Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7779

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
3786801
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanpassing tarieven leveringsovereenkomst voor warmte, koude en tapwater door middel van een warmte-koude opslag (WKO) naar aanleiding van van kracht worden Warmtewet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2287

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3786801 UC EXPL 15-831 LdW/878

Vonnis van 11 november 2015

inzake

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser sub 1]

2 [eiser sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser sub 2] ,

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigden: mr. R.M.A. Vernooij en mr. D. Azarfane,

tegen:

de besloten vennootschap

Vaanster VII B.V.,

gevestigd te Bilthoven,

verder ook te noemen Vaanster,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. J.M. van den Berg.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie

  • -

    de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie

  • -

    het vonnis van deze rechtbank van 30 maart 2015, waarbij een comparitie van partijen is bepaald

Vervolgens heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden op 13 oktober 2015, waarbij partijen en hun raadslieden zijn verschenen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De woning van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is aangesloten op een collectieve energievoorziening in de vorm van een warmte-koude opslag (hierna: WKO).

2.2.

Op 26 maart 2010 is [eiser sub 2] met Vaanster een overeenkomst aangegaan voor de levering van warmte, koude en warm tapwater (hierna: de leveringsovereenkomst). De leveringsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 30 jaar en eindigt van rechtswege op 1 februari 2040. [eiser sub 2] heeft daarbij gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een hogere klasse tapwaterinstallatie te laten installeren, te weten CW5. Hierdoor kan zij meer warm water per minuut afnemen dan bij een installatie met de gangbare norm van CW4.

2.3.

Artikel 2 van de leveringsovereenkomst bepaalt dat de levering van warmte, koude en warm tapwater geschiedt tegen een vergoeding als gespecificeerd in Bijlage L-B. Uit die bijlage volgt dat de jaarlijkse kosten voor warmte, warm tapwater en koeling uit de volgende componenten bestaan:

Componenten

Eur

Vaste tarieven

1

Ruimteverwarming met warm tapwater klasse CW4

270,12

2

Toeslag CW5

46,40

3

Kosten energiemeter

79,00

4

Huur afgifteset warmte en koude

157,96

5

Ruimtekoeling

411,36

Subtotaal

964,84

Variabele tarieven

6

Variabel tarief geleverde warmte per GJ

28,38

2.4.

Bijlage L-B voorziet voorts in twee formules op basis waarvan de vastrecht tarieven en de variabele tarieven jaarlijks worden geïndexeerd.

2.5.

Op 1 januari 2014 is de Warmtewet in werking getreden. De Warmtewet schrijft dwingend voor uit welke tarieven de energieleverancier de rekening voor warmte mag opbouwen. Daarnaast stelt de Warmtewet maximumgrenzen aan de tarieven voor de levering van warmte. De ACM heeft op 20 december 2013 in haar Besluit tot vaststelling van de maximumprijs en de berekening van de eenmalige aansluitbijdragen het meettarief warmteverbruik per 1 januari 2014 (hierna: het ACM-besluit) de volgende maximumtarieven voor 2014 vastgesteld:

  1. de maximumprijs voor de levering van warmte. Dit tarief bestaat uit een vast bedrag van € 254,-- per jaar, vermeerderd met een variabel deel van € 24,03 per verbruikte gigajoule;

  2. het meettarief is vastgesteld op € 24,54 per jaar.

2.6.

De Warmtewet voorziet niet in een (regeling voor een) maximumtarief voor de terbeschikkingstelling van de afgifteset. Wel is in de wet bepaald dat een leverancier “tegen redelijke tarieven en voorwaarden” aan verbruikers een warmtewisselaar moet verhuren. Volgens de memorie van toelichting bij de Warmtewet moeten tarieven als redelijke tarieven moeten worden beschouwd indien deze voortkomen uit kosten op basis van een doelmatige bedrijfsvoering.

2.7.

