Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7932

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
4249491 UE VERZ 15-347 GLK/1126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst. De kantonrechter houdt de behandeling van het verzoek aan. Verzoekt eiser om vóór of uiterlijk op 18 december 2015 het definitieve onderzoeksrapport in het geding te brengen, voorzien van een schriftelijke toelichting zijnerzijds, waarna gedaagde de gelegenheid zal krijgen om daarop (binnen 14 dagen) schriftelijk te reageren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1108
AR 2015/2150

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4249491 UE VERZ 15-347 GLK/1126

Beschikking van 6 november 2015

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. A.G. van Marwijk Kooy,

tegen:

de naamloze vennootschap

NS Groep N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen NS Groep,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. E.S. de Bock.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 30 juni 2015 ingekomen verzoekschrift, met producties;

  • -

    het verweerschrift tevens tegenverzoek van 2 oktober 2015, met producties;

  • -

    de aanvullende producties van [verzoeker] van 8 oktober 2015;

  • -

    de pleitnota van [verzoeker] ;

  • -

    de pleitnota van NS Groep;

  • -

    de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 13 oktober 2015.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [1964] , is sinds 1 oktober 2010 in dienst van NS Groep, laatstelijk als directievoorzitter (CEO) van [A] BV, een 100% dochter van NS Groep, waarin onder meer de internationale activiteiten van de NS Groep zijn samengebracht.

2.2.

NS Groep is een 100% dochter van NV Nederlandse Spoorwegen.

2.3.

Onder [A] BV hangen diverse buitenlandse (dochter)vennootschappen en ook [A] Nederland BV met daaronder onder meer [A] Limburg BV en [B] BV (hierna: [B] ).

2.4.

Vanaf eind 2013 was [verzoeker] (op afstand) betrokken bij de voorbereiding van de bieding van [B] op de OV-concessie Limburg 2016-2031. [verzoeker] was als bestuurder van de indirect aandeelhouder van [B] aanwezig bij maandelijkse managementvergaderingen waarbij hij op de hoogte werd gehouden van de grote lijnen van de voortgang en daarnaast had hij maandelijks overleg met de algemeen directeur van [B] , de heer [X] .

2.5.

[B] heeft in het najaar van 2014 een bieding gedaan op de OV-concessie Limburg. Bij de voorbereiding daarvan zijn onregelmatigheden begaan die er in bestonden dat een medewerker van de toenmalige concessiehouder is aangesteld waarbij zijn concurrentiebeding is omzeild en die medewerker (voor de bieding relevante) informatie heeft verstrekt.

2.6.

[C] N.V. (hierna: [C] ) heeft onderzoek gedaan naar de onder 2.5 bedoelde onregelmatigheden, hetgeen resulteerde in aan rapport van 28 april 2015 (hierna: Rapport I). Naar aanleiding van de in het rapport neergelegde onderzoeksbevindingen werden de directieleden van [B] geschorst.

2.7.

[C] heeft het onderzoek voortgezet, met name om verder te onderzoeken of (de top van) NS Groep op de hoogte was van en/of betrokken was bij de onregelmatigheden. Een en ander resulteerde in een conceptrapport van 3 juni 2015. Het onderzoek is nog niet afgerond; Rapport II is nog niet gereed. [verzoeker] heeft op 22 juni 2015 een concept van het finale rapport mogen inzien en heeft dat concept uitgebreid becommentarieerd.

2.8.

Op 5 juni 2015 is [verzoeker] op non-actief gesteld.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt (op de voet van artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zoals dat luidde tot 1 juli 2015):

I. ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, gelegen in een verandering in de omstandigheden;

II. de einddatum van de arbeidsovereenkomst te bepalen op 1 januari 2016, of een andere in goede justitie te bepalen datum;

III. in dat kader een vergoeding naar billijkheid te bepalen en NS Groep tot betaling daarvan aan hem te veroordelen;

IV. veroordeling van NS Groep in de proceskosten, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde.

3.2.

