Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7848

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
09-11-2015
Zaaknummer
16/706622-15
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van poging zware mishandeling (oa. door schoppen tegen het hoofd), tot een gevangenisstraf van 7 maanden. Vrijspraak voor bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/706622-15 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 oktober 2015.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [1987] ,

thans gedetineerd te [verblijfplaats] , [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. B. Yesilgöz, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De gewijzigde tenlastelegging isals bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 :

primair: op 11 mei 2015 in Zeist heeft geprobeerd om samen met een ander [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

subsidiair: op 11 mei 2015 in Zeist openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , met lichamelijk letsel ten gevolge;

Feit 2 :

op tijdstippen in de periode van 1 september 2014 tot en met 11 mei 2015 in Zeist samen met een ander [slachtoffer] (meermalen) heeft bedreigd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder feit 1 primair, te weten medeplegen van poging zware mishandeling met voorbedachten rade, en feit 2, te weten medeplegen van bedreiging, wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder feiten 1 primair en subsidiair en 2 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe verschillende argumenten naar voren gebracht, die in dit vonnis – op de plaats waar dat relevant is – zullen worden besproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (medeplegen van) de in de tenlastelegging van feit 2 opgenomen bedreigingen. Niet kan worden bewezen dat verdachte deze bedreigingen heeft geuit, dan wel dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander die deze bedreigingen zou hebben geuit. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.

4.3.2

Feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Aangever [slachtoffer] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op 11 mei 2015 was ik op [naam terrein] . Ik heb de asielzoekersopvang verlaten. Ik werd plotseling van achter klemgereden door een Opel Astra. Ik zag dat de bijrijder direct uitstapte en naar mij toeliep. Hij vroeg “Ken je mij? Ik ben [medeverdachte] ”. Hij hield zijn gebalde vuisten voor zich en probeerde mij te slaan. Ik zag dat de bestuurder uitstapte. Ik zag dat de bestuurder [voornaam verdachte] was. Hij viel mij schuin van achteren aan. Ik zag dat hij mij wilde slaan met een elektrische stok. Ik hoorde een knetterend geluid op het moment dat hij de knop indrukte. Ik zag dat hij deze stok omhoog bracht en dat hij mij met kracht probeerde te raken. De eerste keer lukte dat en raakte hij mij op mijn achterhoofd. Ik zag dat hij nog drie of vier keer probeerde te slaan met de elektrische stok. Na de vierde of vijfde slag ben ik naar de overkant gerend. [voornaam verdachte] kwam mij met de elektrische stok achterna gerend. Ik voelde dat ik in mijn rug werd geslagen. Ik zag dat [medeverdachte] mij deze slag had gegeven.2

Getuige [getuige 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op 11 mei 2015 was ik te Soesterberg. Ik zag een man met een fiets staan. Ik zag dat er twee mannen uit de auto stapten.3 Ik zag dat de bestuurder uitstapte en richting de man met de fiets liep. Ik zag dat hij deze man met beide handen begon te duwen en te slaan. Vervolgens zag ik dat de bijrijder van de auto ook uitstapte en richting de man liep. Ik zag dat hij een stroomstootwapen in zijn hand had. Ik hoorde een knetterend geluid toen hij naar de man met de fiets liep. Ik zag dat de bijrijder een beweging met zijn arm richting de man met de fiets maakte. Ik zag dat hij in die hand het stroomstootwapen had. Ik zag dat de man van de fiets wegrende naar de overkant. Ik zag dat beide mannen achter hem aan renden. Ik zag dat de bijrijder van de auto bewegingen maakte met zijn arm. Ik zag toen dat de man van de fiets viel. Vervolgens zag ik dat een van de mannen zijn voet op het hoofd van de man zette.4

Getuige [getuige 1] heeft hierna aanvullend – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

