Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7716

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
4329966 \ UV EXPL 15-331
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiser was tot 1 juli 2014 in dienst van bedrijf op basis van een contract voor onbepaalde tijd voor 40 uur per week. Per 1 juli 2014 is hij op basis van een contract voor bepaalde tijd voor de duur van 12 maanden voor 40 uur per week in dienst getreden bij werkgever. Op 11 juli 2014 heeft hij met bedrijf een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarin is afgesproken dat zijn arbeidsovereenkomst op 30 juni 2014 eindigt met toekenning aan hem van een beëindigingsvergoeding van € 30.000,--. Werkgever heeft eiser op 12 juni 2015 een aanbod gedaan zijn werkzaamheden vanaf 1 juli 2015 voor 16 uur per week voort te zetten voor de duur van een half jaar. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij werkgever in dienst is, omdat er per 1 juli 2014 sprake is geweest van een overgang van onderneming. Nu werkgever zowel het personeel, de klanten, de trainingsactiviteiten en de exploitatie van het trainingscentrum van bedrijf heeft overgenomen, is er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter per 1 juli 2014 sprake van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW. De omstandigheid dat eiser met bedrijf een beëindigingsovereenkomst heeft gesloten doet hier niet aan af. Mede gelet op de eisen van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW lag het op de weg van bedrijf om eiser volledige voorlichting te geven over zijn rechtspositie om te waarborgen dat hij zijn eventuele beslissing om afstand te doen van de hem door artikel 7:663 BW geboden bescherming volledig geïnformeerd kon nemen. Gesteld noch gebleken is dat bedrijf dit heeft gedaan. Evenmin is gebleken dat werkgever dit heeft gedaan. De kantonrechter concludeert op grond hiervan dat eiser per 1 juli 2014 van rechtswege in dienst is getreden van werkgever en dat zijn dienstverband met een omvang van 40 uur per week nog steeds voortduurt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 663
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2192
JAR 2015/306
AR-Updates.nl 2015-1124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4329966 UV EXPL 15-331 MS/1270

Kort geding vonnis van 28 oktober 2015

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: SRK Rechtsbijstand,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Falck Nutec B.V., t.h.o.d.n. Falck Safety Services,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

verder ook te noemen Falck,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M. Reijrink.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 augustus 2015

  • -

    de producties van de zijde van [eiser]

  • -

    de productie van de zijde van Falck

  • -

    de akte wijziging van eis

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de mondelinge behandeling van 30 september 2015

  • -

    de pleitnota van [eiser]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] was van 1 juli 2000 tot 28 februari 2014 werkzaam bij The Tritanium Company B.V. (hierna: Tritanium). Per 1 maart 2014 is hij overgegaan naar Maritieme Training Center Amsterdam B.V. (hierna: MTC), dat dezelfde eigenaar heeft als Tritanium. MTC en [eiser] hebben hiertoe op 12 maart 2014 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. [eiser] verrichtte bij zowel Tritanium als bij MTC grafische werkzaamheden en werkzaamheden als systeembeheerder voor 40 uur per week tegen een maandsalaris van € 3.700,-- bruto.

2.2.

Medio 2014 is een bericht naar relaties van MTC gestuurd. Dit bericht heeft als titel: “MTC International hands over exploitation of MTC Amsterdam to Falck Safety Services

Center in Amsterdam is run by Falck per July 1st, 2014”

Hieronder zijn de logo’s van MTC International en Falck Safety Services te zien. Het bericht luidt verder als volgt:

“Dear Relation,

Herewith we would like to inform you that per July 1st 2014, all courses at MTC Amsterdam will be run by Falck Safety Services. All outstanding courses booked with MTC Amsterdam before July 1st will remain as is and will be taken care of by Falck Safety Services at the agreed conditions.

We are pleased to have found a partner for this center in such a short timeframe. We believe that the exploitation of our brand new facility will be in good hands with the very capable team of Falck Safety services, who have a proven track record in safety training worldwide.”

2.3.

Op 7 juli 2014 is het volgende persbericht uitgegaan:

“Falck Exploits Maritime Training Centre at Amsterdam

As of 1 July 2014 Falck Safety Services exploits the Maritime Training Centre (MTC) at Amsterdam. (…)

(…) “We are convinced that the training centre is in good hands with Falck Safety Services, a respectable name in the training industry,” says [A] , Managing Director of MTC International. “Now that the training centre is operational and handed over to Falck Safety Services, MTC will be focussing on establishing new locations abroad.”

