [verdachte] (zijnde verdachte). Om de handen van verdachte werden voor eventuele sporen papieren zakken gedaan.10

Beide handen van verdachte werden afzonderlijk met de daarvoor bestemde hulpmiddelen bemonsterd op de aanwezigheid van schotresten en gewaarmerkt met SIN AAHG8323NL.11

Door het NFI werd schotrestenonderzoek uitgevoerd op onder meer de stubs waarmee de handen van verdachte waren bemonsterd, gewaarmerkt met SIN AAHG8323NL. De deskundige concludeerde dat voornoemd onderzoek een vrijwel zekere relatie heeft aangetoond tussen de stubs van de onderzoekset schiethanden waarmee de handen van verdachte zijn bemonsterd en een schietproces.12

Ter terechtzitting verklaarde verdachte dat hij op 31 juli 2014 als bijrijder in de Saab van zijn vriendin zat. Zijn vriendin bestuurde dit voertuig. Toen hij een woordenwisseling kreeg met de inzittenden van een ander voertuig gaf hij zijn vriendin de opdracht te rijden naar een bedrijventerrein bij de parallelbaan. Verdachte stapte uit en zag dat de drie inzittenden van het andere voertuig op hem af kwamen lopen. Eén van deze inzittenden liep dreigend op hem af en verdachte gaf hem een duw met zijn linkerhand.13

Aanvullende bewijsoverweging

De rechtbank komt, gelet op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, tot het oordeel dat verdachte degene is geweest die aangever [slachtoffer] in zijn buik heeft geschoten met een vuurwapen.

De rechtbank is op grond van de uiterlijke verschijningsvormen van de verweten gedraging van oordeel dat verdachte - met het gericht met een vuurwapen schieten op de buik van aangever [slachtoffer] die op zeer korte afstand van verdachte stond - opzettelijk heeft geprobeerd aangever van het leven te beroven. Doordat op de buik – een kwetsbaar deel van het lichaam met veel vitale organen - is geschoten heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat als gevolg hiervan zodanig letsel zou ontstaan dat de aangever hierdoor had kunnen overlijden. Gezien het opgetreden letsel en het bloedverlies is de kans aanzienlijk dat de aangever zonder medisch ingrijpen daadwerkelijk zou zijn overleden.

De rechtbank komt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging doodslag en acht tevens bewezen dat verdachte op aangever heeft geschoten met een omgebouwd alarmpistool, zijnde een vuurwapen van categorie III.

Parketnummer 16/662093-14, feit 1 en feit 2

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] blijkt het volgende.

De verbalisant sprak op 1 augustus 2014 [getuige 1] die getuige was van de aanhouding van verdachte en [medeverdachte] een dag eerder. De getuige verklaarde dat zij de aangehouden verdachten herkende als bewoners van de [adres]. De getuige verklaarde dat de woning werd onderverhuurd door een man genaamd [C].14

Uit het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming is gebleken dat de politie na een machtiging tot binnentreding toegang tot de woning aan de [adres] heeft verkregen met een sleutel uit de fouillering van verdachte. Op de eerste- en zolderverdieping werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.15

In kweekruimte 1 stonden in totaal 68 potten. In kweekruimte 2 stonden 48 potten. In kweekruimte 3 stonden 96 potten met daarin planten van ongeveer 2 weken oud. Verbalisant [verbalisant 6] stelde met een representatieve bemonstering een aantal hennepplanten veilig. De cannabistest gaf een positieve reactie, indicatief voor hennep en THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld in lijst 2 van de Opiumwet. In de verschillende kweekruimten werden verdroogde resten van hennepplanten aangetroffen. Gezien de aangetroffen situatie hebben er vermoedelijk twee eerdere volledige kweken plaatsgevonden en is tweemaal hennep geoogst in kweekruimte 1, 2 en 3.

