Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7931

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
401731 / HA RK 15-237
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 401731 / HA RK 15-237

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 6 november 2015

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: verzoeker,

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het wrakingsverzoek van 7 oktober 2015

- de schriftelijke reactie van mr. Sap

- de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 23 oktober 2015.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 7 oktober 2015 door de wrakingskamer ontvangen. Vanaf die datum is de behandeling van de procedure van verzoeker met zaaknummer 4352147 UC EXPL 15-12090 geschorst.

1.3.

Het wrakingsverzoek is op 23 oktober 2015 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

1.4.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoeker

- mr. J. Sap, kantonrechter.

1.5.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. J. Sap als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer 4352147 UC EXPL 15-12090 SHD / 1023. Verzoeker is in die zaak de gedaagde partij.

2.2.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek aangevoerd dat hij zich benadeeld voelt door de rechter. De rechter is partijdig. Hij stelt dat ondanks dat uit het tussenvonnis van 24 augustus 2015 volgt dat partijen voor de zittingsdatum stukken in het geding konden brengen, de rechter toch heeft toegestaan dat de eisende partij ter zitting nog stukken in het geding bracht, welke stukken verzoeker niet had ontvangen. De rechter heeft ter zitting geen kopieën van de stukken laten maken, zodat verzoeker de stukken niet kent en daar niet op heeft kunnen reageren. Voorts is verzoeker van mening dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 23 september 2015 geen juiste weergave geeft van hetgeen ter zitting is gebeurd. Niet alleen is niets terug te vinden over de door de eisende partij in het geding gebrachte stukken, ook is van hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard te weinig weergegeven. Verder stelt verzoeker dat de rechter hem heeft verboden nog nadere stukken in het geding te brengen. Verzoeker is van mening dat hij hierdoor in zijn verweer is geschaad. Ten slotte is verzoeker van mening dat de rechter hem niet netjes heeft bejegend.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft hij het navolgende aangevoerd. Ter zitting bleek dat verzoeker de stukken die de eisende partij voorafgaand aan de mondelinge behandeling had ingebracht niet had ontvangen. De vertegenwoordiger van GGN heeft de stukken aan verzoeker laten zien. Het ging om de factuur en de aanmaningen aan verzoeker, waarvan verzoeker zei dat hij die destijds had ontvangen. Vervolgens is geen beslissing genomen over het wel of niet toelaten van de stukken, maar is eerst met partijen besproken wat er nu eigenlijk aan de hand was. Het verweer van verzoeker was, kort samengevat, dat de afrekening van de eisende partij niet klopte. Hij verlangde een correcte eindafrekening. Besloten is toen om de zaak naar de rol te verwijzen voor het overleggen van een specificatie, zodat verzoeker daarop kon reageren. Daarbij is aangegeven dat de kosten die daarvoor door de eisende partij moesten worden gemaakt, niet zouden meetellen bij een eventuele kostenveroordeling, omdat van de eisende partij al eerder een specificatie mocht worden verwacht. Door de rolverwijzing en het geven van een reactietermijn is het gebrek van de voor verzoeker op de zitting ontbrekende stukken gerepareerd.

Ten aanzien van het proces-verbaal klopt het dat het geen woordelijke weergave betreft van hetgeen ter zitting is besproken. Bij de bulkzittingen geldt de afspraak dat in beginsel geen proces-verbaal wordt opgemaakt omdat vrijwel direct vonnis volgt. In dit geval is wel een proces-verbaal opgemaakt, omdat een rolverwijzing plaatsvond. Uit de aantekeningen van de griffier valt af te leiden dat de door verzoeker genoemde punten in feite zijn samen te vatten zoals in het proces-verbaal is vermeld.

Voorts betwist de rechter dat hij verzoeker heeft verboden om nog nadere stukken te overleggen. Ten slotte kan de rechter de stelling van verzoeker over de bejegening niet plaatsen omdat de zitting in een ontspannen sfeer verliep, zonder enige tijdsdruk. Bovendien heeft verzoeker ruim de gelegenheid gehad zijn standpunt kenbaar te maken.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

De wrakingskamer begrijpt de stelling van verzoeker aldus dat hij het niet eens is met de processuele beslissing van de rechter om de eisende partij alsnog een termijn voor het indienen van stukken te geven. Deze in de ogen van verzoeker onjuiste processuele beslissing van de rechter kan in beginsel niet leiden tot het oordeel dat de rechter partijdig is of de schijn van partijdigheid heeft opgeroepen. De beoordeling van de juistheid van die beslissing behoort primair tot de bevoegdheid van de appelrechter. Dit kan slechts anders zijn indien die beslissing en de motivering daarvan - gelet op alle omstandigheden van het geval - dermate onbegrijpelijk zijn, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.

3.5.

De door verzoeker gewraakte processuele beslissing van de rechter waaruit volgens hem zijn partijdigheid blijkt, is naar het oordeel van de wrakingskamer niet dermate onbegrijpelijk dat daaruit de gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid kan worden gedestilleerd. Zoals terecht door de rechter aangevoerd heeft hij door zijn beslissing blijk gegeven dat hij het verweer van verzoeker serieus heeft genomen. Door de procedure naar de rol te verwijzen voor het overleggen van een specificatie waarop verzoeker vervolgens mag reageren, heeft de rechter binnen de door de wet en de jurisprudentie geschetste kaders gehandeld en is hoor en wederhoor toegepast. De wrakingskamer merkt daarbij nog op dat de beslissing ook niet vooruit loopt op enig door de rechter inhoudelijk te geven oordeel.

De stelling van verzoeker dat de rechter hem heeft verboden nadere stukken in het geding te brengen wordt door de rechter weersproken. Nu zulks eveneens niet blijkt uit het proces-verbaal van de zitting, gaat de wrakingskamer hier aan voorbij.

3.6.

Ten aanzien van het proces-verbaal overweegt de wrakingskamer als volgt. Uit de wet volgt dat van het verhandelde ter zitting en van de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen van partijen proces-verbaal wordt gemaakt. Indien een partij van mening is dat het proces-verbaal niet een juiste of volledige weergave geeft van hetgeen ter zitting is verhandeld of verklaard, staat het die partij vrij om de rechter zulks schriftelijk kenbaar te maken, welke brief aan het proces-verbaal wordt gehecht. In dit geval is gesteld noch gebleken dat verzoeker dit bij brief kenbaar heeft gemaakt en de rechter vervolgens die brief weigerde aan te hechten -zoals gebruikelijk- aan het proces-verbaal. Van partijdigheid of een gerechtvaardigde vrees daarvoor is dan ook niet gebleken.

3.7.

Ten slotte is de wrakingskamer van oordeel dat, nu verzoeker niet heeft onderbouwd op welke wijze hij onheus door de rechter is behandeld en de rechter deze stelling gemotiveerd heeft betwist, ook deze stelling er niet toe kan leiden dat vooringenomenheid of gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden aangenomen.

3.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 4352147 UC EXPL 15-12090 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. A.M. Koene en mr. G.J.J.M. Essink als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. M. Weistra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2015.

de griffier de voorzitter

de griffier is buiten staat deze beslissing

mede te ondertekenen

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.