Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7847

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
06-11-2015
Zaaknummer
16/661575-15
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne en het als vreemdeling in Nederland verblijven terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd, tot een gevangenisstraf van 8 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661575-15 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 oktober 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [1964] ,

thans verblijvende te [verblijfplaats] te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. Als gemachtigd raadsman van verdachte is verschenen mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de raadsman ter verdediging naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 4 augustus 2015 in Utrecht 11,64 gram cocaïne en 7,70 gram heroïne (primair) heeft verkocht, in elk geval (subsidiair) in zijn bezit heeft gehad;

feit 2: op 4 augustus 2015 in Utrecht was, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Het onder feit 2 tenlastegelegde acht de officier van justitie eveneens wettig en overtuigend bewezen. Daartoe heeft hij zich naast de in het dossier bevindende bewijsmiddelen gebaseerd op een door hem ter terechtzitting overgelegde bestuursrechtelijke uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 november 2014. Uit deze uitspraak blijkt volgens de officier van justitie dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van het inreisverbod.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde betoogd dat niet vast staat dat de in beslag genomen middelen, ook de middelen zijn waarop het NFI-rapport betrekking heeft. Dat sprake was van cocaïne en heroïne kan dus niet worden bewezen. Verdachte dient dan ook van het onder feit 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het handelen in cocaïne en heroïne niet kan worden bewezen. In dat kader wijst de raadsman er op dat slechts één dag en niet een periode ten laste is gelegd. Om die redenen kan volgens de raadsman hooguit de aanwezigheid van de cocaïne en heroïne worden bewezen. Verder zou het zo kunnen zijn dat één van de getuigen de drugs aan verdachte heeft gegeven.

Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de raadsman er op gewezen dat het inreisverbod geen onderdeel uitmaakt van het strafdossier. Daar komt bij dat er nog bestuursrechtelijke procedures tegen het inreisverbod aanhangig zijn.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het beschikbare bewijs stelt de rechtbank vast dat verdachte op 4 augustus 2015 aan [getuige 1] en [getuige 2] drugs wilde verkopen. Beiden hebben een verklaring als getuige afgelegd, waaruit blijkt dat verdachte, nadat zij hem geld voor de drugs hadden gegeven, door de politie is aangehouden. Nu uit het bewijs niet blijkt dat er drugs aan [getuige 1] en [getuige 2] zijn overgedragen, acht de rechtbank de in de tenlastelegging genoemde verkoop (en ook de andere ten laste gelegde varianten ‘aflevering, verstrekking en vervoer’) niet bewezen. Door tussenkomst van de politie is de verkoop immers niet voltooid. Derhalve spreekt de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde handel in cocaïne en heroïne.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de drugs aanwezig heeft gehad op grond van de volgende bewijsmiddelen.1

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verklaard dat zij op 4 augustus 2015 in een onopvallend dienstvoertuig in Utrecht reden. Toen zij de Oude Pijlsweerdstraat inreden zagen zij dat drie mannen met fietsen bij elkaar stonden.2 Toen zij tot op een afstand van ongeveer 20 meter waren genaderd, zagen zij dat man 1 (later geïdentificeerd als verdachte) naar hun toe draaide en hun aankeek. Zij zagen dat verdachte vervolgens op zijn fiets stapte, een zwart etuitje van zich af gooide naar achteren en weg wilde fietsen langs hun dienstvoertuig. Verbalisanten hebben verder verklaard dat verbalisant [verbalisant 1] verdachte heeft aangehouden en verbalisant [verbalisant 2] direct naar het zwarte etuitje is gerend. Verbalisant [verbalisant 2] zag toen zij de rits opende dat hierin een heleboel kleine witte en bruine bolletjes in plastic verpakt zaten.3

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte hen tegemoet kwam rijden en riep om een dealtje te sluiten. Hij heeft verdachte toen 2 briefjes van 5 euro gegeven. Hij zou hier 1 bol wit voor krijgen. Vervolgens zag hij een auto aan komen rijden met 2 politieagenten erin. Hij zag dat op het moment dat verdachte weg fietste hij een mapje uit zijn zak haalde en weggooide.4