NS Groep voert – onder referte voor het verzoek onder I – verweer. Zij verzoekt op haar beurt om de arbeidsovereenkomst dadelijk, althans op zo kort mogelijke termijn, tegen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum wegens een of meer van de door haar genoemde gewichtige redenen te ontbinden, zonder toekenning van enige vergoeding, althans met toekenning van slechts een beperkte billijke vergoeding, kosten rechtens.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek van [verzoeker] en het tegenverzoek van NS Groep worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek zoals dit tot 1 juli 2015 gold.

4.2.

Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden. Tussen partijen is echter in geschil per welke datum de ontbinding plaats moet vinden en of NS Groep in dit verband een vergoeding aan [verzoeker] dient te betalen en zo ja, hoe hoog die vergoeding dient te zijn. De kantonrechter neemt bij de berekening van die vergoeding de zogenoemde kantonrechtersformule tot uitgangspunt. Partijen zijn het eens over de factor A (aantal gewogen dienstjaren) en de factor B (beloning). Het geschil gaat over de factor C.

4.3.

[verzoeker] meent dat een forse vergoeding op zijn plaats is en gaat uit van C=1,5. Hij stelt dat hij niet van de onregelmatigheden bij [B] op de hoogte was of behoorde te zijn. De politieke druk op NS Groep en de roep om ‘doorpakken’ na onder meer het debacle van de Fyra, heeft er volgens [verzoeker] toe geleid dat hij ten onrechte op non-actief is gesteld en op zeer negatieve wijze in de publiciteit is gekomen. Dat er geen basis is voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst is volgens [verzoeker] geheel toe te rekenen aan

NS Groep en aan het optreden van de Nederlandse Staat.

4.4.

NS Groep stelt zich primair op het standpunt dat de nu onvermijdelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan [verzoeker] te wijten is, kort gezegd omdat hij als indirect bestuurder van [B] verantwoordelijk was voor de geconstateerde onregelmatigheden. Volgens NS Groep is duidelijk geworden dat [verzoeker] meer wist van de onregelmatigheden bij [B] dan hij heeft verklaard, maar ook als [verzoeker] niet daadwerkelijk op de hoogte was van de onregelmatigheden valt hem volgens NS Groep een verwijt te maken en is er geen grond voor een vergoeding, in elk geval niet voor een vergoeding met een factor C groter dan 1.

4.5.

De kantonrechter stelt voorop dat juist de ontwikkelingen van na het uitkomen van Rapport I, verklaringen die nadien zijn afgelegd en stukken die nadien naar boven zijn gekomen, aanleiding hebben gegeven voor de schorsing van [verzoeker] en de publiciteit daaromtrent. Die ontwikkelingen, die naar de kantonrechter aanneemt naar voren komen en worden besproken en gewogen in het nadere onderzoek van [C] , werpen het benodigde licht op de voor de beoordeling van dit geschil relevante vraag of en in welke mate [verzoeker] een verwijt kan worden gemaakt van de omstandigheden die tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst moeten leiden. De kantonrechter beschikt niet over een afschrift van de na Rapport I afgelegde verklaringen en/of het concept van het eindrapport. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen wel aangegeven wat in grote lijnen de inhoud is van de later afgelegde – al dan niet belastende – verklaringen, onder meer van de directieleden van [B] , van [verzoeker] zelf en van een zogenoemde Legal Counsel van wie ook aantekeningen en verslagen zijn overgelegd. De inhoud van de verklaringen is niet zozeer in geschil, maar partijen verschillen van mening over de waarde die aan de verklaringen moet worden gehecht en welke conclusie daar aan moet worden verbonden. Zo heeft [verzoeker] de geloofwaardigheid van de nadere verklaringen van directieleden van [B] in twijfel getrokken voor zover die zien op wat er met hem en/of in zijn bijzijn is besproken.

4.6.