Vaanster heeft [eiser sub 2] op 13 december 2013 bericht dat de opbouw en de hoogte van de door haar gehanteerde tarieven vanwege de inwerkingtreding van de Warmtewet zou worden herzien. Op 17 februari 2014 ontving [eiser sub 2] een e-mail van Vaanster met de warmtetarieven voor 2014. Vaanster gaf daarbij aan dat ze over 2014 de volgende tarieven zou hanteren:

Componenten

Eur

Vaste tarieven

1

Ruimteverwarming met warm tapwater klasse CW4

254,00

2

Toeslag CW5

46,40

3

Kosten energiemeter

24,54

4

Huur afgifteset warmte en koude

214,13

5

Ruimtekoeling

411,36

Subtotaal

950,43

Variabele tarieven

6

Variabel tarief geleverde warmte per GJ

24,03

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. verklaart voor recht dat Vaanster gehouden is de afspraken in de leveringsovereenkomst na te komen zolang de leveringsovereenkomst van kracht is, inhoudende dat de tarieven voor warmte slechts kunnen worden aangepast conform de in bijlage L-B bij die leveringsovereenkomst voorgeschreven indexatiewijze, met inachtneming van de bovengrenzen die de Warmtewet stelt;

  2. verklaart voor recht dat de door Vaanster gehanteerde stijging van het tarief ‘huur afgifteset’ voor 2014 in strijd is met de Warmtewet;

  3. verklaart voor recht dat de door Vaanster in rekening gebrachte toeslag voor CW5 in strijd is met de Warmtewet;

  4. Vaanster gebiedt om gedurende de gehele looptijd van de leveringsovereenkomst de leveringsovereenkomst na te komen, inhoudende dat Vaanster de tarieven voor warmte slechts mag aanpassen conform de in bijlage L-B bij die leveringsovereenkomst voorgeschreven indexatiewijze, en met inachtneming van de bovengrenzen die de Warmtewet stelt, op straffe van een dwangsom van EUR 250,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Vaanster vanaf drie weken na datum van het vonnis aan dit gebod geen gehoor geeft;

  5. Vaanster gebiedt binnen drie weken na datum van het vonnis schriftelijk aan [eiser sub 1] c.s. te melden welke tarieven voor 2014 en 2015 gelden op grond van de leveringsovereenkomst, waarbij het voorgaande in acht zal worden genomen, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Vaanster aan dit gebod geen gehoor geeft; en

  6. Vaanster veroordeelt in de kosten van het geding, alsmede in de gebruikelijke nakosten (zowel zonder als met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stellen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat Vaanster in strijd met het bepaalde in de leveringsovereenkomst en in strijd met de Warmtewet een aantal componenten van de energierekening onevenredig heeft verhoogd.

3.3.

Vaanster heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

3.4.

Voor het geval de kantonrechter van oordeel mocht zijn dat Vaanster niet bevoegd was de leveringsovereenkomst te wijzigen, verzoekt Vaanster in reconventie de kantonrechter de leveringsovereenkomst te ontbinden met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2014.

3.5.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben de reconventionele vordering gemotiveerd betwist.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de wijziging van het tarief “huur afgifteset” en het in rekening brengen van een toeslag voor tapwaterklasse CW5. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat deze tarieven zowel in strijd zijn met de Warmtewet als met de overeenkomst.

Algemeen

4.2.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen terecht dat de leveringsovereenkomst voorziet in zeer specifieke regels voor indexatie van de tarieven. Voor de beoordeling van deze zaak is dat echter niet van belang, omdat Vaanster met een beroep op artikel 6.2 van de leveringsovereenkomst en artikel 12.3 van de algemene voorwaarden de overeengekomen tarieven juist heeft gewijzigd.

4.3.

Artikel 6.2 van de leveringsovereenkomst luidt –voor zover hier van belang- als volgt:

“(…) Indien zich gedurende de looptijd van de Overeenkomst door een overheidsbesluit, een richtlijn van de overheid of door de overheid gestelde additionele voorwaarden, waaronder een wijziging in de huidige wet- en regelgeving, [de rechtbank begrijpt: een situatie voordoet] dat een ongewijzigde voortzetting van de overeenkomst in redelijkheid niet van de Leverancier mag worden verwacht, is de Leverancier gerechtigd onder opgave van redenen de Overeenkomst en/of de vastgelegde tarieven aan de hernieuwde situatie aan te passen.

4.4.

Artikel 12.3 van de toepasselijke algemene voorwaarden luidt als volgt:

“Indien zich gedurende de looptijd van de Overeenkomst de situatie zich voordoet dat door een overheidsbesluit, een richtlijn van de overheid of door de overheid gestelde additionele voorwaarden, waaronder een wijziging in de huidige wet- en regelgeving, een ongewijzigde voortzetting van de overeenkomst in redelijkheid niet van de Leverancier mag worden verwacht, is de Leverancier gerechtigd onder opgave van redenen de Overeenkomst en/of de vastgelegde tarieven aan de hernieuwde situatie aan te passen.”

