Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7595

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
4250571 / ME VERZ 15-147
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Betreft verstoorde arbeidsverhouding, primair verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst i.v.m. dringende redenen, subsidiair verzoek ontbinding i.v.m. veranderde omstandigheden.

Beslissing kantonrechter ontbinding van de overeenkomst per 20 oktober 2015 en toekenning vergoeding.

Verweerster stuurde e-mails aan directeur over adjunct-directeur die haar zou stalken, stelselmatige pesten, frauduleus handelen, valsheid in geschrifte zou plegen en collega’s tegen haar zou opzetten. In het licht van hetgeen ABVO daartegen in heeft gebracht zijn deze aantijgingen onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1993
AR-Updates.nl 2015-1031
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Zaak- en rekestnummer: 4250571 / ME VERZ 15-147

Datum beslissing: 12 oktober 2015

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

ex artikel 7:685 BW

de stichting
STICHTING VOOR ALGEMEEN BIJZONDER VOORTGEZET ONDERWIJS IN FLEVOLAND,
gevestigd te Almere,
verzoekster,

hierna ook te noemen: ABVO,
gemachtigde mr. J.M.P. Blom, advocaat te Lelystad,

en

[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,

hierna ook te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde mr. G.G.A.J.M. van Poppel, advocaat te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van 30 juni 2015 met 41 producties

- het verweerschrift met 127 producties

- het faxbericht d.d. 20 augustus 2015 van ABVO met 1 productie.

1.2.

De mondelinge behandeling is gehouden op 21 augustus 2015. De zaak is op verzoek van partijen aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Bij faxberichten van 4 september 2015 en 10 september 2015 heeft mr. Blom de kantonrechter bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt en verzocht een beschikking te geven.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren op [1954] , is sinds 1 augustus 2007 in dienst van ABVO, laatstelijk in de functie van docent beeldende vorming op het [naam] College in Almere, tegen een salaris van thans € 3.784,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en overige emolumenten. Op de arbeidsverhouding tussen partijen is van toepassing de algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs 2014/2015 (hierna: de cao), voor zover deze betrekking heeft op het bijzonder onderwijs.

2.2.

ABVO verzorgt algemeen bijzonder voortgezet onderwijs in Almere. Het [naam] College is een school voor VMBO met circa 1.250 leerlingen en circa 100 docenten. Directeur van het [naam] College is sinds 1 januari 2015 mevrouw [A] (hierna: [A] ). Adjunct-directeur van het [naam] College is de heer [B] (hierna: [B] ). ABVO is onderdeel van de Almeerse Scholengroep (hierna: ASG), waarvan het bestuur gevormd wordt door de Stichting Entrada.

2.3.

Bij schrijven van 14 februari 2013 heeft [B] namens [C] , de toenmalig directeur van ABVO, [verweerster] uitgenodigd voor het voeren van een aantal gesprekken met betrekking tot het functioneren van [verweerster] en door [verweerster] ervaren knelpunten in de samenwerking met ABVO. Die gesprekken hebben plaatsgevonden op 16 april 2013, 21 mei 2013 en 3 september 2013 en zijn door ABVO bevestigd bij brieven van 18 april 2013. 31 mei 2013 en 12 september 2013. Daarbij zijn naast [verweerster] en de door haar ingeschakelde vakbondsconsulente [D] telkens tevens aanwezig geweest [B] , [E] (senior P&O adviseur ASG) en [F] (P&O functionaris bij het [naam] College). In die gesprekken zijn onder meer aan de orde gekomen de wijze waarop [verweerster] communiceert en samenwerkt met collega’s en leidinggevenden.

2.4.

Op 13 mei 2013 heeft [verweerster] een functioneringsgesprek gevoerd met haar teamleidster [G] . Dit functioneringsgesprek is voortijdig geëindigd nadat [verweerster] zich tijdens dit gesprek ziek had gemeld. Het verloop en de inhoud van dit gesprek is door [G] nog bij brief van dezelfde dag aan [verweerster] bevestigd.

2.5.

