Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7717

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
UTR 14/5988
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2015:5204
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak na tussenuitspraak (ECLI:NL:RBMNE:2015:5204). Wijzigingstekening om strijdigheid met artikel 2.5.17 Bouwverordening op te heffen. Daarnaast is, om te waarborgen dat kan worden voldaan aan de op grond van het bestemmingsplan geldende parkeernorm, in de vergunning als voorwaarde opgenomen dat de 36 appartementen slechts op basis van een campuscontract als bedoeld in artikel 7:274 BW in gebruik mogen zijn bij studenten. Met het nieuwe besluit zijn de gebreken hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/5988

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] en

[eiser 7] , allen te [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. B. Vermeirssen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder

(gemachtigden: mr. K.J.L. van Welzen en mr. E. Kovacsek).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Nedgoed B.V., gevestigd te Ouderkerk aan de Amstel
(gemachtigde: mr. S.A.B. Boer).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2014 heeft verweerder aan Nedgoed B.V. (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een winkel-woongebouw op de percelen [percelen] te [woonplaats] (de percelen), met een parkeervoorziening op het perceel [perceel] te [woonplaats] . Bij besluit van 19 augustus 2014 heeft verweerder het door eisers daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met de behandeling van eisers’ verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer UTR 15/2461, plaatsgevonden op 3 juli 2015. [eiser 1] en [eiser 2] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door [A] , directeur, bijgestaan door

[B] , architect, en de gemachtigde.


Naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer UTR 15/2461 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de met het besluit van 10 januari 2014 verleende vergunning bij uitspraak van 13 juli 2015 geschorst tot de einduitspraak van de rechtbank in de onderhavige zaak.

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank verweerder bij tussenuitspraak van 13 juli 2015 (de tussenuitspraak) in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het besluit van 19 augustus 2014 te herstellen.

Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft verweerder het besluit van 19 augustus 2014 gewijzigd in die zin dat de vergunning is verleend op basis van een door vergunninghoudster ingediende wijzigingstekening, gedateerd 6 juli 2015. Daarnaast is met het besluit van 19 augustus 2015 een aanvullende voorwaarde aan de vergunning verbonden die vergunninghoudster verplicht om de 36 appartementen op de eerste en twee verdieping van het te realiseren gebouw uitsluitend in gebruik te geven en gegeven te houden ten behoeve van de huisvesting van studenten op basis van een campuscontract.

Eisers hebben bij brieven van 11 september 2015 en 15 september 2015 hun zienswijze gegeven.


Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder bij brief van 23 september 2015 het
Mandaat-, volmacht- en machtigingenbesluit 2014 van de gemeente Hilversum (het Mandaatbesluit) met als bijlage het bevoegdhedenregister overgelegd.

De rechtbank heeft bij brief van 25 september 2015 aan partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt gesloten en dat zij uitspraak zal doen.

Overwegingen

  1. Het besluit van 19 augustus 2015 is, voor zover het betreft de in de tussenuitspraak genoemde herstelpunten, in de plaats getreden van deze onderdelen van het besluit van 19 augustus 2014.

  2. De rechtbank acht, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het tegen het besluit van 19 augustus 2014 ingestelde beroep mede gericht tegen het besluit van 19 augustus 2015.

  3. Eisers stellen dat de ondertekenaar van het besluit van 19 augustus 2015, de wethouder Ruimtelijke Ordening en verkeer, sport, gemeentelijke organisatie, niet bevoegd was om namens verweerder te beslissen op het bezwaar.

  4. Uit het door verweerder overgelegde bevoegdhedenregister, een bijlage bij het Mandaatbesluit, onder 5, blijkt dat verweerder zijn bevoegdheid om te beslissen op een bezwaarschrift heeft gemandateerd aan de betreffende portefeuillehouder, in dit geval de wethouder Ruimtelijke Ordening en verkeer, sport, gemeentelijke organisatie. Het betoog van eisers slaagt dus niet.

