Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7612

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
16/706201-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal met geweld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Een deel van de geweldshandelingen is niet bewezen verklaard, omdat dit geweld geen betrekking had op de ten laste gelegde diefstal.

Vrijspraak voor twee oplichtingen, waarbij verdachte zich zou hebben voorgedaan als bonafide prostituee. Ten aanzien van feit 1 kan niet worden bewezen verklaard dat verdachte het opzet had de aangever op te lichten. Voor feit 3 ontbreekt voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte bij dit feit betrokken zou zijn geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/706201-15 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 21 oktober 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1979] ,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Nieuwersluis” te Nieuwersluis.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en haar advocaat, mr. S.A.S. Jansen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 2 mei 2015 in Utrecht [benadeelde 1] heeft opgelicht;

Feit 2: op 2 mei 2015 in Utrecht samen met één of meer anderen een diefstal met geweld heeft gepleegd, waarbij van [benadeelde 1] 175 euro, een mobiele telefoon en een iPod is weggenomen;

Feit 3: op 14 april 2015 in Utrecht [benadeelde 2] heeft opgelicht.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Wat betreft feit 1 en 3 kan niet worden bewezen verklaard dat verdachte zich valselijk heeft voorgedaan als een bonafide prostituee. Ze is namelijk een bonafide prostituee en heeft een vergunning om deze werkzaamheden te verrichten. Van één van de oplichtingsmiddelen is geen sprake.

Bij feit 1 is het zo dat verdachte is weggestuurd door de politie, omdat ze niet buiten het aangewezen gebied mocht werken. Ze kon op dat moment haar diensten niet verrichten en is vergeten het reeds ontvangen geld aan [benadeelde 1] terug te geven. Het opzet kan daarom niet worden bewezen verklaard.

Voor feit 3 geldt niet alleen dat de handelingen geen oplichting opleveren, maar is ook van belang dat er geen geld bij verdachte is aangetroffen. Dat is opmerkelijk, omdat verdachte grondig is gefouilleerd en er ook in de omgeving geen geld is aangetroffen. Ook om die reden kan dit feit niet worden bewezen verklaard.

Ook feit 2 kan niet worden bewezen verklaard. Uit de historische gegevens blijkt alleen dat er op bepaalde tijdstippen is gepind. De afdrukken van de camerabeelden geven onvoldoende informatie om verdachte daarop te herkennen. De officier van justitie geeft aan dat hij de kleding die wordt gedragen door de persoon die pint ook heeft gezien tijdens de doorzoeking bij verdachte. Van deze bevinding is echter geen proces-verbaal opgemaakt. Bovendien heeft de aangever gehoord dat, nadat de vrouw was gaan pinnen, de man belde en in de Marokkaanse taal sprak. Verdachte spreekt echter geen Marokkaans. Gelet op deze omstandigheden is er misschien voldoende wettig bewijs, maar onvoldoende overtuigend bewijs om verdachte voor dit feit te veroordelen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van feit 1

De rechtbank acht onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. Nog afgezien van de vraag of de handelingen van verdachte als een oplichtingsmiddel kunnen worden gekwalificeerd, kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat verdachte het opzet had aangever [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) te laten betalen zonder dat zij de afgesproken diensten zou verrichten. Daarvoor is van belang dat het contact tussen verdachte en [benadeelde 1] is onderbroken door politieagenten die verdachte hebben aangesproken en weggestuurd. Ook uit overige omstandigheden in het dossier blijkt niet dat verdachte van meet af aan niet van plan is geweest haar seksuele diensten te verrichten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Vrijspraak van feit 3

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat voor het onder 3 ten laste gelegde feit. De verdenking dat verdachte hierbij betrokken was, is slechts gebaseerd op de verklaring van aangever [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ) en op het feit dat hij verdachte kort na het vermeende feit heeft aangewezen als de prostituee die bij hem in de auto heeft gezeten. Het geldbedrag dat door [benadeelde 2] zou zijn betaald, is na fouillering van verdachte, niet bij haar aangetroffen. Ook bij de trailer en de omliggende struiken werd niets aangetroffen. Verdachte heeft ontkend contact met aangever [benadeelde 2] te hebben gehad. Het dossier bevat verder geen bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat verdachte bij dit feit betrokken is geweest. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Het bewijs voor feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op grond van de volgende bewijsmiddelen.1

