Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:822

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
19-02-2015
Zaaknummer
3297580 UC EXPL 14-12432 HvB/1036
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden zijn 6:89 BW klachtplicht, termijn bij gebrek in prestatie advocaat voor en tijdens een procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3297580 UC EXPL 14-12432 HvB/1036

Vonnis van 18 februari 2015

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

procederend in persoon,

tegen:

1. de maatschap

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te Utrecht,

2. [gedaagde sub 2], maat in de [gedaagde sub 1],

wonende te Utrecht,

3. [gedaagde sub 3], maat in de [gedaagde sub 1],

wonende te Houten,

4. de besloten vennootschap

[gedaagde sub 4], maat in de [gedaagde sub 1],

gevestigd te IJsselstein,

5. [gedaagde sub 5], maat in de [gedaagde sub 1],

wonende te Bilthoven,

6. [gedaagde sub 6], maat in de [gedaagde sub 1],

wonende te Olst,

7. [gedaagde sub 7], maat in de [gedaagde sub 1],

wonende te Apeldoorn,

8. [gedaagde sub 8], maat in de [gedaagde sub 1],

wonende te Utrecht,

9. [gedaagde sub 9], maat in de [gedaagde sub 1],

wonende te Utrecht,

10. [gedaagde sub 10], maat in de [gedaagde sub 1],

wonende te Woerden,

11. [gedaagde sub 11], voormalig maat in de [gedaagde sub 1],

wonende te Utrecht

verder ook te noemen[gedaagde sub 1] c.s., dan wel [gedaagde sub 1],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. L.A.M. van Kippersluis.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de akte houdende producties van [eiser] van 6 augustus 2014;

  • -

    het tussenvonnis van 15 oktober 2014;

  • -

    de akte houdende producties van [eiser] van 12 januari 2015;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 januari 2015.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is ingenieur. Hij heeft een apparaat bedacht, de Perio Phone. In mei 2002 heeft [eiser] een overeenkomst gesloten met BroThom Embedded & Electronics Engineering, hierna BroThom, op grond waarvan Brothom de opdracht kreeg een Prototype te ontwerpen. In juli 2002 is deze opdracht aan Brothom aangevuld met de opdracht het prototype door te ontwikkelen.

Een en ander is niet naar tevredenheid van [eiser] geschied.

2.2.

[eiser] heeft zich tot mr. [gedaagde sub 9], advocaat en maat in [gedaagde sub 1], gewend en is bij de rechtbank Den Haag een procedure tegen BroThom gestart.

Bij brief van 23 september 2005 heeft mr. [gedaagde sub 9] aan [eiser] een concept-ingebrekestelling toegezonden. [eiser] wenste niet dat er een ingebrekestelling uit zou gaan omdat hij bang was dat daardoor verhaalsobjecten zouden verdwijnen.

BroThom is voor aanvang van die procedure niet in gebreke gesteld. [eiser] en zijn raadsman hebben zich in deze procedure bij de rechtbank Den Haag op het standpunt gesteld dat ingebrekestelling niet nodig was omdat nakoming door Brothom blijvend onmogelijk was.

De conceptdagvaarding is voorgelegd aan [eiser]. Hij heeft daarop gereageerd, opmerkingen gemaakt en hij heeft zijn instemming gegeven voor het uitbrengen van de dagvaarding.

[eiser] heeft aan mr. [gedaagde sub 9] de technische gegevens gegeven over de Perio Phones verstrekt.

Mr. [gedaagde sub 9] was afhankelijk van [eiser] wat betreft de technische informatie over de Perio Phones.

2.3.

Bij vonnis van 19 juli 2006 heeft de rechtbank Den Haag de vorderingen van [eiser] op BroThom afgewezen. De rechtbank Den Haag heeft daarbij –kort gezegd- overwogen dat er geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst op de grond dat het gekochte niet beantwoordt aan de overeenkomst.

Ten overvloede heeft de rechtbank nog overwogen dat er geen sprake is van de situatie dat nakoming blijvend onmogelijk is, zodat BroThom om in verzuim te geraken eerst in gebreke had moeten worden gesteld.

2.4.

Mr. [gedaagde sub 9] heeft [eiser] met betrekking tot deze procedure € 6.132,54 in rekening gebracht. Daarvan is € 2.000,00 honorarium. Het restant bedrag ziet op griffierechten en deurwaarderskosten.

2.5.

Na het verlies van de procedure bij de rechtbank Den Haag is door [eiser] in overleg met mr. [gedaagde sub 9] er voor gekozen het hoger beroep te laten behandelen door een andere advocaat.

