Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8306

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
16/705560-14 (ontneming
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering ontneming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/705560-14 (ontneming)

Beslissing van de rechtbank d.d. 9 oktober 2015

in de ontnemingszaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,

wonende [adres] , [postcode] [woonplaats] .

1 Deprocedure

De procedure blijkt onder meer uit het volgende:

  • -

    de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

  • -

    het strafdossier onder parketnummer 16/705560-14, waaruit blijkt dat verdachte op

  • -

    9 oktober 2015 door de meervoudige kamer van deze rechtbank is veroordeeld ter zake van het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, tot de in die uitspraak vermelde straf;

  • -

    het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

  • -

    de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

  • -

    de overige stukken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn verschenen de officier van justitie en de raadsman van verdachte, mr. S. Arts, advocaat te Breda.

2 De beoordeling

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 190.311,06 . De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de berekening zoals neergelegd in het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie heeft aangegeven dat verdachte weliswaar niet is veroordeeld voor rechtstreekse betrokkenheid bij de hennepkwekerij van haar partner, maar dat zij heeft geprofiteerd van de opbrengst van de kwekerij en die opbrengst heeft witgewassen.

2.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft afwijzing van de vordering bepleit, nu verdachte niet is veroordeeld voor betrokkenheid bij de hennepkwekerij van haar partner. De verdediging acht voorts onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verdachte wist dat het geld afkomstig was van misdrijf.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ontnemingsvordering uit van het in het vonnis bewezen verklaarde feit, te weten – kort gezegd – het aanwezig hebben van hennep en hennepolie. De vordering tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geen betrekking op dit feit, maar op het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde zou hebben gehad uit de door haar partner gedreven hennepkwekerij. Veroordeelde is niet vervolgd voor betrokkenheid bij de hennepkwekerij die in het bedrijfspand van haar partner is aangetroffen. Uit het dossier blijkt echter ook niet dat veroordeelde wist van de hennepkwekerij van haar partner. Reeds om die reden kan, met inachtneming van artikel 36 e Sr, verdachte niet worden veroordeeld tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat zij mogelijk heeft genoten uit de hennepkwekerij. Gelet hierop zal de rechtbank de ontnemingsvordering afwijzen.

3 De beslissing

De rechtbank:

wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Akkermans, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en R.L.M. van Opstal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2015.

De griffier is verhinderd dit vonnis mee te ondertekenen.