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen overgelegd.5 Daaruit blijkt dat de in beslag genomen 56 witte bolletjes met een nettogewicht van 9,06 gram zijn voorzien van het zegelnummer SIN AAIT8031NL. Uit deze hoeveelheid stof is een monster met een hoeveelheid van 1 gram, voorzien van het zegelnummer SIN AAIT8032NL naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) verstuurd met een aanvraag tot onderzoek naar de aard en samenstelling van de stof. De 32 bruine bolletjes met een nettogewicht 5,75 gram zijn voorzien van het zegelnummer SIN AAIT8030NL. Dit gehele monster, voorzien van het zegelnummer SIN AAIT8035NL, is met dezelfde aanvraag eveneens naar het NFI verzonden.6

Uit de resultaten van het rapport van het NFI van 24 augustus 2015 blijkt dat het monster met zegelnummer SIN AAIT8032NL cocaïne bevat en het monster met zegelnummer SIN AAIT8035NL heroïne bevat.7

Bewijsoverweging

Ten aanzien van het betoog van de raadsman dat de in de buurt van verdachte aangetroffen drugs mogelijk van één van de andere mannen is geweest, overweegt de rechtbank dat beide verbalisanten op korte afstand hebben gezien dat het verdachte was die een zwart etuitje (met daarin de aangetroffen drugs) van zich af gooide. De rechtbank acht derhalve bewezen dat het verdachte en niet één van de andere mannen was die de drugs in zijn bezit had.

Bewezenverklaring feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op grond van de volgende bewijsmiddelen.

Aangezien verdachte zich tijdens zijn aanhouding niet kon identificeren met een geldig, op zijn naam gesteld identiteitsbewijs, is identiteitsonderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek is gebleken dat verdachte bij beschikking van 30 maart 2005 tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Deze ongewenstverklaring is op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 later omgezet naar een zwaar inreisverbod op grond van artikel 66A, lid 7, van de Vreemdelingenwet 2000.8

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 november 2014 overgelegd.9 Uit deze uitspraak blijkt dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij besluit van 18 juni 2014 de ongewenstverklaring van verdachte heeft opgeheven, heeft bepaald dat verdachte het grondgebied van de lidstaten onmiddellijk moet verlaten en aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. Verdachte heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep van verdachte tegen het inreisverbod (op formele gronden) gegrond verklaard en het inreisverbod vernietigd, maar de rechtsgevolgen hiervan in stand gelaten.10 Het inreisverbod heeft hierdoor rechtskracht behouden.

Bewijsoverweging

In artikel 197 van het Wetboek van strafrecht is strafbaar gesteld een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet dat er tegen hem op grond van een wettelijk voorschrift een inreisverbod is uitgevaardigd. Op basis van de ter terechtzitting overgelegde uitspraak staat vast dat verdachte in 2014 tegen het inreisverbod bestuursrechtelijk heeft geprocedeerd. Daarmee kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat verdachte op het moment van aanhouding door de politie wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. Dat er, zoals de raadsman is aangevoerd, nog bestuursrechtelijke (hoger) beroepsprocedures tegen het inreisverbod aanhangig zijn, maakt dat niet anders. Het instellen van (hoger) beroep tegen een dergelijk besluit heeft immers geen schorsende werking.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 04 augustus 2015 te Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad,

9,06 gram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

en

5,75 gram heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 04 augustus 2015 te Utrecht, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2: als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd, met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft met een verwijzing naar de Richtlijn 2008/115/EG van 16 december 2008 (hierna: de Terugkeerrichtlijn) en onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is. Uit het dossier blijkt dat er door de Marokkaanse autoriteiten inmiddels weer laissez Passer worden verstrekt en verdachte dus had kunnen worden uitgezet door de Nederlandse autoriteiten. Door dit niet te doen, is de terugkeerprocedure niet volledig doorlopen.