[eiser] heeft de opdracht voor het instellen en het behandelen van het hoger beroep tegen het vonnis van 19 juli 2006 bij het hof Den Haag aan mr. [A], hierna mr. [A], verstrekt.

Mr. [A] heeft BroThom niet alsnog in gebreke gesteld en geen grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat BroThom om in verzuim te geraken eerst in gebreke had moeten worden gesteld.

2.6.

Bij arrest van 30 maart 2010 heeft het hof Den Haag geoordeeld dat de grieven falen en heeft het hof het vonnis van de rechtbank Den Haag bekrachtigd.

Het hof achtte –kort gezegd- het oordeel van de eerste rechter juist dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen komen tot non-conformiteit, nu [eiser] nalaat in hoger beroep zijn klachten gemotiveerd nader te onderbouwen en dit wel op zijn weg had gelegen. Ten overvloede overweegt het hof dat indien het wel tot non-conformiteit had kunnen concluderen, die non-conformiteit nog steeds geen aanleiding had kunnen geven tot toewijzing van de vordering van [eiser], nu BroThom niet in verzuim was. Daarbij wijst het hof erop dat niet is gegriefd van het oordeel van de rechtbank op dit punt.

2.7.

Op 1 december 2008 heeft mr. [gedaagde sub 9] aan [eiser] een brief geschreven met als kenmerk [eiser]/Nationale Nederlanden. In deze brief wordt bevestigd dat [eiser] de zaak tegen mr. [A] verder aan mr. [gedaagde sub 9] wenste uit te besteden. Uit een daaropvolgende brief van 5 december 2008 van mr. [gedaagde sub 9] aan [eiser] blijkt dat Nationale Nederlanden de verzekeraar was bij wie de beroepsaansprakelijkheid van mr. [A] was verzekerd.

2.8.

Bij brief van 4 juni 2009 heeft mr. [gedaagde sub 9] [eiser] totaal € 855,65 in rekening gebracht inzake [eiser]/Nationale Nederlanden.

2.9.

In december 2010 heeft [eiser] mr. [gedaagde sub 9] opnieuw benaderd met het verzoek hem als advocaat bij te staan in een tegen mr. [A] aan te spannen procedure wegens wanprestatie, [eiser] had daartoe al een concept-dagvaarding opgesteld.

Bij e-mail van 22 december 2010 heeft mr. [gedaagde sub 9] [eiser], onder meer, het volgende laten weten:

“…

Na intern overleg ben ik tot de conclusie gekomen dat het niet verstandig is dat ik deze kwestie in behandeling neem. Juist ook omdat ik in eerste aanleg bij de zaak betrokken was. Ik meen dat het mij, en mijn kantoor, daarom niet vrij staat u in deze zaak bij te staan.

…”

2.10.

[eiser] heeft zich vervolgens gewend tot mr. [B], hierna mr. [B].

Deze heeft [eiser] bijgestaan in de procedure tegen mr.[A] bij rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.

Dit heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van

8 mei 2013. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

Uit de inhoud van dit vonnis volgt -kort gezegd- dat mr. [A] beroepsfouten heeft gemaakt door te verzuimen om grieven in te stellen tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de tekortkomingen en omtrent het verzuim.

Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of [eiser] als gevolg van de gemaakte beroepsfouten schade heeft geleden.

Daartoe heeft de rechtbank, goede en kwade kansen afwegend, beoordeeld of in voldoende mate vast staat dat het hof zonder de gemaakte beroepsfouten [eiser] geheel of gedeeltelijk in het gelijk zou hebben gesteld.

Deze vraag heeft de rechtbank -na beoordeling van zowel de stellingen van [eiser] omtrent de non-conformiteiten als van de stellingen met betrekking tot het standpunt dat ingebrekestelling niet nodig was- ontkennend beantwoord. In rechtsoverweging 4.15 heeft de rechtbank, onder meer, overwogen:

“…

Indien [A] tegen het ontbreken van verzuim had gegriefd en dat had toegelicht met de stellingen die [eiser] thans naar voren brengt, had dat, de goede en kwade kansen afwegend niet geleid tot gegrondbevinding van de grief.

Ten aanzien het beroep op het verstrijken van de fatale leverdatum, heeft [eiser] onvoldoende aangetoond dat de leverdatum een fataal karakter heeft.

…”

2.11.

Mr. [B] heeft [eiser] totaal € 4.840,00 inclusief BTW in rekening gebracht voor de werkzaamheden inzake de procedure van [eiser] tegen mr. [A].