Door [benadeelde 1] is op 3 mei 2015 aangifte gedaan van straatroof. [benadeelde 1] verklaart dat hij zich op zaterdag 2 mei 2015 op de Europalaan in Utrecht bevond. [benadeelde 1] zag dat er een vrouw naar hem toeliep2, van wie hij begreep dat zij werkzaam was als prostituee. Hij gaf haar 50 euro; daarvoor zou ze seksuele handelingen verrichten. [benadeelde 1] hoorde dat de vrouw werd aangesproken door een agent die haar vertelde dat ze alleen werkzaamheden mocht verrichten binnen het aangewezen gebied. De vrouw liep vervolgens weg. [benadeelde 1] trof de vrouw daarna aan samen met een man3 en is met hen een fietstunneltje ingelopen. Op het moment dat [benadeelde 1] in het fietstunneltje op de grond zat, zag hij dat de man op hem afliep en hem in het gezicht sloeg. [benadeelde 1] voelde direct pijn onder zijn linkeroog. Hij stond op en voelde dat de man en de vrouw zijn armen vastpakten. Hij zag en voelde dat hij door de man en de vrouw tegen de grond aan werd geduwd. [benadeelde 1] zag dat de vrouw zijn jaszakken leeghaalde. In de jaszakken van [benadeelde 1] zaten zijn portemonnee, zijn mobiele telefoon en zijn iPod. Hij zag dat de vrouw deze goederen uit zijn jaszak wegnam. In de portemonnee van [benadeelde 1] zat ongeveer 175 euro aan contant geld. Hij zag dat de vrouw dit uit zijn portemonnee pakte. [benadeelde 1] hoorde de vrouw zeggen dat hij de code van zijn bankpas moest geven. Hij zag dat zij met zijn bankpas de tunnel verliet.4 Na enige tijd kwam de vrouw terug en zei dat de pincode verkeerd was.5 [benadeelde 1] heeft onder meer letsel in zijn gezicht, op zijn armen en op zijn benen.6

Door de politie zijn de bankgegevens opgevraagd van [benadeelde 1] . Daaruit bleek dat er op 2 mei 2015 vijf keer is geprobeerd te pinnen bij terminals van de ABN AMRO bank in Utrecht. De camerabeelden van de pintransacties bij de twee terminals zijn opgevraagd en verkregen. Vervolgens zijn enkele foto’s van deze camerabeelden doorgestuurd naar de wijkagenten [A] en [B] . Binnen enkele minuten berichtten beide wijkagenten dat zij de vrouw herkenden als [verdachte] .7 Zij herkenden [verdachte] niet alleen aan haar gezicht, maar ook aan de kleding die zij haar vaker hebben zien dragen. Over de identiteit van de persoon op de foto’s is door anderen geen informatie aan deze wijkagenten verstrekt.89

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij contact heeft gehad met aangever. Ze heeft verklaard dat hij haar 50 euro had gegeven, maar dat zij vervolgens werd aangesproken door de politie die haar wegstuurde, omdat zij zich buiten het aangewezen gebied bevond.10

Bewijsoverwegingen over feit 2

Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde diefstal met geweld heeft gepleegd. De rechtbank vindt het daarbij van belang dat de verklaring van aangever [benadeelde 1] op verschillende punten wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. Zo wordt door verdachte zelf verklaard dat zij in eerste instantie contact heeft gehad met [benadeelde 1] en van hem 50 euro heeft gehad. De verklaringen van verdachte en [benadeelde 1] zijn over dat eerste contact gelijkluidend.

Ook de diefstal met geweld die daarna, volgens [benadeelde 1] , zou hebben plaatsgevonden, wordt bevestigd door andere bewijsmiddelen. [benadeelde 1] verklaart dat de vrouwelijke dader op twee momenten met zijn bankpas is weggegaan, kennelijk om te gaan pinnen. Dit wordt bevestigd door de bankgegevens van [benadeelde 1] , waaruit blijkt dat er in de nabijheid van de plaats delict op twee verschillende tijdstippen is geprobeerd te pinnen met zijn bankpas. Bovendien past het letsel dat bij [benadeelde 1] is geconstateerd bij de verklaring die hij heeft afgelegd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken was bij deze diefstal met geweld. Verdachte is door twee wijkagenten herkend van de prints van de camerabeelden die zijn gemaakt bij de pintransacties. Beide wijkagenten zijn werkzaam in het gebied waar verdachte als prostituee werkzaam was en kenden haar. Onafhankelijk van elkaar hebben zij verdachte herkend, niet alleen aan haar gezicht, maar ook aan de kleding waarvan zij wisten dat die door verdachte vaker gedragen werd. Op grond van deze herkenning en het feit dat verdachte heeft verklaard dat zij contact met [benadeelde 1] heeft gehad, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde diefstal met geweld heeft gepleegd. Het enkele feit dat verdachte naar haar zeggen de Marokkaanse taal niet spreekt of verstaat, doet naar het oordeel van de rechtbank niet aan deze overtuiging af.