  5. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

  6. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen:

  • -

    het besluit van 19 augustus 2014 is vanwege de smalle tussenruimte tussen het te realiseren gebouw en het appartementengebouw van eisers in strijd met artikel 2.5.17, eerste lid, van de Bouwverordening genomen;

  • -

    in het besluit van 19 augustus 2014 is onvoldoende vastgelegd dat de 36 kleinere appartementen uitsluitend zullen worden bewoond door studenten. Aangezien juist deze doelgroep bepalend is geweest om aansluiting te zoeken bij de norm voor kamerverhuur, is het besluit van 19 augustus 2014 onvoldoende gemotiveerd;

  • -

    uit het besluit van 19 augustus 2014 blijkt niet dat verweerder met toepassing van artikel 53, tweede lid, onder 2, van de planregels is afgeweken van de op grond van het bestemmingsplan geldende parkeernormen voor winkels. Bij een herstel van dit gebrek dient verweerder ook inzichtelijk te maken voor hoeveel m² bruto vloeroppervlakte (bvo) aan winkelruimte hij vergunning verleent en hoe dit zich verhoudt tot de eerdere situatie op de percelen.

De strijdigheid met artikel 2.5.17, eerste lid, van de Bouwverordening

7. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft vergunninghoudster een wijzigingstekening bij haar oorspronkelijke aanvraag van 10 december 2013 ingediend. Deze wijzigingstekening is gedateerd 6 juli 2015. Uit de wijzigingstekening blijkt dat de smalle tussenruimte tussen de gebouwen toegankelijk wordt gemaakt door middel van een drietal dubbele schuifdeuren vanuit de vluchtgang in het te realiseren gebouw. Verweerder heeft toegelicht dat er door deze schuifdeuren voldoende mogelijkheden zijn voor reiniging en onderhoud van de tussenruimte. Om die reden heeft hij heeft de vergunning met toepassing van artikel 2.5.17, tweede lid, van de Bouwverordening Hilversum 2009 (de Bouwverordening), in afwijking van het eerste lid van dat artikel verleend.

8. Eisers betogen dat het realiseren van de drie schuifdeuren een gekunstelde oplossing is. Zij stellen dat het de vraag is of de schuifdeuren wel voldoende mogelijkheden bieden om de gehele tussenruimte te reinigen. Volgens eisers is de tussenruimte te smal om herstelwerkzaamheden te verrichten, zoals het vervangen van een baksteen of een onderdeel van de muur. Eisers betogen verder dat de tussenruimte verder doorloopt dan hun appartementengebouw, achter hun appartementengebouw is een betonnen schutting en aansluitend een garage opgericht. Ook de ruimte tussen de betonnen schutting en het te realiseren gebouw moet volgens eisers als tussenruimte worden aangemerkt. De schuifdeuren voorzien niet in de toegankelijkheid van dit gedeelte van de tussenruimte.

9. Op grond van artikel 2.5.17, eerste lid, van de Bouwverordening moet de zijdelingse begrenzing van een bouwwerk ten opzichte van de zijdelingse erfgrens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:
a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;

b. niet toegankelijk zijn.
Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.

De toelichting bij artikel 2.5.17 van de Bouwverordening luidt als volgt:
‘Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. De ontheffing kan worden verleend, indien de smalle open ruimte voldoende, bij voorbeeld door een opening in de zijgevel van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is. Bij het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid zal uiteraard ook gelet moeten worden op het bepaalde in artikel 2.5.1.’