“In the last couple of years, Falck Safety Services had done multiple investments in the development of specialist training and realistic training facilities. The realisation of this third training location in the Netherlands enables us to serve our client’s needs even better than before,” states [B] , Managing Director of Falck Safety Services in the Netherlands.”

2.4.

[eiser] heeft op 30 juni 2014 een arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden met Falck gesloten, op grond waarvan hij met ingang van 1 juli 2014 voor Falck werkzaam is geweest in de functie van Adviseur Marketing & Communicatie op basis van een 40-urige werkweek voor een bruto maandsalaris van € 3.700,--. Deze arbeidsovereenkomst zou op 30 juni 2015 van rechtswege eindigen.

2.5.

Per 1 juli 2014 is ook het overige personeel van MTC, 7 trainers en een receptioniste, in dienst van Falck getreden.

2.6.

Op 11 juli 2014 heeft [eiser] een beëindigingsovereenkomst met wederzijds goedvinden gesloten met MTC. Hierin is onder meer het volgende vermeld:

“ 3 AANLEIDING

(…)

3.3

De werkgever wil het dienstverband met de werknemer beëindigen wegens het stopzetten van de activiteiten van de werkmaatschappij waarvoor de werknemer werkzaam is. De activiteiten van deze maatschappij worden voortgezet door een derde partij, te weten Falck Safety Services B.V.

3.4

Werknemer heeft een aanbod van Falck Safety Services B.V. ontvangen en is voornemens hierop in te gaan.

3.5.

De werknemer heeft in eerste instantie aangegeven dat hij in dienst wil blijven. Beide partijen hebben daarover verschillende keren overlegd. Het resultaat is dat werkgever en werknemer allebei geen mogelijkheden zien om het dienstverband voort te zetten. Beide partijen hebben daarom afgesproken om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De afspraken die zij daarbij maken zijn vastgelegd in deze overeenkomst.

4. AFSPRAKEN

4.1

De arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden op 30 juni 2014. (…)

4.2

De werkgever betaalt de werknemer een beëindigingsvergoeding van € 30.000,- (…) bruto. (…)”

2.7.

Falck heeft [eiser] op 12 juni 2015 een aanbod gedaan om zijn werkzaamheden vanaf 1 juli 2015 voor 16 uur per week voort te zetten voor de duur van een half jaar. [eiser] heeft zich bij brieven van 29 juni 2015 en 3 juli 2015 op het standpunt gesteld dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 40 uur per week bij Falck in dienst is, omdat er per 1 juli 2014 sprake is geweest van een overgang van onderneming.

2.8.

Falck heeft dit bij brief van 2 juli 2015 betwist. Bij e-mailbericht van 7 juli 2015 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat, mocht er al sprake zijn van een overgang van onderneming, [eiser] dan niet per 1 juli 2014 van rechtswege is mee overgegaan, omdat zijn arbeidsovereenkomst met MTC reeds per 30 juni 2014 was beëindigd.

2.9.

[eiser] is per 1 juli 2015 40 uur per week blijven werken, maar is door Falck slechts voor 16 uur per week uitbetaald. Hij ontving hiervoor in de maanden juli en augustus 2015 een salaris van € 1.400,-- bruto per maand.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - na wijziging van eis - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Falck te veroordelen [eiser] uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis toe te laten op zijn werkplek locatie Utrecht, zulks in de functie van medewerker servicedesk, op straffe van een dwangsom van € 250,-- althans een door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen bedrag voor elke dag of een gedeelte daarvan dat Falck in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, zulks tot een maximum van € 25.000,--;

2. Falck te veroordelen aan [eiser] te betalen:

a. het achterstallig brutosalaris over de maanden juli en augustus 2015 ad € 4.600,-- (twee keer € 2.300,--), voor zoveel mogelijk te vermeerderen met de wettelijke rente en verhogingen;

b. vanaf 1 september 2015 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd, het brutoloon ad € 3.700,-- per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten en eventuele verhogingen, te (blijven) voldoen op het daarvoor gebruikelijke tijdstip en te vermeerderen met de vakantietoeslag en overige emolumenten op het moment dat dit opeisbaar is;

c. de kosten van deze procedure te betalen, waaronder begrepen kosten gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf datum vonnis tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

Falck voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid volgt uit de aard van de zaak. Het betreft - kort samengevat - een loonvordering en een vordering tot wedertewerkstelling.