De man met het stroomstootwapen zette zijn rechtervoet op het hoofd van het slachtoffer. Dit was nadat deze man tot tweemaal toe het stroomstootwapen op het slachtoffer gebruikte. Ik hoorde namelijk terwijl de man het stroomstootwapen op de nek van het slachtoffer plaatste een tikkend/knetterend geluid. Ten gevolge van het toebrengen van een stroomstoot, zag ik dat het slachtoffer op de grond viel. Vervolgens zag ik dat de man het slachtoffer met zijn voet een trap tegen zijn hoofd gaf tot twee keer toe. Ik zag dat de man zijn been ophief en hem met kracht voorwaarts tegen zijn hoofd schopte. Nadat het slachtoffer werd geschopt, zag ik dat hij roerloos bleef liggen.5

Verdachte [medeverdachte] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

[voornaam verdachte] belde mij en vroeg of ik mee wilde komen. [voornaam verdachte] haalde mij op. Hij zei dat we naar Utrecht gingen, omdat [voornaam slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer] ) daar zou zijn. [voornaam verdachte] vertelde mij dat [voornaam slachtoffer] buiten op ons stond te wachten. Ik zag [voornaam slachtoffer] staan. [voornaam verdachte] stopte en ik stapte uit in de buurt van [voornaam slachtoffer] . [voornaam verdachte] parkeerde vervolgens zijn auto. [voornaam verdachte] stapte ook uit en liep op [voornaam slachtoffer] af en sprong op [voornaam slachtoffer] . Ik zag dat ze elkaar sloegen. Eerst aan de ene kant van de straat en later ging het aan de andere kant van de weg verder. [voornaam slachtoffer] viel op de grond. Ik zag dat [voornaam slachtoffer] op de grond lag en dat [voornaam verdachte] zijn voet optrok en met kracht op het hoofd schopte van [voornaam slachtoffer] . Ik gaf [voornaam slachtoffer] een duw.6

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op 11 mei 2015 is er ruzie geweest tussen [voornaam slachtoffer] , [voornaam medeverdachte] en mijzelf.7

Uit de geneeskundige verklaring blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Medische informatie betreffende: [slachtoffer] : bloedende wond voorhoofd en linkeroor, hematoom achter het hoofd, voelt zich misselijk.8

Getuige [getuige 2] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op 22 april 20159 hoorde ik in het gesprek [voornaam verdachte] het volgende zeggen:

- dat als [voornaam slachtoffer] op dat moment bij mij was, dat [voornaam slachtoffer] naar beneden moest komen;

- dat als hij [voornaam slachtoffer] op dat moment zou zien, dat hij [voornaam slachtoffer] zou vermoorden;

- dat óf hij zou blijven leven óf dat [voornaam slachtoffer] zou blijven leven.

Ik hoorde [medeverdachte] zeggen:

- dat hij al heel lang op zoek was naar [voornaam slachtoffer] ;

- dat hij [voornaam slachtoffer] eindelijk gevonden had;

- dat hij tegen [voornaam slachtoffer] had gezegd: ik heb beloofd; ik ga je vermoorden.10

4.3.3

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair

Medeplegen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van medeplegen. Beide verdachten zijn betrokken geweest bij de voorbereiding en de uitvoering van de gepleegde geweldshandelingen en hebben zich hiervan niet gedistantieerd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, zo al zou worden uitgegaan van de belastende verklaring van aangever, daaruit slechts blijkt dat verdachte één klap heeft gegeven en het incident zich verder heeft afgespeeld tussen aangever en de medeverdachte. Daaruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van medeplegen.

De rechtbank overweegt over het ten laste gelegde onderdeel medeplegen als volgt. Uit de verklaring van [getuige 2] blijkt dat verdachte en de medeverdachte op 22 april 2015 al op zoek zijn geweest naar het latere slachtoffer en hebben gezegd dat ze hem ‘zouden vermoorden’ als ze hem zouden zien. Vervolgens zijn verdachte en de medeverdachte op 11 mei 2015 wederom samen op zoek gegaan naar het slachtoffer. Zij zijn beiden uit de auto gestapt en hebben beiden geweld tegen het slachtoffer gebruikt. Daarnaast hebben zij zich geen van beiden op enig moment gedistantieerd van het geweld. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze feiten en omstandigheden sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte en derhalve van medeplegen.

Opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde geweldshandelingen bewezen kunnen worden verklaard en kunnen worden gekwalificeerd als poging zware mishandeling.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rol van verdachte moet worden beschouwd vanuit de gedragingen die hem concreet verweten worden. Uit het dossier kan, indien wordt uitgegaan van de belastende verklaring van aangever, slechts worden vastgesteld dat verdachte één klap heeft gegeven. Dit kan niet als poging zware mishandeling worden aangemerkt. Indien de rechtbank wel uitgaat van het medeplegen van het toebrengen van lichamelijk letsel, leveren het slaan, stompen, schoppen tegen het lichaam en het slaan met een elektrische stok op het hoofd niet een poging zware mishandeling op. Het schoppen tegen het hoofd kan niet bewezen worden, omdat dit niet blijkt uit de verklaring van aangever.

De rechtbank stelt voorop dat – zoals hiervoor is overwogen – sprake is van medeplegen. Dit betekent dat de gepleegde geweldshandelingen zowel aan verdachte als diens medeverdachte kunnen worden toegerekend. Voor het vaststellen van de vraag of sprake is van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel worden aldus alle geweldshandelingen tezamen in ogenschouw genomen. Daarbij is allereerst van belang welke ten laste gelegde geweldshandelingen bewezen kunnen worden verklaard. De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachten aangever met een op een stok gelijkend stroomstootwapen op het hoofd hebben geslagen en meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] hebben geschopt en in diens rug hebben geslagen. Dat aangever zelf over het schoppen tegen het hoofd niet heeft verklaard, maakt niet dat de rechtbank deze handeling niet bewezen acht. Zowel getuige [getuige 1] als verdachte [medeverdachte] hebben verklaard dat er tegen het hoofd van aangever is geschopt. Daar komt bij dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat aangever ten gevolge van het toebrengen van een stroomstoot op de grond viel. Het is daarom niet uitgesloten dat aangever hierna even buiten bewustzijn is geweest en het schoppen tegen zijn hoofd niet bewust heeft meegemaakt.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Voorts is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan, dan dat degene die die handelingen heeft verricht, de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat tweemaal, met geschoeide voet en met kracht, tegen het hoofd van het slachtoffer is geschopt, terwijl het slachtoffer op de grond lag. Het hoofd bevat, met name ter hoogte van de slapen, kwetsbare delen. Door aldus te handelen hebben verdachte en diens medeverdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij aangever zwaar lichamelijk letsel zouden toebrengen. Deze geweldshandeling is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte en diens medeverdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust hebben aanvaard.

Voorbedachten rade

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide verdachten de gelegenheid hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en ook gebruik hebben gemaakt van die gelegenheid. Er zijn bedreigingen vooraf gegaan aan de geweldpleging en beide verdachten hebben op 22 april 2015 al getracht een confrontatie van [slachtoffer] aan te gaan en zijn vervolgens op 11 mei 2015 bewust naar de verblijfplaats van [slachtoffer] gereden om hem op te zoeken.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van voorbedachten rade. Dat verdachte en medeverdachte op 22 april 2015 een gesprek hebben gehad met [getuige 2] en in het verleden woorden zijn geuit, levert niet voorbedachten rade in juridische zin op.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende vast is komen te staan dat verdachte en de medeverdachte met voorbedachten rade hebben gehandeld op 11 mei 2015. Immers niet is gebleken dat verdachte en zijn medeverdachte in onderling overleg, met een vooropgezet plan, en na kalm beraad het slachtoffer op 11 mei 2015 verdachte hebben opgezocht om hem zwaar te mishandelen. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen waaruit dit kan worden afgeleid. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank is – gelet op al het voorgaande – van oordeel dat verdachte zich op 11 mei 2015 samen met een ander opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan poging zware mishandeling van [slachtoffer] .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Primair