Op 10 juni 2013 is het voormelde functioneringsgesprek voortgezet. Het verloop van dit gesprek (waarin [verweerster] onder meer een taaktoebedelingsformulier heeft ondertekend en waarvan zij toen een foto heeft gemaakt) is bij brief van 17 juni 2013 door [G] bevestigd. In die brief wordt verder melding gemaakt van een voorval van 14 juni 2013 waarbij [verweerster] de kamer van [G] is binnen gelopen, het taaktoebedelingsformulier heeft verscheurd en aan [G] een enveloppe heeft gegeven, waarin een foto zat van dat formulier en waarop met de pen stond dat zij 28 lesuren wilde geven en geen enkele andere taak wilde uitvoeren. In de voormelde brief van 17 juni 2013 heeft [G] onder meer bericht de handelwijze van [verweerster] als niet respectvol, zeer agressief en intimiderend te hebben ervaren. [G] geeft in die brief tevens aan zo niet meer met [verweerster] te willen samenwerken, in ieder geval niet zonder derde partij.

2.6.

Op 15 oktober 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] , [B] en [H] (die [G] als teamleider was opgevolgd). Daarbij is aan de orde gekomen het door [verweerster] opgestelde concept verslag van het op 13 mei 2013 en 10 juni 2013 plaatsgevonden hebbend functioneringsgesprek. Dat verslag is toen door [B] en [G] ongeldig verklaard, omdat de inhoud daarvan volgens hen niet juist was. Aan [verweerster] is toen overhandigd een A-4tje waarop bij elke competentie waaraan [verweerster] dient te voldoen schriftelijk commentaar staat vermeld van [G] . Dat A-4tje is na gesprek in het personeelsdossier van [verweerster] gevoegd zonder dit verder met haar te bespreken. Het gesprek van 15 oktober 2013 is bij schrijven van 31 oktober 2013 door [B] bevestigd.

2.7.

Medio juni 2014 heeft ABVO besloten [verweerster] in het vervolg niet meer deel te laten uitmaken van team B (het team van [H] ), maar haar te laten werken in team C (het team van [I] ). Vakinhoudelijk en rechtspositioneel had dit geen gevolgen voor [verweerster] .

2.8.

Bij brief van 19 januari 2015 is aan [verweerster] door [I] meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor de functie docent LC, waarnaar zij gesolliciteerd had. Als reden is opgegeven haar bovengemiddelde afwezigheid wegens ziekte gedurende het lopende schooljaar ten gevolge waarvan [I] haar functioneren niet goed heeft kunnen beoordelen en dat dit ook geldt voor haar vorige temleiders.

2.9.

Op 1 juni 2015 heeft [verweerster] aan [A] een e-mail verstuurd met daarbij diverse bijlagen, waaronder een brief van 10 pagina’s. In deze brief beschrijft [verweerster] wat haar de afgelopen jaren is overkomen, verwijt zij [B] onder andere van structureel pesten in de vorm van lastigvallen, onder druk zetten, irriteren, uitsluiten, vernederen, stalken, sociaal isoleren, uitlachen, kwaadspreken, beledigen, benadelen en ondermijnen, fraude door het plegen van onregelmatigheden met officiële gegevens ten nadele van [verweerster] , willekeur, machtsmisbruik en intimidatie, het niet toepassen van wederhoor, karaktermoord, het plegen van inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer en het blokkeren van een toegezegde inschaling in een hogere salarisschaal. [verweerster] verzoekt [A] tot slot de kwestie in alle redelijkheid en eerlijkheid te onderzoeken en dat een en ander op correcte wijze wordt hersteld.

2.10.

Op 2 juni 2015 heeft [verweerster] een e-mail gestuurd naar [A] ter aanvulling op de voormeld e-mail van 1 juni 2015. Daarin beschrijft [verweerster] de wijze waarop zij is behandeld naar aanleiding van haar sollicitatie naar een LC-inschaling en stelt zij dat zij door haar teamleider ten onrechte is afgewezen op grond van haar ziekteverzuim. Volgens [verweerster] is [B] hierin van negatieve invloed geweest.

2.11.

Bij brief van 15 juni 2015 heeft [A] op de voormelde e-mails en brieven en de daarin door [verweerster] genoemde wensen gereageerd. [A] heeft [verweerster] tevens aangegeven zeer geschrokken te zijn van de toonzetting van de brieven, alsmede de door [verweerster] gedane beschuldigingen jegens [B] , en aangekondigd zich te beraden over de arbeidsrechtelijke gevolgen die daaraan zullen worden verbonden.

