Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7721

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
UTR 15/4866, UTR 15/4867, UTR 15/4887 en UTR 15/4888
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:428, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2462, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het kappen van 29 bomen ten behoeve van verbreding van de N527. Verweerder heeft zich op standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van in APV genoemde weigeringsgrond. Eerst in beroep hebben eisers zich beroepen op aanhaakverplichting uit artikel 75b Ffw. Met door vergunninghouder overgelegd rapport is voldoende aannemelijk dat geen verbodsbepaling uit FFw worden geschonden. Een verklaring van geen bedenkingen is dus niet vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 15/4866, UTR 15/4867, UTR 15/4887 en UTR 15/4888

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 oktober 2015 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser 1] , te [woonplaats] , eiser in de zaken UTR 15/4866 en UTR 15/4867, en
[eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 11] , [eiser 12] , eisers in de zaken UTR 15/4887 en UTR 15/4888, allen te [woonplaats]
(gemachtigde: P. Kamman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum, verweerder

(gemachtigde: mr. F.R.M. van Lent).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de provincie Noord-Holland (gemachtigden: mr. M.H.J. van Riessen).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2015 heeft verweerder aan de provincie Noord-Holland (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 5 gewone beuken, 1 grove den, 11 zomereiken, 11 schijnacacia’s en 1 hollandse iep ten behoeve van het verbreden en het realiseren van de N527 op het perceel [perceel] tussen [straat] en [straat] te [woonplaats] .

Bij besluit van 11 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van onder meer [eiser 4] , [eiser 6] , [eiser 7] en [eiser 12] niet-ontvankelijk verklaard.
De bezwaren van de andere eisers zijn in het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


Eisers hebben op 14 oktober 2015 een rapport overgelegd van [adviesbureau 1] van oktober 2015.

Verweerder heeft op 14 oktober 2015 een rapport overgelegd van Royal HaskoningDHV van 12 oktober 2015.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2015. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Derde-partij, vergunninghouder, is vertegenwoordigd door [A] en [B] , projectleider, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Holland, bijgestaan door [C] , ecoloog bij Royal HaskoningDHV, en de gemachtigde.

Overwegingen
Machtiging

  1. De gemachtigde van eisers is er ter zitting op gewezen dat hij geen machtiging heeft overgelegd om namens eisers op te treden. Bij faxbericht van 19 oktober 2015 is een machtiging van [eiser 1] overgelegd. Op 20 oktober 2015 is een machtiging van andere eisers ontvangen. Uit de overgelegde lijst met namen en handtekeningen blijkt niet duidelijk wie van de op de lijst genoemde personen de machtiging heeft ondertekend, en ook niet welke handtekening bij welke naam hoort. Voor zover dit wel voldoende duidelijk kon worden herleid, heeft de voorzieningenrechter aangenomen dat de gemachtigde namens deze personen optreedt en zijn deze personen in de kop van deze uitspraak vermeld. De overige personen genoemd op de hiervoor bedoelde lijst worden geacht geen beroep te hebben ingesteld.
    Ook uitspraak op het beroep

  2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

  3. Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en hij na de zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

  4. Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht om geen gebruik te maken van de mogelijkheid om op grond van artikel 8:86 van de Awb ook uitspraak te doen op het beroep. Zij hebben in dit verband gesteld dat zij niet beschikken over het ter zitting genoemde rapport van Royal HaskoningDHV van 12 februari 2015.

