Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8258

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
4403240 AC EXPL 15-3630 mc/936
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verstek
Inhoudsindicatie

Verstekzaak. Wck. Richtlijn 93/13. Oneerlijk beding voor zover er na de opeising van het totale openstaande saldo nog een vertragingsvergoeding van 12,67% is gevorderd. Schending van het transparantiebeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 1, p. 33
AR 2015/2311
Prg. 2016/15

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 4403240 AC EXPL 15-3630 mc/936

Verstekvonnis van 4 november 2015

inzake

de vennootschap naar buitenlands recht

Hoist Portfolio Holding Ltd.,

gevestigd te Jersey,

verder te noemen Hoist,

eisende partij,

gemachtigde: M.V. Karansingh, gerechtsdeurwaarder,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij.

De overwegingen van de kantonrechter

Hoist heeft een vordering ingesteld.

[gedaagde] heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen hem verstek is verleend.

Nu Hoist een rechtspersoon naar buitenlands recht is en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Neder-landse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 4 van de in deze zaak toepasselijke Ver-ordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012), nu [gedaagde] woonplaats heeft in Nederland.

Ten aanzien van het op de onderhavige vordering toepasselijke recht overweegt de kanton-rechter dat uit de onweersproken stellingen van Hoist volgt dat op de vordering Nederlands recht van toepassing is.

Hoist vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan haar een bedrag van € 16.915,04 te voldoen, bestaande uit € 15.368,01 aan uitstaand saldo per 20 oktober 2014 en € 1.547,03 aan vertragingsvergoeding vanaf 21 oktober 2014 tot en met 7 augustus 2015, te vermeerderen met de vertragingsvergoeding van 12,67% per jaar over € 15.368,01 vanaf 8 augustus 2015 tot de dag van algehele voldoening. Verder vordert Hoist veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en in de nakosten.

Hoist heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op of omstreeks 19 juli 2007 een overeenkomst van geldlening met haar heeft gesloten, waarbij aan [gedaagde] een krediet is verstrekt tot een maximum van € 10.255,00. Hierbij is een effectieve

kredietvergoeding van 13,4% op jaarbasis overeengekomen. Partijen zijn voorts overeen-gekomen dat [gedaagde] maandelijks een bedrag van € 145,00 zal terugbetalen.

Op deze overeenkomst zijn de door Hoist gehanteerde ‘Algemene Voorwaarden Doorlopend Krediet 0105’ (verder: AV) van toepassing verklaard.

Artikel 8 van de AV (‘Vertragingsvergoeding’) luidt als volgt:

“Ingeval van te late betaling van één of meer maandtermijnen waardoor de kredietlimiet over-schreden wordt, is Cliënt vertragingsvergoeding verschuldigd over het deel van het uitstaand saldo dat de kredietlimiet te boven gaat, indien Cliënt na ontvangst van een ingebrekestelling niet alsnog binnen de in deze ingebrekestelling vermelde termijn betaalt.

De vertragingsvergoeding wordt in dagen nauwkeurig betekend op basis van het in het kader van de krediettransactie overeengekomen effectieve kredietvergoedings-percentage op jaar-basis en op de wijze als vermeld in Artikel 3. De voornoemde vertragingsvergoeding wordt eveneens berekend over het bedrag dat door Kredietgever wordt opgeëist conform Artikel 9, voor zover Cliënt dit bedrag niet binnen de termijn als vermeld in de opeising heeft betaald.”

Artikel 9 van de AV (‘Opeisbaarheid’) luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“In de hierna sub a-f genoemde gevallen is Kredietgever gerechtigd betaling ineens te eisen van het krachtens deze overeenkomst verschuldigde, eventueel te vermeerderen met ver-tragingsvergoeding:

a) Cliënt meer dan twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen maandter-mijn en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichting;”

Vanaf september 2011 heeft [gedaagde] opgehouden te voldoen aan zijn betalings-verplichting.

Op 24 februari 2014 heeft Hoist [gedaagde] erop gewezen dat de betalingsachterstand per 8 januari 2014 € 4.540,39 bedraagt. [gedaagde] is hiermee gesommeerd om dit be-drag binnen 14 dagen na heden te voldoen.