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat wordt bepleit dat sprake is van een strafuitsluitingsgrond, omdat de terugkeerprocedure niet volledig is doorlopen.

De rechtbank stelt voorop dat voor de beoordeling of sprake is van een strafuitsluitingsgrond het niet de vraag is of de Nederlandse autoriteiten in het kader van de Terugkeerrichtlijn voldoende inspanningen hebben verricht om verdachte uit te zetten, maar of verdachte zich nadat hij bekend was met het inreisverbod, alles wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd in het werk heeft gesteld om Nederland uit eigen beweging te verlaten. Niet gebleken is dat verdachte, sinds de uitvaardiging van het inreisverbod de daartoe geëigende instanties, zoals de IOM, op enigerlei wijze heeft benaderd, dan wel op een andere manier heeft getracht een laissez passer te verkrijgen en vrijwillig terug te keren naar zijn land van herkomst. Gelet hierop is een strafuitsluitingsgrond niet aannemelijk geworden. De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van een eventuele strafoplegging voorop gesteld dat de termijn van de inverzekeringstelling is overschreden, waardoor sprake is van een vormverzuim. Verdachte dient hiervoor volgens de raadsman te worden gecompenseerd door middel van strafvermindering. Volgens de raadsman is in dit geval voorts de terugkeerprocedure niet volledig doorlopen. Om die reden kan er geen gevangenisstraf worden opgelegd. Uit het dossier blijkt dat uitzetting van verdachte op korte termijn mogelijk was, maar de Nederlandse overheid daartoe geen actie heeft ondernomen. Ten slotte heeft de raadsman verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Op die manier kan verdachte zo spoedig mogelijk worden uitgezet.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling
De rechtbank stelt vast dat uit het bevel tot inverzekeringstelling blijkt dat de termijn van de inverzekeringstelling met een half uur is overschreden. Dat de tijdstippen vermeld op het bevel abusievelijk onjuist zijn vermeld, is niet vast komen te staan. De officier van justitie heeft geen afschrift van het kladblok met daarop de juiste tijdstippen kunnen overleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht de overschrijding van de inverzekeringstelling met een half uur evenwel een beperkte overschrijding van de termijn en derhalve een geringe schendig van het vormvoorschrift. Nu voorts niets is aangevoerd welk ander nadeel de verdachte door schending van dit vormvoorschrift heeft ondervonden, zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering ervan en hier verder geen gevolgen aan verbinden wat de op te leggen straf betreft.

Strafoplegging

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne. Cocaïne en heroïne zijn voor de gebruikers daarvan zeer schadelijk. Het gebruik van deze middelen leidt bovendien tot overlast in de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Voorts heeft verdachte in Nederland verbleven terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. Hoewel de verdachte dit wist, heeft hij nagelaten te voldoen aan zijn verplichting om Nederland onmiddellijk te verlaten. Verdachte heeft hiermee het overheidsbeleid met betrekking tot vreemdelingen aan wie een inreisverbod is uitgevaardigd met als doel bescherming van de openbare orde, willens en wetens gefrustreerd.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging voor deze feiten voorts rekening met de justitiële documentatie van verdachte van 18 september 2015. Daaruit blijkt dat verdachte voor soortgelijke feiten meerdere malen eerder is veroordeeld. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Terugkeerrichtlijn
Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 mei 2013 ECLI:NL:HR:2013:BY3151 volgt dat de rechter bij de strafoplegging moet bezien of ten aanzien van de verdachte de stappen zijn gevolgd die zijn voorgeschreven door de Terugkeerrichtlijn.

Uit het dossier blijkt dat verdachte bij beschikking van 30 maart 2005 tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Deze ongewenstverklaring is bij beschikking van 18 juni 2014 omgezet naar een zwaar inreisverbod, zijnde een terugkeerbesluit als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Verdachte heeft binnen zes weken tegen dit besluit beroep ingesteld en was op dat moment derhalve op de hoogte van de inhoud van dit terugkeerbesluit. Daarmee is voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn neergelegde verplichting om een terugkeerbesluit uit te vaardigen.

Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte in 2008, 2009, 2012 en 2014 in vreemdelingenbewaring is gesteld. Verdachte werd in 2007, 2008 en 2012 gepresenteerd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko ter verkrijging van een reisdocument, een zogenoemde laissez passer. Deze aanvragen hebben vanwege onder meer politieke redenen niet geleid tot het afgeven van een laissez passer door de Marokkaanse autoriteiten. Verder blijkt uit het dossier dat de Dienst Terugkeer en Vertrek gedurende de drie vertrekprocedures ongeveer dertig vertrekgesprekken met verdachte heeft gevoerd. Verdachte heeft zich in deze gesprekken telkens op het standpunt gesteld de Algerijnse nationaliteit te bezitten. Hij heeft dit nimmer kunnen onderbouwen met stukken en op 13 december 2013 is na identiteitsonderzoek de Marokkaanse nationaliteit bij verdachte vastgesteld. Verder blijkt uit het dossier dat verdachte van vijf verschillende aliassen gebruik heeft gemaakt.

Uit dit alles blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de Dienst Terugkeer en Vertrek gedurende meerdere jaren inspanningen heeft verricht ten einde een laissez passer voor verdachte te verkrijgen om hem uit te kunnen zetten. Niet is gebleken dat verdachte gedurende deze jaren enige bijdrage heeft geleverd aan het vaststellen van zijn identiteit en/of nationaliteit om zijn uitzetting te bespoedigen, laat staan dat hij heeft getracht vrijwillig terug te keren naar Marokko. De enkele omstandigheid dat uit het dossier blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten enige tijd geen laissez passer hebben verstrekt, maar inmiddels weer zijn overgegaan tot het verstrekken hiervan en dat verdachte in vreemdelingenbewaring had kunnen worden gesteld om hem vervolgens uit te kunnen zetten, maakt niet dat om die reden de terugkeerprocedure niet volledig is doorlopen. Deze omstandigheid laat immers onverlet dat de Nederlandse overheid gedurende meerdere jaren inspanningen heeft verricht om verdachte uit te zetten. Gezien de voorgaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse overheid de in redelijkheid van haar te vergen terugkeermaatregelen heeft getroffen om ervoor te zorgen dat verdachte Nederland zal (kunnen) verlaten.


De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, niet met een andere straf kan worden volstaan dan met een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank heeft minder bewezen verklaard dan door de officier van justitie is geëist. Zij zal een lagere straf opleggen dan door hem is geëist. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest passend en geboden.

9 Het beslag

Onder verdachte is € 364,00 in beslag genomen.

Verbeurdverklaring

Dit geld behoort aan verdachte toe. Nu dit geld naar het oordeel van de rechtbank geheel door middel van of uit de baten van het onder feit 2 bewezen geachte is verkregen, wordt het verbeurd verklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 57 en 197 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2: als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd, met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Het beslag

Verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag, te weten: € 364,00.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. Spee, voorzitter,

mrs. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en K.J. Veenstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2015.

Mr. J.A. Spee is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 04 augustus 2015 te Utrecht, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 11,64 gram cocaïne (zijnde 56 bolletjes/gebruikershoeveelheden), in

elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

en/of

ongeveer 7,70 gram heroïne (zijnde 31 bolletjes/gebruikershoeveelheden), in

elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde

heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 04 augustus 2015 te Utrecht, in elk geval in Nederland, als

vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te

vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk

geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was

verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met

toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

art 197 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om proces-verbaal nr. PL009-2015237393, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pagina 6.

3 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pagina 7.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 12.

5 Proces-verbaal ter terechtzitting van 15 oktober 2015.

6 Los proces-verbaal onderzoek verdovende middelen.

7 Rapport Nederlands Forensisch Instituut van 24 augustus 2015, opgemaakt door rapporteur [A] .

8 Proces-verbaal van bevindingen van [B] , pagina 36.

9 Proces-verbaal ter terechtzitting van 15 oktober 2015.

10 Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, zaaknummer AWB 14/16873.