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op tekst van en de toelichting bij artikel 2.5.17 van de Bouwverordening, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om op grond van artikel 2.5.17, tweede lid, van de Bouwverordening een afwijking van het eerste lid van dat artikel te verlenen. Zij overweegt daartoe dat uit artikel 2.5.17, eerste lid, van de Bouwverordening blijkt dat het artikel niet van toepassing is op bebouwing van ondergeschikte aard, zoals in dit geval de betonnen schutting achter het appartementengebouw van eisers. De ruimte tussen de schutting en het op richten gebouw is dus geen tussenruimte als bedoeld in artikel 2.5.17 van de Bouwverordening. Daarnaast blijkt uit de toelichting bij artikel 2.5.17 dat de bepaling vooral is bedoeld om vervuiling in tussenruimten te komen. Als voorbeeld van een manier om vervuiling te voorkomen, wordt genoemd een opening in de zijgevel.

De rechtbank stelt vast dat dat is wat vergunninghoudster volgens de wijzigingstekening van 6 juli 2015 zal realiseren. Gelet daarop heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten dat de door vergunninghoudster gekozen oplossing afdoende is.

De gehanteerde parkeernorm, onvoldoende vastgelegd dat de 36 kleinere appartementen uitsluitend zullen worden bewoond door studenten

11. Bij de berekening van de parkeerbehoefte voor het bouwplan is verweerder bij de 36 kleinere appartementen uitgegaan van de norm voor kamerverhuur, te weten een parkeernorm van 0,4 parkeerplaats per appartement. Ter motivering heeft verweerder gesteld dat de doelgroep voor kamerverhuur qua autobezit vergelijkbaar is met de doelgroep bij de verhuur van deze appartementen. De rechtbank heeft, gelet op deze motivering, in de tussenuitspraak als voorwaarde gesteld dat er een voldoende waarborg moet zijn dat de 36 kleinere appartementen uitsluitend door studenten worden bewoond.

11. Met het besluit van 19 augustus 2015 heeft verweerder de volgende, aanvullende, voorwaarde aan de vergunning verbonden:

‘Gelet op de gekozen parkeeroplossing mogen de 36 appartementen op de eerste en tweede verdieping uitsluitend in gebruik gegeven en gehouden worden ten behoeve van de huisvesting van studenten op basis van een campuscontract als bedoeld in artikel 7:274 lid 1 onder c en lid 4 van het Burgerlijk Wetboek.’

13. Eisers betogen dat de aanvullende voorwaarde niet garandeert dat de 39 appartementen slechts aan jongeren worden verhuurd. Zij hebben er in dit verband op gewezen dat ook een volwassene die bijvoorbeeld een avondopleiding volgt als een student in de zin van artikel 7:274 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt aangemerkt en dat promovendi door een aankomende wetswijziging ook als zodanig zullen worden aangemerkt. Eisers stellen dat dergelijke personen doorgaans een grotere parkeerbehoefte hebben dan een student die net op kamers is gaan wonen. Eisers stellen dat verweerder er in zijn besluit dus ten onrechte vanuit gaat dat studenten jongeren zijn die een voltijds opleiding volgen. Zij betogen verder dat verweerder geen garantie heeft gegeven dat de door hem gestelde voorwaarde zal worden gehandhaafd en op welke wijze dat zal gebeuren.

13. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de door verweerder gehanteerde parkeernorm is gebaseerd op de veronderstelling dat de appartementen slechts aan jongeren worden verhuurd. In de voorwaarde is bepaald dat de appartementen slechts aan studenten, als bedoeld in artikel 7:274 van het BW, mogen worden verhuurd. Dat een student als bedoeld in artikel 7:274 van het BW ook een volwassene met een gezin of een promovendus kan zijn, neemt niet weg dat de parkeerbehoefte onder studenten in de zin van dit artikel gemiddeld genomen lager zal zijn dan de parkeerbehoefte van een niet nader geduide doelgroep. De rechtbank stelt overigens vast dat ook bij kamerverhuur, de norm waarbij verweerder aansluiting heeft gezocht, niet vast staat dat de kamer uitsluitend aan jongeren zal worden verhuurd. Ook het betoog van eisers dat verweerder in de vergunning moet aangeven op welke wijze hij de voorwaarde gaat handhaven slaagt niet. Op verweerder rust een beginselplicht tot handhaving. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat verweerder al bij de vergunningverlening kenbaar had moeten maken op welke wijze hij op de naleving gaat toezien.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de aanvullende voorwaarde voldoende heeft gewaarborgd dat de 36 kleinere appartementen uitsluitend door studenten worden bewoond. Gelet daarop heeft hij voor deze appartementen in redelijkheid een parkeernorm van 0,4 parkeerplaats per appartement kunnen toepassen.
De parkeerbehoefte in verband met de te realiseren winkelruimte

13. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder in het besluit van 19 augustus 2015 toegelicht dat er in de oude situatie sprake was van 764 m² bvo aan winkelruimte en in de vergunde situatie van 701 m². De bvo van de opslagruimte is toegenomen van 237 m² tot 524 m². Uit de bij het besluit gevoegde tekening, die onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning, blijkt dat van de 764 m² bvo aan winkelruimte in de oude situatie 536,8 m² was gelegen op de begane grond en 225,9 m² op de eerste verdieping.

13. In het besluit van 19 augustus 2015 is aangegeven dat zowel in de oude als in de nieuwe situatie bezoekers van de winkels gebruik kunnen maken van de nabijgelegen parkeergarages en toegelicht dat op grond van de Beleidsregels Parkeernormen Hilversum 2009, die onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan ‘Binnenstad 2013’ (het bestemmingsplan), een parkeernorm geldt van 3,3 parkeerplaats per 100 m² bvo winkelruimte en van 0,55 parkeerplaats per 100 m² opslagruimte. De bvo van de winkelruimte is ten opzichte van de oude situatie afgenomen met (764 -/- 701 =) 63 m², hetgeen leidt tot een vermindering van de parkeerbehoefte met 2,07 parkeerplaats. De bvo van de opslagruimte is ten opzichte van de oude situatie toegenomen met (524 -/- 237 =) 287 m², hetgeen leidt tot een toename van de parkeerbehoefte met 1,57 parkeerplaats. Per saldo is er dus sprake van een vermindering van de parkeerbehoefte ten opzichte van de oude situatie. Om die reden worden er geen parkeereisen gesteld aan de winkel en opslagruimtes. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, mocht er toch sprake zijn van een geringe toename in de parkeervraag ten gevolge van het bouwplan, bij het besluit met toepassing van artikel 53, tweede lid, onder 2, van de planregels wordt geweken van het bepaalde in artikel 53, tweede lid, onder 1, omdat op andere wijze - namelijk door parkeren in de nabijgelegen parkeergarages - in de benodigde parkeerruimte kan worden voorzien.

13. Op grond van artikel 53, tweede lid, onder 1, sub a, van de planregels moet bij een gebouw ten behoeve van het parkeren en stallen van auto’s in de juiste mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, met dien verstande dat de juiste mate van ruimte wordt bepaald met behulp van de parkeernormen die als onderdeel van deze planregels zijn opgenomen in ‘Bijlage 2’ onder de noemer ‘Beleidsregels Parkeernormen Hilversum 2009’.
Op grond van artikel 53, tweede lid, onder 2, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde onder 1 voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het besluit van 19 augustus 2015 voldoende inzichtelijk heeft gemaakt voor hoeveel m² bvo aan winkelruimte en opslag hij vergunning verleent en hoe dit zich verhoudt tot de eerdere situatie op de percelen. Zij volgt eisers niet in hun betoog dat de oude situatie niet inzichtelijk is omdat de in het besluit genoemde bijgevoegde tekeningen ontbreken. Uit het besluit van 19 augustus 2015 blijkt dat de bedoelde tekeningen daarvan onderdeel uitmaken en als bijlage zijn bijgevoegd. Zowel verweerder als de rechtbank heeft een afschrift van dit besluit, inclusief de bijlagen, naar (de gemachtigde van) eisers gestuurd. Indien de gemachtigde, zoals hij stelt, deze bijlagen niet heeft ontvangen, had het op zijn weg gelegen daar naar te informeren.