4.2.

[eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vorderingen dat hij voor onbepaalde tijd voor 40 uur per week in dienst is bij Falck nu er op grond van artikel 7:662 BW per 1 juli 2014 sprake is geweest van een overgang van onderneming en zijn arbeidsovereenkomst met MTC per die datum op grond van artikel 7:663 BW van rechtswege is overgegaan naar Falck. [eiser] stelt dat hij voor Falck dezelfde werkzaamheden is blijven verrichten als hij voor MTC deed.

4.3.

Falck betwist primair dat per 1 juli 2014 sprake is geweest van een overgang van onderneming. Zij stelt dat het trainingscentrum van MTC op die datum min of meer een lege huls was. Er werden geen feitelijke trainingsactiviteiten verricht en er was ook geen sprake van een andere bedrijfsmatige activiteit. Falck stelt dat zij een groot aantal investeringen heeft moeten doen om het trainingscentrum in de loop van 2014 in gebruik te nemen. Er was dus geen sprake van dat Falck een “going concern” heeft overgenomen.

4.4.

[eiser] heeft gesteld dat het trainingscentrum in maart 2014 is geopend, nadat het een jaar lang door MTC was opgebouwd, en sindsdien doorlopend trainingen heeft verzorgd aan klanten. [eiser] heeft ter ondersteuning van deze stelling certificaten in het geding gebracht die zijn uitgereikt aan cursisten, waaruit kan worden afgeleid dat MTC vanaf de opening in maart 2014 trainingen voor klanten heeft verzorgd. Dit kan eveneens worden afgeleid uit het door [eiser] overgelegde overzicht van cursusevaluaties over de periode van 11 maart 2014 tot 18 juni 2014. Gelet hierop is voldoende aannemelijk dat MTC vanaf haar oprichting in maart 2014 tot 1 juli 2014 een “going concern” was en geen lege huls, zoals Falck heeft gesteld.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat alle 7 trainers die voorheen in dienst waren van MTC, per 1 juli 2014 bij Falck in dienst zijn getreden en dat deze trainers uiteindelijk voor klanten van Falck de trainingen zijn gaan verzorgen die voorheen door MTC werden gegeven. Uit het onder 2.2. geciteerde bericht aan de klanten van MTC kan worden afgeleid dat MTC en Falck zijn overeengekomen dat Falck de klanten van MTC zou overnemen. Uit dit bericht en uit het persbericht van 7 juli 2014 kan voorts worden afgeleid dat Falck per 1 juli 2014 de exploitatie van het trainingscentrum van MTC in Amsterdam zou gaan overnemen. Gelet op de inhoud van deze berichten en de gebruikte logo’s gaat de kantonrechter ervan uit dat deze door MTC en Falck gezamenlijk zijn opgesteld. Dit is door Falck ook niet gemotiveerd betwist. Nu Falck zowel het personeel, de klanten, de trainingsactiviteiten en de exploitatie van het trainingscentrum van MTC heeft overgenomen, is er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter sprake van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW. De uitingen van MTC en Falck naar klanten en de pers, waarbij gesproken wordt van overname van de exploitatie van het trainingscentrum per 1 juli 2014, en de omstandigheid dat [eiser] per 1 juli 2014 het personeel van MTC heeft overgenomen, leveren voorts sterke aanwijzingen op dat deze overgang van onderneming per 1 juli 2014 heeft plaatsgevonden.

4.6.

Falck stelt echter dat, als er al sprake zou zijn van een overgang van onderneming, deze dan niet per 1 juli 2014 heeft plaatsgevonden maar pas eind 2014. Zij voert hiertoe aan dat uit de door [eiser] overgelegde certificaten blijkt dat MTC ook na 1 juli 2014 uit eigen naam nog trainingen in het trainingscentrum heeft verzorgd. Zij stelt dat het trainingscentrum eerst naar de eisen van Falck diende te worden aangepast voordat daar door Falck gecertificeerde trainingen konden worden gegeven. Het trainingscentrum is pas eind 2014 feitelijk in gebruik genomen. Volgens Falck moet bij het bepalen van het tijdstip van een eventuele overgang van onderneming bij die feitelijke situatie worden aangesloten.

4.7.