2.12.

Bij brief van 19 juni 2015 heeft het bestuur van ABVO aan [verweerster] medegedeeld dat zij over zal gaan tot het indienen van een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en dat zij het voornemen heeft [verweerster] met directe ingang te schorsen tot het moment dat de procedure omtrent de ontbinding van de arbeidsovereenkomst is afgerond. Nadat [verweerster] daarop had gereageerd, heeft het bestuur van ABVO bij brieven van 22 juni 2015 en 25 juni 2015 [verweerster] geschorst.

3 Het geschil

3.1.

ABVO verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens gewichtige redenen en te bepalen dat deze eindigt per datum beschikking.

3.2.

ABVO heeft aan haar verzoek het navolgende ten grondslag gelegd. ABVO is primair van mening dat sprake is van een dringende reden en subsidiair van veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Op 1 en 2 juni 2015 heeft [verweerster] twee e-mailberichten verstuurd aan [A] . In deze e-mailberichten uit [verweerster] een groot aantal ernstige tot zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van [B] , zonder dat deze steun vinden in de feiten of dat daarvoor een deugdelijke rechtvaardiging bestaat. Daarnaast maakt [verweerster] eveneens ongefundeerde verwijten aan het adres van de schoolleiding. Het door [verweerster] daarbij gebezigde taalgebruik is niet gebruikelijk onder het docentencorps van ABVO. In haar handelen en uitlatingen heeft [verweerster] zich, hoewel zij daartoe alle gelegenheid had, geen, althans onvoldoende, rekenschap gegeven van de verhoudingen binnen het [naam] College, noch van de gezagsverhoudingen die aan een arbeidsovereenkomst inherent zijn, noch van persoonlijke verhoudingen. ABVO neemt het [verweerster] des te kwalijker, omdat zij er van uit mocht gaan dat er in september/oktober 2013 een streep onder de door [verweerster] ervaren vendetta van [B] tegen haar was gezet. Er is geen sprake van een eenmalige ontremming bij [verweerster] , maar er is naar de mening van ABVO sprake van symptomatisch en onverbeterlijk gedrag. Er is sprake van een groot wantrouwen van [verweerster] jegens ABVO en de ABVO heeft geen vertrouwen meer in [verweerster] . Dat staat in de weg aan een verdere vruchtbare samenwerking. De verstoring is, gezien de aard en ernst van de aan [verweerster] verweten gedragingen, het feit dat zij de laakbaarheid van haar handelen/uitlatingen niet inziet en geen daadwerkelijke bereidheid tot mediation heeft getoond, dusdanig dat herstel van de relatie niet meer mogelijk is, aldus ABVO.

3.3.

[verweerster] is van mening dat het verzoek van ABVO ongegrond is en verzoekt de verzochte ontbinding af te wijzen. In het geval het verzoek tot ontbinding wordt toegewezen, verzoekt [verweerster] om een vergoeding toe te kennen aan haar, overeenkomend met factor C=2, ongeacht de eventuele wettelijke WW-aanspraken, de bovenwettelijke aanvullende en na-wettelijke uitkeringen en tijdens de uitkeringsfase opgebouwde pensioenaanspraken. Volgens [verweerster] is geen sprake van een verstoorde arbeidsrelatie en wordt de zaak van de zijde van ABVO opgeblazen met als enig doel om het ontslag van [verweerster] te forceren. Volgens [verweerster] is zij enkel voor haar belangen opgekomen via de gangbare wegen binnen de organisatie en heeft zij tot op heden nergens begrip gevonden voor hetgeen haar allemaal is overkomen als gevolg van de handelingen van [B] . De behandeling die [verweerster] ten deel is gevallen en de maatregelen die haar zijn opgelegd, zijn buitenproportioneel, onzorgvuldig en ongefundeerd nu er helemaal geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar haar klachten. [B] , die [verweerster] niet mag en zelfs een hekel aan haar heeft en naar wie alle teamleiders hun oren laten hangen waar het [verweerster] betreft, heeft niettegenstaande zijn brief van 31 oktober 2013 zelf de oude zaken weer opgerakeld door [verweerster] onvrijwillige overplaatsing in 2014 en door de ongeldigverklaring van het functioneringsgesprekverslag van 2013 en de voeging in haar personeelsdossier van het A-4tje met de nooit met [verweerster] besproken kritiek. De afwijzingsbrief van 22 januari 2015 van [I] , die volgde op haar sollicitatie naar de LC inschaling, lijkt te zijn ingegeven voor [B] . De motvering van die afwijzing, te weten dat [verweerster] niet goed beoordeeld kan worden door [I] en dat dit ook geldt voor de overige teamleiders, is namelijk feitelijk onjuist. Er zitten immers twee functioneringsverslagen in het personeelsdossier van [verweerster] , te weten van 2010 en 2013; alleen laat [B] alles wat in het voordeel spreekt van [verweerster] uit haar dossier weg en voegt daar het ten nadele van haar werkende voormelde A-4tje aan toe. [A] schrijft in haar brief van 15 juni 2015 dat ze niets heeft aangetroffen in het personeelsdossier dat de beweringen van [verweerster] staaft, terwijl [verweerster] in het bezit is van vele documenten, die in het personeelsdossier hadden moeten zitten, aldus [verweerster] .