2.12.

Bij e-mail van 1 januari 2011 heeft [eiser] [gedaagde sub 9] in gebreke gesteld ter zake het niet (verder) in behandeling nemen van de zaak van [eiser] tegen mr. [A] en ter zake de schade die [eiser] stelt te hebben geleden doordat BroThom niet in gebreke is gesteld. Volgens [eiser], in deze e-mail, waren er ook problemen met meerdere besloten vennootschappen van BroThom, maar had mr. [gedaagde sub 9] [eiser] moeten behoeden voor de problemen die zijn ontstaan door het niet in gebreke stellen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde sub 1] om aan [eiser] te voldoen € 25.000,00, met veroordeling van [gedaagde sub 1] in de proceskosten.

3.2.

De vordering van [eiser] bestaat uit twee posten, te weten:

-€ 5.695,65, onderverdeeld in de kosten die [eiser] heeft moeten maken voor het werk dat mr. [B] heeft geleverd in de zaak tussen [eiser] en mr. [A] ad € 4.480,00 en de kosten ad € 855,65 die [eiser] heeft gemaakt voor het inschakelen van mr. [gedaagde sub 9] voor de beoordeling van de vraag of het zinvol zou zijn dat hij, [eiser], een procedure tegen mr. [A] zou gaan voeren; [gedaagde sub 9] heeft deze opdracht voortijdig beëindigd zodat [eiser] mr. [B] heeft moeten inschakelen;

-maximaal € 19.304,35 ten titel van schadevergoeding, omdat mr.[gedaagde sub 9] jegens hem wanprestatie heeft geleverd door te adviseren dat BroThom voorafgaand aan de procedure bij de rechtbank te Den Haag niet in gebreke hoefde te worden gesteld en door de verschillende vormen van non-conformiteit van de door BroThom geleverde producten in de inleidende dagvaarding niet voldoende duidelijk te omschrijven.

3.3.

[gedaagde sub 1] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde sub 1] baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende.

[eiser] heeft zich pas na 8 mei 2013 (de datum van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in de zaak tussen [eiser] en [A]) op het standpunt gesteld dat een ingebrekestelling van BroThom nodig was om BroThom in verzuim te brengen.

[eiser] heeft mr. [gedaagde sub 9] eerst aangesproken bij e-mail van 1 januari 2011 ter zake het niet in behandeling nemen van de opdracht om te procederen tegen mr. [A], voor het niet in gebreke stellen van BroThom voorafgaand aan de procedure bij de rechtbank Den Haag en voor het onvoldoende concreet omschrijven van de tekortkomingen van de door BroThom geleverde producten in de dagvaarding.

[eiser] heeft aldus niet voldaan aan zijn verplichting om tijdig te klagen als bedoeld in artikel 6:89 BW.

[eiser] had dat eerder kunnen en moeten doen, nu de gestelde fouten van mr. [gedaagde sub 9] in elk geval duidelijk waren na het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2006.

[gedaagde sub 1] wordt hierdoor benadeeld doordat zij niet meer beschikt over het complete dossier van de zaak. Dat is overgedragen aan mr. [A]. Daardoor wordt [gedaagde sub 1] in haar verdediging geschaad.

Bovendien had [gedaagde sub 1], indien zij binnen bekwame tijd aansprakelijk was gesteld, zich intensief willen bemoeien met de procedure in hoger beroep.

[gedaagde sub 1] heeft erop gewezen dat een procedure in hoger beroep er mede toe dient eventueel in eerste aanleg gemaakte fouten te herstellen.

[eiser] heeft mr. [A] ingeschakeld voor het voeren van de procedure in hoger beroep bij de rechtbank Den Haag. Voor zover [eiser] schade mocht hebben geleden, is het causaal verband tussen die schade en een eventueel handelen of nalaten van mr. [gedaagde sub 9] komen te ontbreken. Het handelen van mr. [A] komt immers voor rekening en risico van [eiser] en dient niet bij [gedaagde sub 1] te worden gelegd.

Mr. [gedaagde sub 9] heeft het concept van de inleidende dagvaarding eerst naar [eiser] gestuurd en deze heeft toestemming gegeven om de dagvaarding uit te laten brengen. Mr.[gedaagde sub 9] was voor de technische informatie met betrekking de Perio Phones afhankelijk van [eiser].