Op 20 oktober 2014 heeft Hoist vervolgens een betalingsherinnering aan [gedaagde] ge-stuurd, waarbij Hoist aan [gedaagde] heeft meegedeeld dat zij ondanks het exploot van 24 februari 2014 geen betaling van de achterstand in de aflossing van het krediet heeft ont-vangen. Verder is [gedaagde] er hierbij op gewezen is dat het uitstaande saldo ziet op een totaalbedrag van € 15.368,01, te voldoen uiterlijk op 27 oktober 2014. Ten slotte heeft Hoist gesteld:

“Daags na 27-10-2014 zal een gerechtelijke procedure worden gestart en zal een van onze gerechtsdeurwaarders de dagvaarding aan u betekenen. (…)”

De kantonrechter overweegt in de eerste plaats dat op deze overeenkomst de Wet op het Consumentenkrediet (Wck), zoals deze tot 25 mei 2011 gold, van toepassing is, aangezien het een consumentenkredietovereenkomst betreft die voor 25 mei 2011 tot stand is gekomen.

De vordering zal wat betreft de hoofdsom bij verstek worden toegewezen, aangezien dit deel van de vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

Wat betreft de over de periode vanaf 21 oktober 2014 tot en met 7 augustus 2015 berekende vertragingsvergoeding ten bedrage van € 1.547,03 overweegt de kantonrechter in de eerste plaats dat uit het feit dat Hoist het hele uitstaande saldo heeft gevorderd, volgt dat zij de overeenkomst met [gedaagde] - kennelijk impliciet - heeft ontbonden per 20 oktober 2014. Onder verwijzing naar enerzijds artikel 9, aanhef en sub a, van de AV, waarin een ter-mijn van “meer dan twee maanden” is vermeld, en anderzijds het gegeven dat de dagvaar-ding niet “daags na 27-10-2014” maar pas op 21 augustus 2015 is betekend aan [gedaagde] , is de kantonrechter van oordeel dat dit deel van de vordering van een onvoldoende onderbouwing is voorzien en als zodanig afgewezen dient te worden. Niet valt immers in te zien hoe Hoist tot het bedrag van € 1.547,03 is gekomen. De kantonrechter overweegt hierbij voorts dat niet wordt ingezien op grond waarvan [gedaagde] , nadat de overeenkomst was ontbonden door Hoist en het gehele uitstaande saldo was opgeëist, gehouden is om ook dan – over de hele periode tot en met 7 augustus 2015 nog de vertragingsvergoeding van 12,67% te betalen. Gelet op de tekst van artikel 9 van de AV kan deze vertragingsvergoeding maximaal nog zien op de daarin genoemde termijn van twee maanden. Dit leidt ertoe dat de vertra-gingsvergoeding van 12,67% over de periode van 21 oktober 2014 tot en met 20 december 2014 zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde vertragingsvergoeding vanaf 8 augustus 2015, die is bepaald op 12,67% per jaar, wordt het volgende overwogen.

In afdeling 3 van hoofdstuk IV van de Wck (artikel 34 e.v.) is dwingend voorgeschreven dat geen andere of hogere kosten in rekening mogen worden gebracht dan die zijn toegestaan op grond van de bepalingen van die afdeling. Op grond van artikel 34, aanhef en sub b, van de Wck is Hoist bevoegd om een vertragingsvergoeding in rekening te brengen. Hoist heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt en heeft daarbij voormeld rentepercentage van 12,67% gehanteerd.

Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 18 december 2012 (ECLI:NL:

GHSHE:2012:BY6612) geoordeeld dat na opeising van het openstaande saldo een vertra-gingsvergoeding over het gehele uitstaande saldo kan worden berekend die qua percentage gelijk is aan de kredietvergoeding, indien dit is overeengekomen. In het onderhavige geval is dit overeengekomen. Naar het oordeel van de rechtbank dient een dergelijk beding echter (ook) te worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (Richtlijn 93/13).