De stroomvoorziening van de hennepkwekerij werd onderzocht door [D], fraude-inspecteur bij Stedin Netwerkbeheer B.V., in aanwezigheid van verbalisant [verbalisant 6]. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat er een extra stroomkabel was aangesloten voor de meter en dat de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij niet werd bemeten.16

[D], voormeld, deed op 2 augustus 2014 aangifte van diefstal van ongeveer 37.506 kWh illegaal afgenomen elektriciteit, in de periode van 1 maart 2014 tot en met 2 augustus 2014. Bij controle van de netwerkcomponenten (hoofdleiding, aansluiting en meetinrichting) van Stedin Netwerkbeheer en in de meterkast van het pand aan de [adres] te [woonplaats] zag verbalisant dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast verbroken was.17

De getuige [getuige 2] verklaarde dat de woning aan de [adres] te [woonplaats] eigendom is van zijn vader die in Amerika woont. Omdat zijn vader geruime tijd in Amerika zou blijven is de woning verhuurd aan een man genaamd [naam]. De eerste huurbetaling was in januari 2014. Toen vond ook de sleuteloverdacht plaats. De huur van € 1.300,- werd altijd contant betaald en door [naam] aan hem afgegeven op het station in Amersfoort.18

Aan de getuige werd een foto getoond van verdachte. De getuige herkende verdachte voor 100% als de man die hij [naam] noemde in zijn getuigenverklaring; de man die de sleutel van hem kreeg van [adres] te [woonplaats] en die hem steeds in een enveloppe de huuropbrengst cash overhandigde.19

Aanvullende bewijsoverweging

De rechtbank stelt vast dat verdachte de woning aan de [adres] te [woonplaats] had gehuurd en hiervan ook gebruik maakte. Dit blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 2] die hem herkent als [naam] aan wie de woning is verhuurd en de getuigenverklaring van [getuige 1] die bij zijn aanhouding verdachte en [medeverdachte] herkent als de bewoners van dit pand. Voorts blijkt dit uit het feit dat de huissleutel van dit pand wordt aangetroffen in de fouillering van verdachte. In het licht van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij slechts tijdelijk voor een ander de verzorging van de hennepplanten deed volstrekt ongeloofwaardig. Ook is het ongeloofwaardig dat de verdachte dit, naar eigen zeggen, tegen betaling voor een periode van slechts 3 maanden zou doen, maar dit zonder nadere afspraken te maken en zonder betaald te krijgen is blijven doen gedurende een periode van zes maanden.

De rechtbank acht op grond van dit alles bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2014 een hennepkwekerij heeft gehad in voornoemde woning en ten behoeve van deze hennepkwekerij elektriciteit heeft gestolen.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

16/661740-14

1.

Primair

op 31 juli 2014 in de gemeente Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet op die [slachtoffer] is toegelopen en (vanaf zeer korte afstand) die [slachtoffer] met een vuurwapen in zijn buik heeft geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 31 juli 2014 in de gemeente Amersfoort een vuurwapen van categorie III voorhanden heeft gehad;

16/662093-14

1.

in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2014 in de gemeente Utrecht opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, in een pand aan de [adres], een hoeveelheid van in totaal ongeveer 212 hennepplanten, althans een groot aantal

hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2014 in de gemeente Utrecht,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit (te weten 37.506 kWh) toebehorende aan Stedin, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Parketnummer 16/661740-14

feit 1 primair: poging tot doodslag;

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III;

Parketnummer 16/662093-14

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de ten laste gelegde feiten verzoekt de verdediging aan verdachte een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan geëist door de officier van justitie.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en verboden wapenbezit. Deze strafbare feiten behoren tot de ernstigste categorie misdrijven. Verdachte heeft het slachtoffer zonder noemenswaardige aanleiding in de buik geschoten. Daarmee heeft hij op een schokkende en uiterst grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Door zijn handelen heeft verdachte tevens de rechtsorde ernstig aangetast en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij teweeg gebracht. Strafverzwarend is voorts dat hij zijn daad op de openbare weg heeft verricht in aanwezigheid van meerdere mensen.