De rechtbank overweegt verder het volgende. Onder feit 2 is ten laste gelegd de diefstal met geweld van 175 euro, een mobiele telefoon en een iPod. Het geweld bij deze diefstal bestond uit het slaan van [benadeelde 1] , het vastpakken van zijn armen en het tegen de grond duwen van [benadeelde 1] . Vervolgens zijn de hiervoor genoemde goederen door verdachte uit de jaszak van [benadeelde 1] gehaald. Daarmee was de diefstal voltooid. De overige geweldshandelingen die ten laste zijn gelegd, zijn gepleegd na voltooiing van de diefstal en hadden, naar het oordeel van de rechtbank, niet het doel om de vlucht mogelijk te maken of zich van het bezit van het gestolene te verzekeren. Uit de verklaring van [benadeelde 1] blijkt duidelijk dat de bedreiging “ik steek je neer”, het tonen van een schroevendraaier en het slaan met de houten plank gericht waren op het verkrijgen van de pincode van verdachte. De diefstal van de bankpas van [benadeelde 1] en het pinnen met deze pas, maken echter geen onderdeel uit van de tenlastelegging. Gelet hierop kan niet worden bewezen verklaard dat de ten laste gelegde diefstal is gevolgd van geweld. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de bedreiging en het geweld dat na de ten laste gelegde diefstal heeft plaatsgevonden, namelijk het bedreigen met een schroevendraaier en de woorden “ik steek je neer” en het slaan met een houten plank tegen het hoofd van [benadeelde 1] .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2.

op 02 mei 2015 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 175 euro en een mobiele telefoon en een iPod, toebehorende aan [benadeelde 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat zij en/of haar mededader

- die [benadeelde 1] hebben vastgepakt en

- die [benadeelde 1] in zijn gezicht heeft geslagen en

- die [benadeelde 1] tegen de grond hebben geduwd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 2: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Uit het Pro Justitia-rapport van 1 september 2015, opgemaakt door A. de Jong, GZ‑psycholoog, blijkt zakelijk weergegeven het volgende.

Verdachte is lijdend aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een ernstige chronische verslaving aan cocaïne en heroïne in combinatie met een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Hiervan was ook sprake tijdens het tenlastegelegde, indien bewezen. Het gedrag van verdachte werd daardoor beïnvloed. Mocht het geweld bewezen worden dan is de kans groot dat verdachte heeft gehandeld vanuit haar impulsiviteit gestuwd door de antisociale persoonlijkheidstrekken en zwakke executieve functies. Ze is niet in staat zich rustig een oordeel te vormen en daarnaar te handelen. Daarnaast was zij onder invloed van harddrugs. Ze was niet geheel in staat haar wil in vrijheid te bepalen. Geadviseerd wordt haar als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt het advies van de deskundige over en zal verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de volgende bijzondere voorwaarden:

- verdachte zal zich melden bij de reclassering;

- verdachte zal meewerken aan een ambulante behandeling door het FACT-team, ook als dat inhoudt dat verdachte voor een periode van maximaal 7 weken zal worden opgenomen voor een klinische behandeling.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit bij het bepalen van de strafoplegging rekening te houden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is gemotiveerd om aan haar problemen te werken en dient die kans te krijgen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld, waarbij het slachtoffer is vastgepakt, geslagen en geduwd. Vervolgens is het slachtoffer beroofd van zijn geld, mobiele telefoon en iPod. Dit is een feit waarvan algemeen bekend is dat het een grote impact heeft op slachtoffers. De rechtbank neemt dit verdachte bijzonder kwalijk.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op een Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 augustus 2015 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

De rechtbank neemt het advies van de deskundige De Jong over en zal verdachte verminderd toerekeningsvatbaar verklaren.

Verder heeft de rechtbank gelet op een reclasseringsrapport van 10 september 2015, waarin wordt vermeld dat een klinische behandeling geïndiceerd is. De rechtbank begrijpt dat de reclassering hierbij doelt op een intensieve klinische behandeling die volgens de deskundige De Jong nodig is. Verdachte heeft bij de reclassering echter aangegeven dat zij hier niet voor gemotiveerd is. Het meest haalbare is volgens de reclassering het voortzetten van de ambulante begeleiding door het FACT-team. De reclassering acht het daarbij van belang dat een kortdurende klinische opname – voor maximaal zeven weken – ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek wel kan plaatsvinden binnen een ambulant behandeltraject.

Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat zij gemotiveerd is om aan zichzelf te werken, desnoods door middel van een kortdurende klinische behandeling.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, niet met een andere straf kan worden volstaan dan met een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank heeft minder bewezen verklaard dan door de officier van justitie is geëist en zal daarom ook een lagere straf opleggen. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk passend en geboden. De rechtbank zal daarbij een proeftijd van 2 jaar opleggen met de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich zal melden bij de reclassering van Victas en mee zal werken aan een ambulante behandeling door het FACT-team, ook als dat inhoudt dat verdachte voor een periode van maximaal 7 weken zal worden opgenomen.

Wanneer verdachte niet behandeld wordt voor haar drugsproblematiek, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat zij opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De rechtbank zal daarom, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

De inhoud van de vorderingen

De vordering van [benadeelde 1] strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde, te weten een totaalbedrag van € 1.282,00 bestaande uit € 482,00 aan materiële schade en € 800,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente.

9.2

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1.250,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak, af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman opgemerkt dat de opgegeven marktwaarde van de iPod en de mobiele telefoon te hoog is ingeschat. Ook het contante geldbedrag dat gestolen zou zijn dient te worden afgewezen. Het gevorderde bedrag correspondeert niet met de aangifte. Bovendien is dit bedrag niet onderbouwd met stukken, zoals bankafschriften of een bon van de pintransactie. Ook de schade van de bankpas en de shag is onvoldoende onderbouwd en dient te worden afgewezen.

De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van de gevorderde immateriële schade.

9.4

Het oordeel van de rechtbank

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), te weten € 500,00 aan immateriële schade en € 250,00 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

De gevorderde schade betreffende de bankpas en de shag is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank schat de waarde van de iPod en de mobiele telefoon beide op € 50,00.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Behandeling van het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 36f, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 2: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Straf

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich binnen één werkdag volgend op haar invrijheidstelling meldt bij de reclassering, Victas Centrum voor Verslavingszorg, A.B.C.-straat 5, 3512 PX Utrecht. Vervolgens moet veroordeelde gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van Victas blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt.

2. zich gedurende de proeftijd van twee jaren onder behandeling stelt en zich zal laten begeleiden door het FACT-team van Victas op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor haar drugsgebruik. Veroordeelde zal zich houden aan de aanwijzingen van deze instelling, ook als dat inhoudt dat zij voor een periode van maximaal zeven weken zal worden opgenomen voor een klinische behandeling.

Geeft aan Victas Centrum voor Verslavingszorg opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 750,00 (zegge zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] , € 750,00 (zegge zevenhonderdvijftig euro) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Het voornoemde bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Eelkema, voorzitter, mrs. J. Ebbens en J.A. Spee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 oktober 2015.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 02 mei 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en / of van een valse hoedanigheid en /

of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en / of door een samenweefsel

van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag

van 50 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of

listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid

- zich voor gedaan als een bonafide prostituee en/of

- seksuele diensten aangeboden voor een geldbedrag van 50 euro en/of

- ( vervolgens) deze diensten niet verleend,

waardoor [benadeelde 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 02 mei 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een geldbedrag van 175 euro en/of een mobiele telefoon en/of een Ipod, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke

diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en /

of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat zij en/of haar mededader(s)

- die [benadeelde 1] heeft/hebben vastgepakt en/of

- die [benadeelde 1] in zijn gezicht heeft/hebben gestompt/geslagen en/of

- die [benadeelde 1] tegen de grond heeft/hebben geduwd en/of

- die [benadeelde 1] (terwijl hij tegen de muur zat) heeft/hebben bedreigd met een

schroevendraaier, althans met een (steek)voorwerp en/of

- aan die [benadeelde 1] de woorden heeft/hebben toegevoegd "ik steek je neer" en/of

- die [benadeelde 1] met een houten plank, althans met een hard (slag)voorwerp tegen

het hoofd heeft/hebben geslagen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op of omstreeks 14 april 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en / of van een valse hoedanigheid en /

of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en / of door een samenweefsel

van verdichtsels, [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag

van 30 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of

listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid

- zich voor gedaan als een bonafide prostituee en/of

- seksuele diensten aangeboden voor een geldbedrag van 30 euro en/of

- ( vervolgens) deze diensten niet verleend,

waardoor die [benadeelde 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer 2015135804, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 58). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [benadeelde 1] , van 3 mei 2015, p. 11.

3 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [benadeelde 1] , van 3 mei 2015, p. 12.

4 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [benadeelde 1] , van 3 mei 2015, p. 13.

5 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [benadeelde 1] , van 3 mei 2015, p. 14.

6 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [benadeelde 1] , van 3 mei 2015, p. 15.

7 Het proces-verbaal van bevindingen van 26 mei 2015, p. 24.

8 Het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar van 26 mei 2015, p. 27.

9 Het proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar van 26 mei 2015, p. 30.

10 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 oktober 2015.