De factuur, waarop [eiser] zijn vordering ad € 855,65 stoelt, heeft geen betrekking op het geven van advies omtrent het al dan niet voeren van een procedure tegen mr. [A] maar op een andere zaak die mr. [gedaagde sub 9] voor [eiser] heeft gedaan, namelijk een zaak tegen Nationale Nederlanden. Dat staat ook duidelijk op de desbetreffende declaraties.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft bij gelegenheid van de comparitie van partijen zijn vordering onvoorwaardelijk beperkt tot € 25.000,00 en afstand gedaan van het meerdere.

Dat is niet zo duidelijk in het proces-verbaal van de comparitie van partijen terecht gekomen, vandaar dat de kantonrechter dit hier vermeld.

4.2.

Het meest verstrekkende verweer dat [gedaagde sub 1] voert is dat [eiser] op een eventueel gebrek in de prestatie van mr. [gedaagde sub 9] geen beroep meer kan doen omdat [eiser] niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek had ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken bij mr. [gedaagde sub 9] ter zake heeft geprotesteerd (artikel 6:89 BW).

4.3.

De kantonrechter is het eens met [gedaagde sub 1] dat [eiser] zowel met betrekking tot het niet in gebreke stellen van BroThom als met betrekking tot de inhoud van de inleidende dagvaarding wat betreft de omschrijving van de tekortkomingen van BroThom kort na het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2006 bij [gedaagde sub 9] had kunnen en moeten klagen. Het oordeel van de rechtbank Den Haag is ook voor een goed onderlegde juridische leek als [eiser] voldoende duidelijk.

Gelet op alle omstandigheden van dit geval moet de termijn waarbinnen geprotesteerd had moeten worden gesteld worden op de appeltermijn van drie maanden, dus op uiterlijk drie maanden na 19 juli 2006.

4.4.

[eiser] heeft niet eerder dat 1 januari 2011 geklaagd over de prestatie van mr. [gedaagde sub 9] en dat is te laat.

[eiser] heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat hij eerder heeft geklaagd. Hij heeft niet aangevoerd hoe, bij wie en wanneer hij dan geklaagd zou hebben.

Terecht voert [gedaagde sub 1] aan dat zij door deze te late klacht is benadeeld, doordat zij niet meer over het dossier van de zaak en de processtukken beschikt omdat deze zijn overgedragen aan mr. [A]. Daardoor wordt [gedaagde sub 1] thans beperkt bij het weerleggen van de gestelde aansprakelijkheid in dit geding.

Verder had [gedaagde sub 1], zoals zij stelt, bij een tijdige klacht ook de mogelijkheid gehad zich met het voeren van het geding in hoger beroep te bemoeien, zodat eventuele fouten alsnog hersteld hadden kunnen worden.

Dit moet leiden tot afwijzing van de vordering van [eiser].

4.5.

Maar ook als [eiser] wel tijdig had geklaagd bij mr. [gedaagde sub 9] was zijn vordering niet voor toewijzing vatbaar geweest.

4.6.

Terecht voert [gedaagde sub 1] aan dat [eiser] mr. [A] heeft ingeschakeld voor het voeren van de procedure in hoger beroep.

Het hoger beroep dient, zoals eerder al gezegd, ook tot herstel van in eerste aanleg gemaakt fouten.

Het had op de weg van mr. [A] (al dan niet tezamen met [eiser]) gelegen om in elk geval uitdrukkelijk te onderzoeken of niet toch een ingebrekestelling diende te worden uitgebracht teneinde BroThom in verzuim te brengen en of de tekortkomingen van BroThom niet nog nader dienden te worden omschreven. Indien nodig had daarop de juiste actie moeten worden genomen.

Op die wijze hadden de door [eiser] gestelde oorzaken van de door hem thans gevorderde schade kunnen worden weggenomen, maar dat is niet gebeurd.

[eiser] had ook de door hem gestelde schade op die manier kunnen en moeten beperken.

Terecht voert [gedaagde sub 1] aan dat in de verhouding tussen mr.[gedaagde sub 9] en [eiser] het handelen of nalaten van mr. [A] voor rekening en risico van [eiser] komt en dat daarmee een oorzakelijk verband tussen de door [eiser] gevorderde schade en een eventueel foutief handelen of nalaten van de zijde van mr. [gedaagde sub 9] is doorbroken.

Terzijde wordt in dit verband opgemerkt dat [eiser] hoe dan ook de kosten voor de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank Den Haag had moeten maken om zijn gelijk te krijgen.

4.7.

[eiser] verwijt mr. [gedaagde sub 9] de opdracht om een procedure te starten tegen mr. [A] voortijdig te hebben beëindigd.