op 11 mei 2015 te Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als volgt heeft gehandeld: verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben met dat opzet die [slachtoffer] met gebalde vuisten geslagen en met een elektrische stok op het hoofd geslagen en meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] geschopt en in diens rug geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 1 primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie niet in proportie staat tot het verwijt dat verdachte wordt gemaakt. Verdachte heeft geen justitiële documentatie. Hij was voor zijn detentie bezig met een behandeling, vanwege zijn traumatische verleden. Zijn verblijfsvergunning kan worden ingetrokken, afhankelijk van de uitkomst van deze strafzaak. De hoogte van de straf kan daarbij bepalend zijn. De verdediging heeft verzocht het onvoorwaardelijke deel van de straf gelijk te houden aan het voorarrest en daarbij eventueel een voorwaardelijk deel op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met de medeverdachte [medeverdachte] geprobeerd om [slachtoffer] overdag op straat zwaar te mishandelen. Het slachtoffer is daarbij tweemaal met kracht tegen zijn hoofd geschopt terwijl hij op de grond lag, geslagen en er is een stroomstootwapen gebruikt. Het slachtoffer had hieraan zwaar lichamelijk letsel kunnen overhouden. Van slachtoffers van mishandeling is bekend dat zij een dergelijke gebeurtenis als traumatisch kunnen ervaren en dat zij nog lang last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid. Voorts brengt een gewelddadig feit als het onderhavige gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de maatschappij. Twee passerende getuigen hebben verklaard dat zij erg van dit voorval zijn geschrokken. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank houdt niet alleen rekening met de ernst van dit feit, maar ook de omstandigheden waaronder dit feit is begaan. Daarbij acht zij relevant dat verdachte en medeverdachte [slachtoffer] vanuit het asielzoekerscentrum zijn gevolgd en hem met de auto hebben klem gereden. Vervolgens zijn beide verdachten uit de auto gestapt, hebben het slachtoffer bedreigd met een stroomstootwapen en zijn direct overgegaan tot het toepassen van (zwaar) geweld. Uit dit alles spreekt een grote mate van agressiviteit en bedreiging. Deze omstandigheden weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee.

Het is voor de rechtbank echter moeilijk te doorgronden wat de achtergrond van het conflict is en zich een beeld te vormen van de verhoudingen tussen aangever en de twee verdachten. Ook vanuit de familie van aangever zijn ernstige bedreigingen geuit richting de verdachte.

De rechtbank houdt in matigende zin rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Daarentegen is de rechtbank wel van oordeel dat verdachte een grotere rol heeft gespeeld bij de mishandeling, doordat hij de meest ernstige geweldshandelingen heeft verricht. Verdachte heeft het slachtoffer tweemaal geschopt tegen zijn hoofd en heeft het stroomstootwapen gebruikt.

Uit het over de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies blijkt dat de leefsituatie van verdachte momenteel onzeker is te noemen, omdat hij in afwachting is van een beslissing over zijn verblijfsvergunning. Dit heeft tot gevolg dat hij niet heeft kunnen starten met een horecaopleiding, gedeeltelijk financieel afhankelijk is van (onder andere) zijn partner en hij maximaal zes maanden per kalenderjaar mag werken. Desondanks weet verdachte toch een redelijk sociaal maatschappelijk bestaan op te bouwen in Nederland. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Het opleggen van reclasseringstoezicht is niet mogelijk, omdat een geldige verblijfsvergunning ontbreekt. Daarnaast ziet de reclassering vanuit hulpverleningsoptiek geen noodzaak tot reclasseringstoezicht.

Over verdachte is daarnaast een rapportage Pro Justitia opgemaakt door psychiater drs. M.R. Weeda, van 24 september 2015. Daaruit blijkt dat verdachte een traumatische voorgeschiedenis kent, waarbij oorlog en onveiligheid in zijn land van herkomst centraal staan. Vastgesteld is dat bij opname in het [verblijfplaats] medio juli 2015 sprake was van een depressieve stoornis. Ten tijde van het onderzoek kon echter geen depressieve stoornis meer worden vastgesteld. Er zijn geen aanwijzingen dat ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een (ernstige) depressie dan wel een sterk beperkende PTSS. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen gevonden dat de eventuele ziekelijke stoornis de gedragskeuzes van verdachte en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde heeft beïnvloed.