  5. De voorzieningenrechter stelt vast dat zowel eisers als vergunninghoudster zeer kort voor de zitting, maar formeel op tijd, een ecologisch rapport hebben overgelegd. In het door vergunninghoudster overgelegde rapport van Royal HaskoningDHV van 14 oktober 2015 wordt verwezen naar een eerder rapport van Royal HaskoningDHV van 12 februari 2015 en een rapport van [adviesbureau 2] ( [adviesbureau 2] ) van 20 februari 2015. Het rapport van [adviesbureau 2] is ter zitting overgelegd en toegelicht, de conclusies van dit rapport zijn omschreven in het rapport van Royal HaskoningDHV van 14 oktober 2015. Eisers hebben ter zitting kunnen reageren op het rapport van Royal HaskoningDHV van 14 oktober 2015 en het rapport van [adviesbureau 2] van 20 februari 2015. Het rapport van Royal HaskoningDHV van 12 februari 2015 is niet overgelegd en wordt dus niet betrokken bij de beoordeling van het door eisers ingestelde beroep.

  6. De voorzieningenrechter is, gelet op deze gang van zaken, van oordeel dat eisers voldoende de gelegenheid hebben gehad om te reageren op de door vergunninghoudster overgelegde rapporten. Nader onderzoek kan derhalve redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te zien van zijn bevoegdheid om ook uitspraak te doen op het beroep van eisers.
    Bezwaar niet-ontvankelijk

  7. In het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van 18 juni 2015, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, is toegelicht dat de bezwaren van de bewoners die op meer dan 100 meter van de te kappen bomen wonen en er geen zicht op hebben niet-ontvankelijk zijn omdat zij niet zijn aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

  8. Eisers [eiser 4] , [eiser 6] , [eiser 7] en [eiser 12] stellen zich op het standpunt dat zij wel belanghebbende zijn. Eisers betogen daartoe dat zij hechten aan hun woonomgeving. Juist de groene, bosrijke omgeving met lange lanen en karakteristieke bomen heeft gemaakt dat zij hier zijn gaan wonen.

  9. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

  10. Om belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb te zijn bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen, dient de betrokkene een persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. Desgevraagd heeft gemachtigde van eisers ter zitting erkend dat de eisers van wie de bezwaren niet-ontvankelijk zijn verklaard wonen op meer dan 100 meter van de te kappen bomen en er geen zicht op hebben. Verweerder heeft terecht gesteld dat het kappen van de bomen voor deze omwonenden niet een zodanige inbreuk op de woon- en leefomgeving is dat zij om die reden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb zijn aan te merken. Daarbij is ook van belang dat sprake is van een bosrijke omgeving, waarin een smalle strook van een aantal bomen wordt gekapt.

  11. Het voorgaande betekent dat verweerder de bezwaren van [eiser 4] , [eiser 6] , [eiser 7] en [eiser 12] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het door hen ingestelde beroep is ongegrond.
    Inhoudelijk

  12. Vergunninghoudster heeft, ten behoeve van het ter plaatse verbreden van de N527, een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de activiteit kappen. De aanvraag ziet op het kappen van 38 bomen. De verbreding van de N527 is bedoeld voor een verlenging van de opstelstroken voor het kruispunt met de N526, dit moet leiden tot een betere doorstroming van het (bus-)verkeer.

  13. Naar aanleiding van de aanvraag heeft de groendeskundige van verweerder geadviseerd om een omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van 5 gewone beuken, 1 grove den, 11 zomereiken, 11 schijnacacia’s en 1 hollandse iep. In de rapportage van de groendeskundige van 13 februari 2015 (de voorzieningenrechter begrijpt 3 februari 2015) is toegelicht dat, gelet op de diameter, voor het kappen van de overige bomen geen omgevingsvergunning is vereist. De omgevingsvergunning is op basis van het rapport van de groendeskundige verleend. In de vergunning is onder meer toegelicht dat:
    - er geen sprake is van natuurwaarde van de houtopstanden. Tijdens de inspectie zijn geen zwaarwegende ecologische belangen waargenomen. Wel is het advies voor aanvang van de werkzaamheden een quickscan Flora & Fauna uit laten voeren;
    - er sprake is van landschappelijke waarde van de houtopstanden. Alle te vellen bomen zijn typerend voor de lokale omstandigheden. Echter zij belemmeren het verbreden en verleggen van een linksafstrook voor een betere doorstroming van het openbaar vervoer.
    - er is geen sprake van waarde van leefbaarheid (de voorzieningen rechter begrijpt: waarde voor de leefbaarheid) van de houtopstanden. Door gebrekkig onderhoud is de conditie van de houtopstand en over het algemeen matig is.
    Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

  14. Eisers hebben hun beroepsgrond over de objectiviteit van de groendeskundige van verweerder ter zitting ingetrokken. De rechtbank zal deze beroepsgrond onbesproken laten.