Uit de overgelegde certificaten kan worden afgeleid dat MTC in de periode van 1 tot 10 juli 2014 nog trainingen heeft verzorgd. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat MTC Amsterdam in december 2013 een certificaat van Opito heeft verkregen voor het geven van trainingen. Omdat Falck per 1 juli 2014 nog geen door Falck gecertificeerde trainingen kon geven, is afgesproken dat MTC na 1 juli 2014 op het trainingscentrum nog trainingen zou verzorgen op basis van de Opito certificering. Het is hem niet bekend wie de cursisten heeft gefactureerd. De kantonrechter acht het enkele feit dat MTC na 1 juli 2014 gedurende 10 dagen nog cursussen heeft verzorgd, gelet op de toelichting die [eiser] heeft gegeven, onvoldoende om op basis hiervan aan te nemen dat per 1 juli 2014 geen overgang van onderneming heeft plaatsgevonden, te meer nu niet duidelijk is of MTC en Falck hierover financiële afspraken hebben gemaakt en zo ja, welke.

4.8.

De stelling van Falck dat zij het trainingscentrum in de periode van 1 juli 2014 tot eind 2014 heeft moeten verbouwen om er door Falck gecertificeerde trainingen te kunnen geven, kan evenmin tot de conclusie leiden dat er pas per eind 2014 feitelijk sprake is geweest van een overgang van onderneming. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat Falck na 1 juli 2014 de beschikking over het trainingscentrum en over de trainers heeft gehad. Falck heeft ter zitting toegelicht dat de trainers van MTC die per 1 juli 2014 bij haar in dienst zijn getreden, vanaf 1 juli 2014 tot het moment dat het trainingscentrum in gebruik kon worden genomen, vakantie hebben opgenomen, maar ook hebben meegeholpen met de verbouwing van het trainingscentrum en cursussen hebben gevolgd. Ook hebben zij in de vestiging van Falck in Rotterdam onder begeleiding van senioren werkzaamheden verricht. Gezien het voorgaande luidt de conclusie dat er per 1 juli 2014 sprake is geweest van een overgang van onderneming.

4.9.

Falck stelt subsidiair dat, als er al sprake zou zijn van een overgang van onderneming, [eiser] als gevolg daarvan niet per 1 juli 2014 van rechtswege bij haar in dienst is getreden, omdat er op die datum geen arbeidsovereenkomst meer tussen [eiser] en MTC bestond. Falck wijst erop dat deze arbeidsovereenkomst als gevolg van de beëindigingsovereenkomst die [eiser] op 11 juli 2014 met MTC heeft gesloten al per 30 juni 2014 was beëindigd.

4.10.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 26 juni 2009 (JAR 2009/183) heeft overwogen, is artikel 7:663 BW – en de voorloper daarvan, artikel 1639bb (oud) BW – in ons recht opgenomen ter implementatie van de EG-richtlijn 77/187 van 14 februari 1977, Pb.EG, L 61/26, naderhand vervangen door richtlijn 98/50 van 29 juni 1998, Pb.EG, L 201/88, en nog later door richtlijn 01/23/EG, Pb.EG, L 82/16. De richtlijn van 1977 strekt ertoe te verzekeren dat de werknemers bij een verandering in de persoon van het hoofd van de onderneming hun rechten behouden, door het mogelijk te maken dat zij op dezelfde voorwaarden als zij met de vervreemder waren overeengekomen, in dienst van de nieuwe werkgever blijven (HvJEG 25 juli 1991, C-362/89, NJ 1994, 168). Hetzelfde geldt voor de richtlijnen van 1998 en 2001.

4.11.

De door de richtlijn aan de werknemers van de overgedragen onderneming geboden bescherming is van openbare orde en is in zoverre als dwingend te beschouwen voor de werknemers dat er niet in ongunstige zin van mag worden afgeweken. Hieruit volgt dat de werknemers niet kunnen afzien van de rechten die de richtlijn hun toekent, en dat hun rechten niet mogen worden verminderd, ook niet met hun instemming (HvJEG 10 februari 1988, 324/86, NJ 1990, 423).

4.12.

De door de richtlijn beoogde bescherming is evenwel niet nodig, wanneer de betrokkene zelf na de overgang zijn dienstbetrekking uit eigen beweging niet met de nieuwe onderneming voortzet. Dat is het geval wanneer de betrokken werknemer uit vrije wil de arbeidsovereenkomst of -verhouding met ingang van de dag van overgang verbreekt, of wanneer deze overeenkomst of -verhouding met ingang van de dag na de overgang wordt beëindigd krachtens een overeenkomst die vrijelijk wordt gesloten tussen de werknemer en de vervreemder of de verkrijger van de onderneming (HvJEG 11 juli 1985, 105/84, NJ 1988, 907).