13. Eisers stellen verder dat bij het bepalen van de bvo aan winkelruimte in de oude situatie ten onrechte ook de winkelruimte op de eerste etage is meegenomen. Zij stellen dat dit niet overeenkomt met de feitelijke (oude) situatie en dat het bestemmingsplan dit gebruik niet toestond.

13. Dit betoog slaagt niet. Uit de als bijlage bij het besluit van 19 augustus 2015 gevoegde tekeningen van de oude situatie blijkt dat de eerste verdieping van het pand in de oude situatie gedeeltelijk in gebruik was of is geweest als winkel. De rechtbank acht het op basis van de door verweerder overgelegde tekeningen voldoende aannemelijk dat dit de feitelijke situatie was of in ieder geval is geweest voordat de drie panden die zich in de oude situatie op de percelen bevonden eind 2013/begin 2014 werden gesloopt. Dat het bestemmingsplan, dat op 12 juni 2013 is vastgesteld, detailhandel slechts toestaat op de begane grond, en dus niet op de eerste verdieping, betekent niet dat deze situatie ten tijde van de sloop van de oude panden of daarvoor niet legaal was. Het overgangsrecht in dat bestemmingsplan staat namelijk toe dat bestaand gebruik dat in strijd is met het bestemmingsplan mag worden voortgezet. Verweerder heeft bij het vaststellen van de parkeerbehoefte voor het bouwplan dan ook mogen betrekken dat er in de oude situatie sprake was van 764 m² bvo aan winkelruimte.

13. Eisers betogen ook dat het onduidelijk is of de kelder van het bouwplan slechts als opslag kan worden gebruikt. Het is volgens hen niet uitgesloten dat deze ruimte ook als winkelruimte zal worden gebruikt. Om die reden gaat verweerder er volgens eisers ten onrechte vanuit dat de winkelruimte niet toeneemt.

13. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 19 augustus 2015 expliciet is bepaald dat er 701 m² bvo aan winkelruimte wordt vergund. Het betoog van eisers geeft geen aanleiding te veronderstellen dat vergunninghoudster van plan is om meer ruimte als zodanig in gebruik te nemen. Indien dit wel gebeurt, is dit een kwestie van handhaving.

13. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de op grond van het bouwplan te realiseren winkel- en opslagruimte niet leidt tot een toename van de parkeervraag ten opzichte van de oude situatie. Nu er bovendien geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid het standpunt van verweerder dat in de nabijgelegen (openbare) parkeergarages voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn, heeft verweerder met toepassing van artikel 53, tweede lid, onder 2, van de planregels, kunnen afwijken van het bepaalde onder 1 van voormeld artikellid.
Conclusie

13. Gegeven de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zal de rechtbank het besluit van 19 augustus 2014 vernietigen wegens strijd met artikel 2.5.17, eerste lid, van de Bouwverordening, artikel 53, tweede lid, onder 1, van de planregels van het bestemmingsplan en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu verweerder met het besluit van 19 augustus 2015 de gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand.

13. Gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen, is het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 19 augustus 2015 ongegrond.

13. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers in verband met zijn beroep tegen het besluit van 19 augustus 2014 redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.225,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na de bestuurlijke lus, waarde per punt € 490,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand. De rechtbank ziet tevens aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.

13. Hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd, leidt niet tot een vernietiging van het besluit van 19 augustus 2015. Het beroep is in zoverre ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 19 augustus 2014
    gegrond;

  • -

    vernietigt de beslissing op bezwaar van 19 augustus 2014;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 19 augustus 2015 ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.225,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M.M. van Amstel, voorzitter, en mr. drs. S. Wijna en mr. ing. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.