  15. Zij betogen dat het kappen van de bomen leidt tot een onevenredige aantasting van hun leefomgeving. Ter zitting hebben zij gesteld dat uit het rapport van Royal HaskoningDHV van 14 oktober 2015 blijkt dat de grove den waarvoor vergunning is verleend landschappelijk en cultuurhistorisch waardevol is, zodat de vergunning ook om die reden geweigerd had moeten worden. Volgens eisers is het rapport van Royal HaskoningDHV op dit punt tegenstrijdig met het rapport van de groendeskundige van 3 februari 2015.

  16. Op grond van artikel 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het vellen of doen vellen van houtopstand, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
    Op grond van artikel 4.11 van de Algemene plaatselijke verordening Blaricum 2010 (de Apv) is het verboden zonder omgevingsvergunning houtopstand te vellen of te doen vellen.
    Op grond van artikel 4.13 van de Apv kan de vergunning worden geweigerd op grond van:
    a. de natuurwaarde van de houtopstand;
    b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor het stads- en dorpsschoon;
d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid van de woonomgeving niet zodanig is dat hij daarin aanleiding had moeten zien de vergunning te weigeren. Verweerder heeft het in dit verband van belang geacht dat de huidige conditie van de houtopstand over het algemeen matig is. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het rapport van Royal Haskoning van 14 oktober 2015 voor wat betreft de waarde van de grove den in strijd is met het rapport van de groendeskundige van 3 februari 2015. Uit het rapport van de groendeskundige blijkt dat ook hij van mening is dat de te kappen bomen, waaronder de grove den, typerend zijn voor de lokale omstandigheden. Hij heeft toegelicht dat er geen alternatief voorhanden is, het verbreden van de weg is alleen mogelijk als de bomen worden gekapt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat, gelet op het gebrek aan alternatieven, ook de landschappelijke waarde van de houtopstand geen reden is om de vergunning te weigeren.

17. Eisers betogen verder dat verweerder ten onrechte geen herplantplicht als bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van de Apv als voorwaarde aan de vergunning heeft verbonden. Verweerder heeft toegelicht dat er na het voltooien van de werkzaamheden te weinig ruimte is om ter plaatse bomen te herplanten. Vergunninghoudster heeft ter zitting toegelicht dat dit ook verband houdt met de waterleiding die ter plaatse moet worden verlegd. De beheerder van de waterleiding staat het niet toe dat ter plaatse bomen worden herplant. Verweerder heeft eisers het aanbod gedaan om ter plaatse struiken te planten. De voorzieningenrechter is, gelet op deze omstandigheden, van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om een herplantplicht als voorwaarde aan de vergunning te verbinden.

17. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan de Flora- en faunawet (Ffw), die volgens hen van toepassing is op het kappen van bomen. Zij hebben in dit verband gesteld dat uit waarnemingen en rapporten blijkt dat het gebied in gebruik is als fourageergebied voor vleermuizen, waaronder de gewone dwergvleermuis. Eisers verwijzen in dit verband naar de door hen overgelegde rapporten van [adviesbureau 3] B.V. ( [adviesbureau 3] ) van november 2013 en het rapport van [adviesbureau 1] van oktober 2015. Het rapport van [adviesbureau 3] betreft een onderzoek naar de aanwezigheid van (onder meer) vleermuizen bij het nabijgelegen Tergooiziekenhuis. Volgens dit rapport heeft de gewone dwergvleermuis twee kolonieplaatsen en een paarplaats in het ziekenhuis, daarnaast is de aanwezigheid van een aantal andere vleermuissoorten (laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) vastgesteld.

