Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:8111

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
3918154 UC EXPL 15-3178
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Beklamel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2338

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3918154 UC EXPL 15-3178 SG/997

Vonnis van 18 november 2015

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. F.A.J. Havenga,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende in de gemeente [gemeente] op een geheim adres,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.C. Hesen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- het vonnis van 29 april 2015 waarbij een comparitie is bepaald

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 20 oktober 2015.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 2 mei 2014 is door [gedaagde] opgericht de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] , hierna te noemen: [bedrijf 1] , met als enig aandeelhouder en bestuurder [gedaagde] . [bedrijf 1] hield zich bezig met de verkoop (aan huis) van zonnepaneelinstallaties en aanverwante artikelen.

2.2.

Op 24 juni 2014 is een koopovereenkomst betreffende zonnepanelen gesloten tussen [eiser] en [bedrijf 1] .

2.3.

Op 6 augustus 2014 is een eerste aanbetaling gedaan van € 3.130,50. De zonnepanelen zouden aanvankelijk worden geplaatst op 20 augustus 2014, maar omdat de tweede, contractueel overeengekomen aanbetaling niet was ontvangen is als nieuwe datum voor het plaatsen van de zonnepanelen 29 augustus 2014 afgesproken. De tweede aanbetaling van € 2.584,40 is op 21 augustus 2014 overgemaakt naar [bedrijf 1] . De zonnepanelen zijn nooit bij [eiser] geplaatst.

2.4.

In een e-mail van 1 september 2014 heeft de heer [A] , hierna te noemen: [A] , namens [bedrijf 1] aan [eiser] medegedeeld dat [A] [bedrijf 1] heeft overgenomen en dat [bedrijf 1] per die datum gevestigd is in [vestigingsplaats] aan het [adres] .

2.5.

Op 2 september 2014 heeft [A] opgericht [bedrijf 2] , hierna te noemen: [bedrijf 2] , en is [A] ingeschreven als enig bestuurder. [gedaagde] is op 29 september 2014 enig bestuurder van [bedrijf 2] geworden. [bedrijf 2] hield zich eveneens bezig met de verkoop van zonnepanelen.

2.6.

Bij e-mail van 9 september 2014 heeft [B] namens [bedrijf 1] aan [eiser] medegedeeld dat de aanbetaling binnen twee weken zou worden terugbetaald. Vervolgens heeft [A] namens [bedrijf 1] bij brief van 26 september 2014 aan [eiser] bericht dat [bedrijf 1] in problemen verkeerde.

2.7.

Op 18 november 2014 zijn [gedaagde] en [bedrijf 1] besproken in het televisieprogramma Opgelicht. Daarin is aan de orde geweest dat 27 personen bij [bedrijf 1] zonnepanelen hebben besteld en aanbetalingen hebben gedaan van in totaal tenminste

€ 100.000,- en dat de zonnepanelen niet zijn ontvangen en de aanbetalingen niet zijn teruggekregen.

2.8.

Op 20 november 2014 is [bedrijf 1] na liquidatie ontbonden bij gebrek aan baten en op 1 december 2014 is [bedrijf 2] na liquidatie ontbonden bij gebrek aan baten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan hem te voldoen

  1. € 3.230,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2014, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

  2. € 2.584,40 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2014, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

  3. de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] , [bedrijf 1] verplichtingen jegens hem heeft laten aangaan, waarvan hij wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat [bedrijf 1] die niet zou (kunnen) nakomen. Daardoor heeft [eiser] schade geleden.

3.3.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft niet betwist dat gedurende de periode dat hij bestuurder was van [bedrijf 1] , 27 personen, onder wie [eiser] , bij [bedrijf 1] zonnepanelen hebben besteld en aanbetalingen hebben gedaan van in totaal tenminste € 100.000,- en dat de zonnepanelen niet aan hen zijn geleverd en zij de aanbetalingen niet hebben teruggekregen. Daarbij komt dat [gedaagde] niet (onderbouwd) heeft gesteld dat er gedurende de periode dat hij bestuurder was van [bedrijf 1] , overeenkomsten tot levering van zonnepanelen zijn nagekomen door [bedrijf 1] . Op grond hiervan staat vast dat [gedaagde] [bedrijf 1] verplichtingen heeft laten aangaan terwijl hij wist of behoorde te weten dat [bedrijf 1] deze niet zou kunnen nakomen. Daarom valt hem een ernstig persoonlijk verwijt te maken en is hij aansprakelijk voor de schade van [eiser] .

4.2.

De overdracht van de aandelen in [bedrijf 1] aan [A] en dat [A] bestuurder van [bedrijf 1] is geworden (partijen verschillen van mening of [A] hierbij wel het kasgeld van [bedrijf 1] heeft ontvangen en al dan niet een katvanger is) kan hieraan niet afdoen. De verplichtingen door [bedrijf 1] zijn immers aangegaan in de periode dat [gedaagde] bestuurder van [bedrijf 1] was. [gedaagde] heeft bovendien nagelaten uiteen te zetten waarom [A] bestuurder van [bedrijf 1] is geworden en [gedaagde] bestuurder van [bedrijf 2] . Beide vennootschappen hielden zich bezig met de verkoop van zonnepanelen en zijn kort na oprichting en zeer kort na de bestuurswisseling ontbonden wegens gebrek aan baten, in het geval van [bedrijf 1] met achterlating van een grote schuld.

4.3.

De vorderingen onder a en b zullen derhalve worden toegewezen, met inbegrip van de wettelijke rente. Deze is immers verschuldigd vanaf het moment dat de schade is geleden. Daarvoor is, in tegenstelling tot hetgeen [gedaagde] heeft gesteld, geen dagvaarding vereist, noch dat [gedaagde] van enige vordering van [eiser] op de hoogte was.

4.4.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze worden tot op heden begroot op: € 94,19 dagvaarding; € 221,00 griffierecht en € 500,00 aan salaris gemachtigde (2 punten a € 250 per punt), derhalve totaal € 815,19. De gevorderde nakosten zullen worden begroot op de in het dictum bepaalde wijze.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 3.230,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2014 tot de dag van algehele voldoening en € 2.584,40 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2014 tot de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 815,19 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening en te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis en een salaris van € 50,00 beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 november 2015.