Beroep op onredelijk bezwarend karakter

4.5.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat artikel 12.3 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is en hebben de vernietigbaarheid van dat beding ingeroepen. Nu artikel 12.3 van de algemene voorwaarden vrijwel gelijkluidend is aan artikel 6.2 van de leveringsovereenkomst, gaat de kantonrechter ervan uit dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ook van die bepaling de vernietigbaarheid hebben willen inroepen. Deze bepaling is immers opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, en kan daarom ook worden aangemerkt als een algemene voorwaarde.

4.6.

De kantonrechter overweegt dat deze bepalingen voor [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet onredelijk bezwarend zijn. Anders dan zij stellen, geeft het beding aan Vaanster niet de bevoegdheid om eenzijdig, geheel naar eigen inzicht en ongelimiteerd de prijs van haar product te verhogen. In de bepaling is tot uitdrukking gebracht dat de vastgelegde tarieven alleen eenzijdig mogen worden aangepast indien er sprake is van gewijzigde regelgeving door de overheid, en dan alleen nog voor zover ongewijzigde voortzetting in redelijkheid niet mag worden verwacht van Vaanster. Gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, waarbij Vaanster de verplichting op zich heeft genomen om gedurende 30 jaar warmte en koude te leveren, het feit dat wijzigingen in wet- en regelgeving ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de exploitatie van een warmte-koude installatie en het feit dat een wijziging van de tarieven alleen mogelijk is voor zover ongewijzigde voortzetting in redelijkheid niet mag worden verwacht, is een dergelijk beding niet onredelijk bezwarend.

Mocht ongewijzigde voortzetting in redelijkheid niet worden verwacht?

4.7.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of in de gegeven omstandigheden ongewijzigde voortzetting van de overeenkomst in redelijkheid niet mocht worden verwacht van Vaanster. De kantonrechter overweegt dat partijen het erover eens zijn dat de Warmtewet dwingend voorschrijft uit welke componenten de tarieven moeten zijn opgebouwd, welke kosten daar wel en niet in thuishoren en wat daarbij de maximale bedragen mogen zijn. Ook staat vast dat Vaanster voor 1 januari 2014 sommige kostencomponenten onder bepaalde tarieven had gebracht, waar die na 1 januari 2014 onder een ander tarief thuishoren. In deze omstandigheden kan van Vaanster in redelijkheid niet worden gevergd dat zij de overeenkomst ongewijzigd voortzet. Dit zou dan immers betekenen dat zij sommige tarieven moet verlagen omdat bepaalde kostencomponenten niet langer onder dat tarief in rekening mogen worden gebracht, terwijl zij de tarieven waar die kostencomponenten wel in rekening moeten worden gebracht niet zou mogen verhogen. Dit betekent dat Vaanster in beginsel bevoegd was om de tarieven te wijzigen of te verplaatsen.

Zijn de nieuwe tarieven in strijd met de Warmtewet en/of de leveringsovereenkomst?

4.8.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de nieuwe tarieven in strijd zijn met de Warmtewet en/of de leveringsovereenkomst.

4.9.

De kantonrechter stelt in dit verband allereerst vast dat de totale jaarlijkse kosten zijn gedaald. Dit is weliswaar niet van doorslaggevende betekenis bij de beoordeling van de vraag of de prijsverhoging van enkele prijscomponenten toelaatbaar is, maar is wel een element dat in die beoordeling dient te worden betrokken.

4.10.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat het niet kan kloppen dat de prijswijzigingen alleen een gevolg zijn van het verplaatsen van kosten. Het vastrecht zou in dat geval immers verlaagd moeten zijn met hetzelfde bedrag waarmee de huur van de afgifteset is verhoogd. Nu het vastrecht met € 16,20 is gedaald en de huurprijs voor de afgifteset met € 56,10 is gestegen, hanteert Vaanster dus een te hoog vastrecht of een te hoge huurprijs, aldus [eiser sub 1] . Vaanster stelt daartegenover dat het niet alleen gaat om het verplaatsen van deze kosten, maar dat elementen die vroeger onder het variabele tarief werden gebracht tegenwoordig ook in het vastrecht zijn verwerkt. Dat is de reden dat het vastrecht minder is gedaald dan dat de huur van de afgifteset is verhoogd. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben dat niet vervolgens niet gemotiveerd betwist, terwijl zij blijkens de bij dagvaarding overgelegde producties wel bekend zijn met de wijze waarop het vastrecht moet worden berekend. De kantonrechter volgt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op dit punt daarom niet.