17. Op grond artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, voor zover hier relevant, wordt in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft.

Op grond van artikel 75b, eerste lid, onder a en b, van de Ffw is afdeling 2a (omgevingsvergunning) van de Ffw van toepassing op handelingen
a. waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en
b. die tevens zijn aan te merken als handelingen waarvoor een of meer van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, eerste lid, 17 en 18 gestelde verboden gelden en ten aanzien waarvan de minister op grond van artikel 75, derde lid, bevoegd is ontheffing te verlenen.

Op grond van artikel 75d, eerste lid, van de Ffw wordt een omgevingsvergunning die betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, niet verleend dan nadat de minister heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo.

21. De rechtbank begrijpt het betoog van eisers aldus dat zij stellen dat verweerder op grond van artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo in samenhang met artikel 75b, eerste lid, van de Ffw (de zogenoemde aanhaakverplichting) gehouden was om een verklaring van geen bedenkingen van de minister van Economische Zaken te vragen alvorens een omgevingsvergunning te verlenen. Verweerder betoogt dat er geen verbodsbepaling uit de Ffw wordt geschonden, zodat het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 75, derde lid, van de Ffw niet aan de orde is. Er geldt dus ook geen verplichting om de minister van Economische Zaken om een verklaring van geen bedenkingen te vragen.

21. De voorzieningenrechter stelt vast dat in ieder geval de gewone dwergvleermuis is opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EG) en dat de minister van Economische Zaken op grond van artikel 75, derde lid, van de Ffw bevoegd is om ontheffing te verlenen van (voor zover hier relevant) de onder meer voor vleermuizen geldende verboden uit de artikelen 9 tot en met 11 van de Ffw.

21. Op grond van artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Op grond van artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.


Op grond van artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

24. Verweerder stelt dat hij op basis van het rapport van de bomendeskundige van 3 februari 2015 heeft geconcludeerd dat van schending van een verbodsbepaling uit de Ffw geen sprake is. Om die reden heeft hij een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat eisers in bezwaar niets over vleermuizen of een schending van de Ffw hebben aangevoerd.

24. Het primaire besluit van 11 februari 2015 is gebaseerd op het rapport van de bomendeskundige van 3 februari 2015. Uit dit rapport blijkt dat onder een houtopstand met een natuurwaarde wordt verstaan een houtopstand die een schuil-/broedplaats biedt aan fauna, of een houtopstand die fourageergelegenheid biedt aan fauna, of een houtopstand die huisvesting biedt aan beschermde flora, of een houtopstand die onderdeel uitmaakt van een verbindingszone voor de natuur of van een bos. Volgens het rapport is een dergelijke natuurwaarde bij de inspectie niet waargenomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder op basis van dit rapport heeft kunnen stellen dat het kappen van de bomen niet leidt tot een schending van een verbodsbepaling uit de Ffw en dat er dus geen aanleiding was voor het vragen van een verklaring van geen bedenkingen. De rechtbank stelt vast dat in de bezwaarschriften van eisers niets staat vermeld over vleermuizen of de schending van de Ffw. Ook in het verslag van de hoorzitting in de bezwaarfase staat hierover niets vermeld. Verweerder heeft in (de gronden van) het door eisers gemaakte bezwaar geen aanleiding hoeven zien om alsnog nader onderzoek te laten verrichten.

24. Eerst in beroep hebben eisers betoogd dat de vergunning niet zonder verklaring van geen bedenkingen kan worden verleend omdat uit de door hen overgelegde rapporten blijkt dat het gebied in gebruik is als fourageergebied voor vleermuizen, waaronder de gewone dwergvleermuis.

24. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat uit het rapport van de groendeskundige van 3 februari 2015 voldoende blijkt dat het gebied geen vaste verblijfplaats van een vleermuis is. Volgens verweerder is daarmee voldoende duidelijk dat van schending van een verbodsbepaling uit de Ffw geen sprake is. Verweerder stelt dat nader onderzoek om die reden niet nodig is.