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat is gesteld noch gebleken dat het onderhavige ontbindingsverzoek samenhangt met enigerlei wettelijk opzegverbod.

4.2.

Voor wat betreft het verzoek tot ontbinding is de kantonrechter van oordeel dat dit dient te worden toegewezen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is door [A] en [B] namens ABVO te kennen gegeven dat, met name na de volgens hen schofferende toon en inhoud van de e-mailberichten van [verweerster] van 1 en 2 juni 2015 aan [A] en het feit dat [verweerster] daar niets van terug heeft willen nemen, de tussen partijen bestaande arbeidsrelatie dermate verstoord is geraakt dat een terugkeer van [verweerster] op de werkvloer voor ABVO uitgesloten is. Dit in aanmerking nemende, en nu voor het bestaan van een vruchtbare arbeidsrelatie tenminste een wederzijdse vertrouwensband tussen de werkgever en de werknemer is vereist en dat dit vertrouwen, gelet op het bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door ABVO uitgedragen standpunt, bij ABVO in elke geval niet meer aanwezig is, zal de arbeidsovereenkomst ontbonden worden. De omstandigheden dat, naar [verweerster] heeft gesteld, zij (vak) inhoudelijk goed functioneert, dat van het gebrek aan wederzijds vertrouwen slechts sprake is tussen haar en [B] , dat [B] met de feitelijke verrichting van haar werkzaamheden verder geen bemoeienis heeft en dat daarom niet valt in te zien waarom de arbeidsovereenkomst niet gecontinueerd kan worden, leiden niet tot een ander oordeel. ABVO heeft gemotiveerd en onvoldoende weersproken uiteengezet dat niet slechts [B] , maar ook andere werknemers van ABVO, zoals haar voormalige teamleiders [G] en [H] , het gedrag en de houding van [verweerster] als problematisch ervaren hebben. Bovendien staat dan wel vast dat [B] zich niet rechtstreeks bemoeit met de verrichting van de werkzaamheden door [verweerster] , maar vaststaat tevens dat hij zich als adjunct-directeur onder meer bezig houdt met personele aangelegenheden. Beiden zullen, hoewel niet dagelijks, hoe dan ook met elkaar te maken blijven hebben. De arbeidsovereenkomst zal dan ook wegens veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst beëindigd dient te worden, en welke omstandigheden gelegen zijn in een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie, ontbonden worden.

4.3.

De vraag is vervolgens of het billijk is om aan [verweerster] een vergoeding toe te kennen. Bij de beantwoording van deze vraag zal met alle omstandigheden van het geval rekening gehouden worden. Met name zal beoordeeld moeten worden wie van partijen debet is aan de verstoring van de arbeidsrelatie en in welke mate.

4.4.