Om de verklaringen en de nu overgelegde stukken in deze zaak te kunnen wegen en op basis daarvan een beslissing te nemen over de aan [verzoeker] toe te kennen vergoeding is de kantonrechter van oordeel dat niet kan worden volstaan met de summiere beschrijving die partijen daarvan tijdens de mondelinge behandeling hebben gegeven. Daarvoor is nodig dat er meer duidelijkheid komt over de verklaringen zoals die zijn afgelegd en de context waarin die zijn afgelegd, alsook over de verdere onderzoeksbevindingen. Daarbij is van belang dat naar het oordeel van de kantonrechter NS Groep niet kan worden gevolgd in haar stelling dat ook als [verzoeker] in zijn lezing van de feiten wordt gevolgd hem geen vergoeding toekomt. In ieder geval is die conclusie naar het oordeel van de kantonrechter niet reeds op basis van de nu beschikbare informatie over de relevante feiten en omstandigheden gerechtvaardigd. Voor zover NS Groep hiermee (mede) heeft willen betogen dat de precieze inhoud en geloofwaardigheid van de nadere verklaringen en/of meer in het algemeen de bevindingen van na Rapport I in het midden of buiten beschouwing kunnen worden gelaten bij de beoordeling van deze zaak volgt de kantonrechter haar daarin dus niet. Voor zover [verzoeker] heeft willen betogen dat gelet op het tijdsverloop eventuele onduidelijkheid over de feiten en omstandigheden voor rekening van NS Groep moet komen en zonder meer van zijn lezing van een en ander moet worden uitgegaan volgt de kantonrechter hem daarin evenmin en overweegt daartoe dat niet kan worden gezegd dat de vertraging in de afronding van het onderzoek – en daarmee de onduidelijkheid over de feiten en omstandigheden – NS Groep in deze zaak kan worden tegengeworpen.

De kantonrechter zal de behandeling van deze zaak aanhouden voor een periode van zes weken opdat het definitieve rapport van [C] wordt overgelegd, vooralsnog er vanuit gaande dat het definitieve rapport dan gereed zal zijn.

4.7.

De aanhouding van de zaak betekent dat nog geen beslissing zal worden genomen, terwijl de ontbindingsprocedure in beginsel gericht moet zijn op een spoedige beslissing. De kantonrechter heeft bij de beslissing om de zaak toch aan te houden in aanmerking genomen dat de zaak juist op verzoek van partijen enige maanden heeft stilgelegen in afwachting van het definitieve rapport en dat er geen geschil is over de vraag of de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden en of [verzoeker] nog werkzaamheden voor NS Groep zal verrichten. Partijen hebben ook geen feiten of omstandigheden aangedragen die maken dat daarover snel een beslissing moet worden genomen.

4.8.

Gezien het voorgaande zal de kantonrechter de behandeling van het verzoek voor zes weken aanhouden, derhalve tot 18 december 2015 (pro forma). [verzoeker] wordt verzocht om vóór of uiterlijk op die datum het definitieve rapport van [C] aan de kantonrechter toe te zenden, voorzien van een schriftelijke toelichting in het licht van zijn verzoek. NS Groep zal de gelegenheid krijgen om daarop schriftelijk te reageren met inachtneming van een termijn van twee weken. Als onverhoopt het definitieve rapport niet reeds (tijdig) voor 18 december 2015 beschikbaar zal zijn, dienen beide partijen zich tegen die datum uit te laten over het (door hen gewenste) verdere verloop van de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:


houdt de behandeling van het verzoek aan tot 18 december 2015 (pro forma);

verzoekt [verzoeker] om vóór of uiterlijk op 18 december 2015 het definitieve onderzoeksrapport van [C] in het geding te brengen, voorzien van een schriftelijke toelichting zijnerzijds, waarna NS Groep de gelegenheid zal krijgen om daarop (binnen 14 dagen) schriftelijk te reageren;

stelt beide partijen in de gelegenheid om, indien het definitieve onderzoeksrapport van [C] niet tijdig voor 18 december 2015 gereed is, zich vóór 18 december 2015 bij brief uit te laten over het door hem of haar gewenste vervolg van de procedure;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Dondorp, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 november 2015.