Dat het slachtoffer niet is overleden is een gelukkige omstandigheid die zeker niet aan verdachte te danken is. Het slachtoffer ondervindt blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring nog dagelijks de gevolgen van het voorval. Hij heeft ingrijpende operaties moeten ondergaan met een lange genezingsduur en het voorval heeft het slachtoffer ook psychisch ernstig aangegrepen.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan hennepteelt en diefstal van elektriciteit.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op:

- een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 22 september 2014, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor geweldsdelicten;

- een verdachte betreffend rapport van Reclassering Nederland d.d. 12 november 2014, opgemaakt door R. Brouwer, reclasseringswerker, waarin wordt geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur, zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Het slachtoffer [slachtoffer] (16/661740-14, feit 1 primair) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding groot € 11.996,43, waarvan € 10.000,- aan immateriële schade en
€ 1.996,43 aan materiële schade, in het strafproces gevoegd.

9.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit tot matiging van de immateriële schade tot een bedrag van ongeveer € 5.000,-.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van [slachtoffer] levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 1 primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 11.996,43 (elfduizend negenhonderdzesennegentig euro en drieënveertig cent), te weten € 10.000,- aan immateriële schade en € 1.996,43 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 31 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 287, 311van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 55 van de Wet wapens en munitie en het artikel 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 16/661740-14

feit 1 primair: poging tot doodslag;

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III;

Parketnummer 16/662093-14

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van [slachtoffer] (16/661740-14, feit 1 primair) toe tot € 11.996,43 (elfduizend negenhonderdzesennegentig euro en drieënveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 31 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 11.996,43 (elfduizend negenhonderdzesennegentig euro en drieënveertig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 31 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 94 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.A. Gerritse, voorzitter,

mrs. A.R. Creutzberg en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van drs. E.M.S. Arduin, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2015.

BIJLAGE: De tenlastelegging

16/661740-14

1.

Primair

hij op of omstreeks 31 juli 2014 in de gemeente Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat

opzet op die [slachtoffer] is toegelopen en/of (vanaf zeer korte afstand) die [slachtoffer]

met een vuurwapen in zijn buik, althans in het lichaam heeft geschoten,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 31 juli 2014 in de gemeente Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel (te weten een schotwond in de buik en/of geperforeerde dunne darm

waardoor 50 centimeter dunne darm operatief is verwijderd en/of een

beschadiging van bloedtoevoer naar de urineleider), heeft toegebracht, door

opzettelijk met een vuurwapen in de buik van die [slachtoffer] te schieten;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 31 juli 2014 in de gemeente Amersfoort tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen van

categorie II en/of III voorhanden heeft/hebben gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

16/662093-14

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014

tot en met 31 juli 2014 in de gemeente Utrecht opzettelijk heeft geteeld en/of

bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft

gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid

van (in totaal) ongeveer 212 hennepplanten, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan

30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014

tot en met 31 juli 2014 in de gemeente Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een hoeveelheid elektriciteit (te weten 37.506 kWh), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stedin, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om proces-verbaal PL0940/2014210483A, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], blz. 47-51 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

3 Proces-verbaal van verhoor [A], blz. 316-319 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

4 Geneeskundige verklaring d.d. 11 augustus 2014, blz. 55 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 45 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

6 Samenvattend proces-verbaal forensisch onderzoek, blz. 101 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

7 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 46 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

8 Proces-verbaal sporenonderzoek, blz. 105-108 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

9 Rapport NFI Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Amersfoort op 31 juli 2014.

10 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 39 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

11 Proces-verbaal sporenonderzoek, blz. 119-120 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

12 Rapport NFI Schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Amersfoort op 31 juli 2014, blz. 130-140 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

13 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 januari 2014.

14 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 41 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

15 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, blz. 63 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

16 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, blz. 165-171 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

17 Rapport en aangifte diefstal energie, blz. 176-179 van het proces-verbaal genoemd onder 1.

18 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], blz. 234-237 van het proces-verbaal onder 1.

19 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], blz. 240-242 van het proces-verbaal onder 1.