De kantonrechter stelt voorop dat het zonder meer begrijpelijk is, gelet op de tendentieuze inhoud, het woordgebruik en de negatieve toonzetting van de e-mailberichten van 1 en 2 juni 2015, alsmede het diffamerende karakter ervan, dat ABVO in haar wiek geschoten is door die e-mailberichten. Hoe waar de in die e-mailberichten jegens werknemers van ABVO, in het bijzonder jegens [B] , gemaakte verwijten in de visie van [verweerster] ook mogen zijn, naar het oordeel van de kantonrechter geeft het voor een werknemer in een functie op een niveau zoals die van [verweerster] geen pas haar onvrede te uiten, op een wijze zoals zij daarin heeft gedaan. Dat hierdoor de verhoudingen tussen partijen op scherp zijn komen te staan, is begrijpelijk.

Dit geldt te meer nu de in die e-mailberichten gemaakte verwijten aan het adres van [B] , voor wat betreft het beweerde stalken, stelselmatige pesten, frauduleuze handelen, het plegen van valsheid in geschrifte en het opzetten van collega’s tegen haar, in het licht van hetgeen ABVO daartegen in heeft gebracht, onvoldoende onderbouwd zijn. Zo zijn voor de juistheid van de insinuatie van [verweerster] dat [B] er de hand in gehad heeft dat zij niet in aanmerking kwam voor een functie op LC niveau onvoldoende aanwijzingen in het dossier te vinden. Haar stelling dat de inschaling op LC niveau al in 2010 aan haar door [G] was toegezegd, is betwist en blijk uit niets. Eveneens geldt dit voor haar door ABVO gemotiveerd betwiste stelling dat, toen zij in 2013 opnieuw solliciteerde naar een LC formatieplaats, die plaats werd vergeven aan een ondermaats presterende collega, van wie zij bovendien vernomen zou hebben dat er geen andere sollicitanten zouden zijn. Ook uit de motivering die [I] in haar afwijzingsbrief van 19 januari 2015 heeft gegeven om de sollicitatie van [verweerster] naar een functie op LC niveau af te wijzen, te weten dat zij [verweerster] vanwege haar veelvuldige afwezigheid wegens ziekte niet goed kan beoordelen en dat dit ook geldt voor haar vorige teamleiders, kan onvoldoende worden opgemaakt dat [B] de hand heeft gehad in die afwijzing; te meer nu ABVO bij gelegenheid van de mondelinge behandeling onbetwist heeft aangevoerd dat [verweerster] gedurende haar gehele dienstverband bij ABVO veelvuldig ziek is geweest en dat de sollicitanten naar een functie op LC-niveau veel breder beoordeeld worden dan slechts op hun functioneren in de klas, maar dat er ook bijvoorbeeld gekeken wordt naar de neventaken van de sollicitant, zoals een mentorschap, en dat [verweerster] voor wat betreft die taken zich te weinig inspanningen heeft getroost in verhouding tot de andere sollicitanten. Ook de beschuldiging van [verweerster] aan het adres van [B] dat zij in juli 2014 door zijn toedoen tegen haar zin in is overgeplaatst van het team van [H] naar het team van [I] kan haar niet baten. Weliswaar staat vast dat het de uiteindelijke beslissing van [B] is geweest om haar over te plaatsen, maar gelet op de daarvoor bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door [B] gegeven toelichting op die overplaatsing, te weten dat [H] een jonge, beginnende en nog tamelijk onervaren teamleider was, die aangaf buitenproportioneel veel tijd en energie kwijt te zijn aan [verweerster] en die daardoor ten onder dreigde te gaan, kan niet worden gezegd, althans is daarvan (volstrekt) onvoldoende gebleken, dat die beslissing zonder grond was en dat [B] daarmee slechts de bedoeling heeft gehad om [verweerster] te pesten.