De rechtbank heeft ook gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging van het LOVS11. Deze oriëntatiepunten adviseren in geval van zware mishandeling door schoppen tegen het hoofd een gevangenisstraf van zes maanden onvoorwaardelijk, en bij gebruikmaking van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) een gevangenisstraf van zeven maanden onvoorwaardelijk.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting sterk af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, tot vrijspraak komt van de onder feit 2 ten laste gelegde bedreigingen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van zeven maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering ingediend ter hoogte van

€ 973,80, bestaande uit € 209,80 aan materiële schade en € 764,- aan immateriële schade.

9.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 848,80 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bedrag voor de schade aan de fiets is van het totale bedrag afgetrokken, omdat dit geen rechtstreekse schade is.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering wat betreft de transportkosten en de kosten voor de schade aan de fiets, alsmede de immateriële schade niet voor toewijzing vatbaar zijn, omdat niet is vast te stellen of deze kosten zijn gemaakt uit vrees voor de medeverdachte of uit vrees voor verdachte. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt als volgt. De behandeling van de vordering van [slachtoffer] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 789,- (zevenhonderdnegenentachtig euro), te weten € 764,- aan immateriële schade en € 25,- aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Verdachte en de mededader zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gezamenlijke betalingsverplichting van het bedrag.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De kosten voor de schade aan de fiets staan in een te ver verwijderd verband van het bewezen verklaarde feit. De kosten voor het reizen naar vrienden zijn onvoldoende onderbouwd. Behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van feit 1 primair: de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 789,- (zegge zevenhonderdnegenentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] een bedrag van € 789,- (zegge zevenhonderdnegenentachtig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening en bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.J. Veenstra, voorzitter,

mrs. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en J.A. Spee, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2015.

Mr. J.A. Spee is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 11 mei 2015 te Zeist, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander, althans alleen,

aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en

al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] (met gebalde

vuist(en)) heeft/hebben geslagen en/of (meermalen) (met kracht) met een

(harde) (elektrische) stok op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben

geslagen en/of (met) die (electrische) stok in/richting de nek van die [slachtoffer] heeft/hebben gestoken/bewogen en/of meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt en/of in/tegen diens rug heeft/hebben geslagen en/of geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 11 mei 2015 te Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] door hem (met gebalde vuisten) te slaan en/of (meermalen) (met kracht) met een (harde) (electrische) stok in/richting zijn nek te steken/bewegen en/of meermalen, althans eenmaal, tegen zijn hoofd en/of lichaam te schoppen en/of in/tegen zijn rug te slaan en/of schoppen, terwijl het door hem, verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsels (te weten of meer hoofdwonden) ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2014

tot en met 11 mei 2015 te Zeist, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

een persoon genaamd [slachtoffer] (meermalen) heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

heeft verdachte die [slachtoffer] (telkens) opzettelijk dreigend de woorden

toegevoegd - zakelijk weergegeven - "dat hij hem (die [slachtoffer] ) zou

opzoeken en dat hij hem (die [slachtoffer] ) dan zou slaan" en/of - terwijl hij,

verdachte, een auto instapte - "laten we over hem heen rijden", althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL0900-2015144637 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , d.d. 12 mei 2015, p. 12.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , d.d. 12 mei 2015, p. 62.

4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , d.d. 12 mei 2015, p. 63.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , d.d. 12 mei 2015, p. 162.

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , p. 110.

7 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 15 oktober 2015.

8 De geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] , d.d. 1 juni 2015, p. 26.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , d.d. 23 mei 2015, p. 67.

10 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , d.d. 23 mei 2015, p. 68.

11 Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, laatstelijk bijgewerkt in april 2015.