Ten aanzien van de afgifteset voorts

4.11.

Het tarief voor de huur van de afgifteset is gestegen van € 157,96 naar € 214,13. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat dit niet redelijk is omdat:

  • -

    Een eenzijdige prijsverhoging van 40% niet als redelijk kan worden aangemerkt;

  • -

    De huurpijs op zichzelf bezien al onredelijk is omdat het huren van de afgifte installatie 30% duurder is dan wanneer [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een dergelijke installatie zouden aanschaffen;

  • -

    Als de ACM rekenmethode wordt gevolgd, blijkt dat het door Vaanster gehanteerde bedrag hoger is dan de uitkomst van die berekening.

4.12.

Vaanstra stelt dat de prijsverhoging wordt veroorzaakt door het feit dat de warmtewet een andere tariefstructuur voorschrijft. Dit is door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de kantonrechter daar vanuit gaat. Het enkele feit dat deze component is verhoogd, maakt de verhoging dus niet in strijd met de warmtewet of de leveringsovereenkomst.

4.13.

Het feit dat het huren van een afgifteset duurder is dan de aanschaf van een afgifteset, maakt niet dat het vastgestelde tarief onredelijk is. Het is in het economisch verkeer volstrekt gebruikelijk dat huren duurder is dan kopen, mede gelet ook op het feit dat de verhuurder verantwoordelijk blijft voor het onderhoud en zo nodig vervangen van het gehuurde. Ook hieruit volgt dus niet dat er sprake is van een onredelijk tarief. Ditzelfde geldt voor het feit dat uit de voorbeeldberekening van ACM een lager bedrag komt dan het door vaanster gehanteerde bedrag. Mede gelet op de door vaanster overgelegde berekening van de werkelijke kosten kan ook dat niet leiden dat er sprake is van een onredelijke prijs.

Ten aanzien van de toeslag CW5 voorts

4.14.

[eiser sub 2] heeft bij het aangaan van de leveringsovereenkomst gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een hogere klasse tapwaterinstallatie te laten installeren, te weten CW5. Hierdoor kan zij meer warm water per minuut afnemen dan bij een installatie met de gangbare norm van CW4. Hiervoor is een toeslag van € 46,40 in rekening gebracht.

4.15.

Vaanster bracht de toeslag voor de inwerkingtreding van de Warmtewet als onderdeel van het vastrecht in rekening. Nu Vaanster sinds januari 2014 reeds het maximale vastrecht in rekening brengt, kan zij dit bedrag niet meer vermeerderd met een toeslag voor het gebruik van CW5, aldus [eiser sub 1] en [eiser sub 2] .

4.16.

De kantonrechter overweegt dat een toeslag voor een CW5 installatie op zichzelf niet in strijd is met de Warmtewet. Deze toeslag mag echter, anders dan voor 21 januari 2014, niet meer onder het vastrecht in rekening worden gebracht. Het kan in redelijkheid niet van Vaanster worden verwacht dat zij deze toeslag dan niet elders in rekening zou mogen brengen. Dit zou immers betekenen dat Vaanster de extra kosten zou moeten dragen die voortvloeien uit de keuze van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voor een duurdere CW5 installatie. Ook op dit punt is dus geen strijd met de warmtewet of de leveringsovereenkomst.

Conclusie

4.17.

Uit het voorgaande volgt dat de door Vaanster doorgevoerde tariefwijzigingen niet in strijd zijn met de Warmtewet en/of de leveringsovereenkomst. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] moeten worden afgewezen. Of [eiser sub 1] als echtgenoot van [eiser sub 2] wel ontvankelijk is, kan daarom onbesproken blijven. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

4.18.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vaanster worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 120,00 (2 punten x tarief € 60,00)

Totaal € 120,00

In voorwaardelijke reconventie voorts

4.19.

De reconventionele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat de kantonrechter van oordeel is dat Vaanster -kort gezegd- niet bevoegd is de leveringsovereenkomst te wijzigen. Nu deze voorwaarde niet is ingetreden, kan de reconventionele vordering dus onbesproken blijven.

5 De beslissing

In conventie

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Vaanster, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 120,-- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie

5.4.

verstaat dat de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld niet is ingetreden.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015.