In artikel 3 lid 1 van deze Richtlijn is bepaald dat een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en ver-plichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

Artikel 4 van deze Richtlijn bepaalt verder dat voor de beoordeling van het oneerlijke karak-ter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de over-eenkomst (…) in aanmerking genomen worden, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

Richtlijn 93/13 is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richt-lijnconforme uitleg brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 BW gehouden is het hiervoor bedoelde onderzoek ambtshalve te verrichten. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU is de nationale rechter die heeft vastgesteld dat een beding in een overeenkomst tussen een professionele partij en een consument oneer-lijk is, zonder meer verplicht dat beding voor de consument buiten toepassing te laten. Voor het Nederlandse recht betekent dit dat de rechter, indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13, gehouden is het beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen. De kantonrechter merkt daarbij op dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 14 juni 2012, nr. C-618/10 (ECLI:EU:C:2012:349) volgt dat de rechter een oneer-lijk beding buiten toepassing dient te laten en niet de bevoegdheid heeft om de inhoud van een dergelijk beding te herzien. In aansluiting daarop heeft het Hof van Justitie van de EU in zijn arrest van 30 mei 2013, nr. C-488/11 (ECLI:EU:C:2013:341) beslist dat de nationale rechter, wanneer hij vaststelt dat een boetebeding in een consumentenovereenkomst oneerlijk is, de hoogte van de aan de consument in rekening gebrachte boete niet mag verlagen in plaats van voor de consument het betrokken beding geheel buiten toepassing te laten.

De kantonrechter is van oordeel dat het door Hoist gehanteerde rentepercentage van 12,67% over de periode nadat de vordering in zijn geheel is opgeëist door Hoist vanwege dit (hoge) percentage als een oneerlijk beding als bedoeld in artikel 3 van de Richtlijn moet worden aangemerkt. Dat leidt ertoe dat de kantonrechter gehouden is dit beding te vernietigen. Een beroep van de consument op vernietiging van het beding is hiervoor niet nodig. De vordering van Hoist zal in zoverre dan ook worden afgewezen.

Bij het vorenstaande overweegt de kantonrechter verder nog het volgende. De Europese

Commissie acht artikel 4 van de Richtlijn voldoende geïmplementeerd in artikel 6:233 BW

(advies Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1998 uit hoofde van artikel 169 van het EG-Verdrag, kenbaar uit w.o. 26 470 vergaderjaar 1998/1999, nr. 3 , p. 1; zie ook de Minister van Justitie in w.o. 26 470 nr. 5, p. 1: de wettelijke regeling van artikel 6:233 ‘geeft steeds tenminste dezelfde bescherming’.) Artikel 5 van de Richtlijn 93/13 is, na een procedure tussen commissie en Nederland (zie AB 2001, 34), alsnog geïmplementeerd en bevat het transparantiebeginsel. De rechtbank acht het noodzakelijk ook dit transparantie-beginsel in de onderhavige kwestie te betrekken. Dit volgt bovendien uit artikel 6:238 lid 2 BW, inhoudende dat bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. Gewezen wordt (ter zake dit mede betrekken) op rechtsoverweging 3.10 in het arrest [naam] / [naam] (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691): “(…) dat het beding oneerlijk is in de zin van die richtlijn, mede gelet op de hoogte van de bedongen rente van 2% per maand, die ruim boven de wettelijke rente van art. 6:119 BW ligt en boven de wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW.” Nog afgezien van hetgeen de rechtbank hierboven heeft geoordeeld, is de wijze waarop het bedrag van 12,67% tot stand is gekomen intransparant in de zin van HvJ 30 april 2014 ECLI:EU:C:2014:282 (Kásler) omdat enkel dat percentage [gedaagde] geen duidelijke en begrijpelijk criteria geeft die hem kunnen doen voorzien wat de econo-mische gevolgen zijn die voor hem zijn verbonden aan onmiddellijke opeising. Deze intrans-parantie is met name gelegen in het woordje ‘eventueel’ in artikel 9 van de AV.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten ver-oordeeld. De kosten aan de zijde van Hoist worden begroot op:

- dagvaarding € 96,16

- griffierecht € 932,00

- salaris gemachtigde € 300,00 (1 punt x tarief € 300,00)

Totaal € 1.328,16.

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als na te melden.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Hoist tegen bewijs van kwijting te betalen € 15.368,01, te vermeerderen met de contractuele rente van 12,67% over de periode van 21 oktober 2014 tot en met 20 december 2014;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Hoist, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.328,16, waarin begrepen € 300,00 aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [gedaagde] , indien niet binnen 14 dagen na vandaag vrijwillig volledig aan dit vonnis wordt voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op een half punt van het toepasselijke liquidatietarief, met een maximum van € 100,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat en in het openbaar uitgesproken op

4 november 2015.