4.13.

[eiser] stelt dat hij ten tijde van het sluiten van de beëindigingsovereenkomst geen juridische bijstand had en dat hij niet goed is geïnformeerd over de overgang naar Falck en over de juridische consequenties van deze overgang. [eiser] heeft toegelicht dat hij de beëindigingsovereenkomst met MTC heeft gesloten met een lagere vergoeding dan de neutrale kantonrechtersformule en dat hij het jaarcontract van Falck heeft geaccepteerd omdat hij allang blij was dat hij aan het werk kon blijven. Hij stelt dat hem eerder was verteld dat er geen werkzaamheden voor hem bij Falck zouden zijn.

4.14.

De kantonrechter merkt op dat het, mede gelet op de eisen van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW, in de gegeven omstandigheden op de weg van MTC lag om [eiser] volledige voorlichting te geven over zijn rechtspositie om te waarborgen dat hij zijn eventuele beslissing om afstand te doen van de hem door artikel 7:663 BW geboden bescherming volledig geïnformeerd kon nemen. Gesteld noch gebleken is dat MTC [eiser] bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst heeft voorgehouden dat hij als gevolg van de overgang van onderneming per 1 juli 2014 op basis van zijn arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van rechtswege in dienst zou treden bij Falck en dat hij met het sluiten van de beëindigingsovereenkomst afstand zou doen van dit recht. Evenmin is gebleken dat Falck [eiser] bij het aangaan van de nieuwe arbeidsovereenkomst per 1 juli 2014 voor de duur van één jaar op de hoogte heeft gesteld van zijn rechtspositie die hij als gevolg van de overgang van onderneming had. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat [eiser] uit vrije wil de arbeidsovereenkomst met MTC per 30 juni 2014 heeft verbroken en daarmee ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van de hem door artikel 7:663 BW geboden bescherming. De conclusie luidt daarom dat [eiser] per 1 juli 2014 van rechtswege in dienst is getreden van Falck en dat zijn dienstverband met een omvang van 40 uur per week nog steeds voortduurt.

4.15.

Gezien het voorgaande kan de vordering sub 1 om Falck op straffe van een dwangsom te veroordelen om [eiser] toe te laten tot zijn werkplek in de functie medewerker servicedesk, worden toegewezen. Falck heeft niet betwist dat [eiser] thans deze functie verricht.

4.16.

De vordering sub 2a om Falck te veroordelen het achterstallig brutosalaris over de maanden juli en augustus 2015 van in totaal € 4.600,-- te voldoen, kan ook worden toegewezen, evenals de gevorderde wettelijke rente. De gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW wordt (bij wege van matiging) gesteld op een percentage van 20% van bovengenoemd bedrag, nu dit percentage de kantonrechter op grond van de omstandigheden van het geval billijk voorkomt.

4.17.

De vordering sub 2b om Falck te veroordelen om vanaf 1 september 2015 aan [eiser] het brutoloon van € 3.700,-- per maand te betalen totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd, zal ook worden toegewezen.

4.18.

Falck zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,98

- griffierecht € 221,--

- salaris gemachtigde € 600,--

Totaal € 920,98

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

5 De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.1.

veroordeelt Falck om [eiser] uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis toe te laten op zijn werkplek locatie Utrecht in de functie van medewerker servicedesk, op straffe van een dwangsom van € 250,-- voor elke dag of een gedeelte daarvan dat Falck in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 25.000,-- is bereikt;

5.2.

veroordeelt Falck om aan [eiser] te betalen het achterstallig brutosalaris over de maanden juli en augustus 2015 van in totaal € 4.600,--;

5.3.

veroordeelt Falck om over het bedrag van € 4.600,-- de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening aan [eiser] te betalen;

5.4.

veroordeelt Falck om over het bedrag van € 4.600,-- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 20% aan [eiser] te betalen;

5.5.

veroordeelt Falck om vanaf 1 september 2015 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd, het brutoloon van € 3.700,-- per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten en eventuele verhogingen, aan [eiser] te (blijven) voldoen op het daarvoor gebruikelijke tijdstip en te vermeerderen met de vakantietoeslag en overige emolumenten op het moment dat dit opeisbaar is;

5.6.

veroordeelt Falck tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 920,98, waarin begrepen € 600,-- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Wallis, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Willems op 28 oktober 2015.