Het staat een advocaat in beginsel vrij een opdracht neer te leggen, mits hij dat op zorgvuldige wijze doet en er voor zorg draagt dat zijn cliënt zo min mogelijk nadeel ondervindt.

Mr.[gedaagde sub 9] heeft in zijn hiervoor onder 2.9 weergegeven e-mail de reden gegeven waarom hij het juist acht de opdracht in die zaak (verder) uit te voeren. Het was, ook naar het oordeel van de kantonrechter, bepaald niet uitgesloten dat er in die zaak een tegenstrijdig belang tussen [eiser] en mr. [gedaagde sub 9] zou zijn ontstaan.

Hetgeen mr. [gedaagde sub 9] schrijft is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook een voldoende dragende reden, zodat mr. [gedaagde sub 9] daarmee geen wanprestatie pleegt en ook niet onrechtmatig handelt.

Dat betekent dat mr. [gedaagde sub 9] dan ook niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de kosten die [eiser] heeft gemaakt door mr. [B] in te schakelen voor het voeren van de procedure tegen mr. [A]. Immers noch mr. [A] noch mr. [gedaagde sub 9] konden de zaak te handelen, zodat het inschakelen van een nieuwe advocaat noodzakelijk was voor het voeren van de procedure tussen [eiser] en mr. [A]. Gesteld noch gebleken is dat er nog een andere advocaat is geweest die het dossier [eiser]/BroThom kende.

4.8.

Uit hetgeen hiervoor onder 2.7 en 2.8 is vermeld kan geen andere conclusie worden getrokken dat dat mr. [gedaagde sub 9] op 4 juni 2009 aan [eiser] in rekening heeft gebracht de voorbereidende werkzaamheden die hij heeft verricht in het kader van de opdracht van

[eiser] om een procedure tegen mr. [A] te starten.

[eiser] heeft niet weersproken dat die werkzaamheden zijn verricht en ook is gesteld noch gebleken dat die werkzaamheden nutteloos of ondeugdelijk waren. [eiser] is het bedrag van € 855,65 dan ook verschuldigd aan mr. [gedaagde sub 9] en heeft die rekening dus niet zonder grond betaald.

4.9.

Wat betreft het niet uitbrengen van een ingebrekestelling voor het doen uitgaan van de dagvaarding in eerste aanleg, heeft [eiser] onvoldoende feitelijk weerlegd dat dit destijds met zijn instemming is gebeurd omdat hij vreesde dat BroThom verhaalsobjecten zou laten verdwijnen en omdat hij zich op het standpunt stelde dat hij met BroThom een fatale termijn was overeengekomen.

Dat [eiser] heeft ingestemd met het niet uitbrengen van een ingebrekestelling strookt met de omstandigheid dat hij daarover niet eerder heeft geklaagd dan op 1 januari 2011 en ook met de omstandigheid dat hij in de procedure tegen [A] nog het standpunt heeft ingenomen dat hij met BroThom een fatale levertermijn was overeengekomen.

4.10.

Ten slotte komt aan de orde de stelling van [eiser] dat mr. [gedaagde sub 9] de tekortkomingen van BroThom destijds niet duidelijk in de inleidende dagvaarding heeft omschreven.

[eiser] doet dit thans uitgebreid in de punten 15 tot en met 48 van de inleidende dagvaarding in deze zaak.

Dat kan hem echter niet baten.

Gesteld noch gebleken is dat hij dat destijds ook zo uitgebreid heeft besproken met mr. [gedaagde sub 9].

Daarbij komt dat [eiser] de inleidende dagvaarding van de procedure voor de rechtbank te Den Haag heeft gezien en goedgekeurd voordat deze werd uitgebracht. [eiser] heeft aan mr. [gedaagde sub 9] de technische gegevens verstrekt over de Perio Phones.

Bij die stand van zaken is -zonder nadere uitleg, die niet is gegeven- niet verklaarbaar waarom [eiser] dan bij het controleren van de dagvaarding de stellingen niet heeft aangevuld. Dat [eiser] het gevoel had dat hij daarvoor onvoldoende tijd had omdat de dagvaarding er binnen een bepaalde termijn uit moest is, gezien de technische achtergrond van [eiser], een onvoldoende dragende verklaring en is ook onvoldoende om tot het oordeel te komen dat hij daadwerkelijk te weinig tijd heeft gehad.

4.11.

De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking.

4.12.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden begroot op: € 1.200,00 (2 punten x tarief € 600,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.200,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.