24. De rechtbank is van oordeel dat eisers met de door hen overgelegde rapporten voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat op basis van de Ffw beschermde soorten, namelijk vleermuizen en in het bijzonder de gewone dwergvleermuis, in het gebied voorkomen. Dit betekent dat het aan verweerder is om te onderzoeken in hoeverre het gebied voor de vleermuizen een essentieel fourageergebied is en of het gebied samenvalt met een vast rust- of verblijfplaats van de vleermuizen of de functionaliteit daarvan aantast. Het rapport van de groendeskundige is, gelet op de gegevens die eisers in beroep hebben overgelegd, onvoldoende om te kunnen stellen dat het kappen van de bomen niet leidt tot een schending van een verbodsbepaling uit de Ffw.

24. Vergunninghoudster stelt dat op basis van het door haar overgelegde rapport van Royal HaskoningDHV van 14 oktober 2015 en het rapport van [adviesbureau 2] van 20 februari 2015 wél de conclusie kan worden getrokken dat geen sprake is van een schending van een verbodsbepaling uit de Ffw. In het rapport van Royal HaskoningDHV is toegelicht dat de te kappen bomen op 5 februari 2015 zijn onderzocht op de aanwezigheid van spleten, holtes of losse stukken schors waarachter vleermuizen verblijfplaatsen kunnen hebben. Er zijn daarbij drie bomen aangetroffen met mogelijk voor vleermuizen geschikte boomholtes. Deze drie bomen zijn op 19 februari 2015 met behulp van een boomcamera onderzocht door [adviesbureau 2] . De conclusie van het onderzoek van [adviesbureau 2] is dat de drie holten voor vleermuizen niet geschikt zijn als verblijfplaats. In het rapport van Royal HaskoningDHV is ook onderzocht of het kappen van de bomen leidt tot beïnvloeding van het vaste jachtgebied of de vaste vliegroutes van vleermuizen. Volgens het rapport verandert er door het kappen van de bomen niets essentieels voor de vleermuizen die in het gebied voorkomen. Achter de rij bomen ligt nog steeds over tientallen tot honderden meters een geschikt jachtgebied. Het over een geringe afstand opschuiven van de bosrand zal niet leiden tot een negatief effect voor jagende of langsvliegende vleermuizen. Anders dan in een open landschap fungeren de bomen niet als een vaste vliegroute of een vast jachtgebied door de vleermuizen. Het opschuiven van de bosrand met circa zes meter maakt geen verschil voor de functionaliteit van dit deel van het leefgebied van de vleermuizen. Volgens het rapport van Royal HaskoningDHV zal de huidige bomenrij, die dicht bij de N527 staat en door een parallelweg is afgescheiden van het bos, juist door vleermuizen worden gemeden vanwege de felle koplampen van passerende auto’s.

24. De voorzieningenrechter acht de stelling van eisers dat de bomen wel fungeren als vaste vliegroute of vast jachtgebied, en de daarop gegeven toelichting ter zitting, gelet op het gemotiveerde rapport van Royal HaskoningDHV en de ter zitting gegeven toelichting van [C] onvoldoende aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van het rapport Royal HaskoningDHV van 14 oktober 2015 en het rapport van [adviesbureau 2] van 20 februari 2015 voldoende is komen vast te staan dat het kappen van de bomen niet zal leiden tot schending van een verbodsbepaling uit de Ffw. Dit betekent dat verweerder niet gehouden was om een verklaring van geen bedenkingen van de minister van Economische Zaken te vragen alvorens een omgevingsvergunning te verlenen.

24. Hetgeen door eisers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 5] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] en [eiser 11] in beroep is aangevoerd, leidt niet tot een vernietiging van het bestreden besluit. Ook hun beroepen zijn ongegrond.

24. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Er is ook geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.