Hooguit valt ABVO, althans [B] , naar het oordeel van de kantonrechter te verwijten dat hij in het gesprek van 15 oktober 2013 het door [verweerster] opgestelde functioneringsverslag heeft verscheurd en dat hij haar toen het A-4tje met het daarop staande commentaar van [G] heeft voorgelezen en dat hij dit vervolgens in haar personeelsdossier heeft gevoegd, zonder haar echter in de gelegenheid te stellen op dit commentaar te reageren. Die handelwijze verdient naar het oordeel van de kantonrechter geen schoonheidsprijs, óók al had [G] naar [B] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft aangevoerd dat commentaar al aan de orde willen stellen in het functioneringsgesprek van 13 mei 2013 en 10 juni 2013, maar had zij daar toen onvoldoende gelegenheid toe gekregen, omdat [G] volgens [B] niet tegen [verweerster] opgewassen was. Voorts kan het commentaar van [G] volgens ABVO dan wel leidend zijn, zodat het A-4tje volgens haar in het personeelsdossier van [verweerster] mag worden gevoegd, dat neemt weg dat van [B] verwacht had mogen worden dat hij [verweerster] in de gelegenheid zou hebben gesteld haar reactie daarop te geven, hetgeen hij heeft nagelaten. Liet de opstelling van [B] in het gesprek op 15 oktober 2013 dan ook te wensen over en zijn de door [verweerster] aan zijn adres gemaakte verwijten in haar e-mailberichten van 1 juni 2015 en 2 juni 2015 aan [A] in zoverre dan ook niet van elke grond ontbloot, helemaal onbegrijpelijk is die opstelling [B] ook weer niet in het licht van de tamelijk eigengereide en ontremde en door [G] als agressief en intimiderend ervaren handelwijze van [verweerster] rond het met [G] op 13 mei 2013 en 10 juni 2013 gevoerde functioneringsgesprek en haar in dit verband ondernomen actie op 14 juni 2013, zoals van een en ander blijkt uit de overgelegde brieven van [G] van 13 mei 2013 en 17 juni 2013.

Die laatst gemelde brieven en de inhoud van de door ABVO aan [verweerster] verstuurde brieven ter bevestiging van de met haar op 16 april 2013, 21 mei 2013 en 3 september 2013 gevoerde gesprekken over (onder meer haar houding en gedrag) bevatten naar het oordeel van de kantonrechter verder voldoende aanknopingspunten voor de juistheid van de door ABVO aan [verweerster] gemaakte verwijten dat het haar ontbreekt aan voldoende zelfreflectie, dat zij niet om kan gaan met kritiek en dat zij haar ongenoegen daaromtrent uit op een dermate onprofessionele en onheuse wijze dat dit een goede werkverhouding met haar direct leidinggevenden alsmede de directie in de weg staat. Ook de inhoud van de e-mailberichten van 1 en 2 juni 2015 bevestigen naar het oordeel van de kantonrechter die verwijten. Dat ABVO naar aanleiding van die e-mailberichten is overgegaan tot de schorsing van [verweerster] is dan ook niet onbegrijpelijk, zij het dat die e-mailberichten naar het oordeel van de kantonrechter geen dringende reden opleveren, zoals door ABVO is bepleit.

Gelet op hetgeen partijen nog meer hebben aangevoerd, en gezien de door hen overgelegde stukken, wordt geconcludeerd dat, hoewel de opstelling van [B] in het gesprek van 15 oktober 2013 de verhoudingen geen goed heeft gedaan, het uiteindelijk met name het van weinig professionaliteit getuigende gedrag van [verweerster] is geweest, die tot een zodanige verstoring van de arbeidsrelatie heeft geleid, dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden. Haar valt terzake een groter verwijt te maken dan ABVO.

Er verder rekening meehoudende dat [verweerster] op grond van de toepasselijke cao op haar werkloosheidsuitkering een aanvullende uitkering (van eerst -over de eerste twee maanden- € 40,00 per maand en daarna over 36 maanden van € 218,00 per maand) en na de duur van de werkloosheidsuitkering tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd nog een aansluitende uitkering (van 70% van haar salaris) zal ontvangen en dat 25% van die wettelijke, aanvullende en aansluitende uitkeringen voor rekening van ABVO komt (zijnde naar ABVO onweersproken heeft gesteld een bedrag van € 42.500), wordt toekenning aan [verweerster] van een conform de kantonrechtersformule te berekenen vergoeding waarbij de correctiefactor op 0,25 wordt gesteld, billijk geacht. Dit komt neer op een bedrag van (afgerond) € 15.840,00 bruto. Voor wat betreft het aantal opgebouwde dienstjaren wordt, anders dan door [verweerster] is bepleit, geen rekening gehouden met de vijf jaren die [verweerster] voor haar indiensttreding bij de Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs Almere werkzaam is geweest. Daartoe is redengevend dat niet is weersproken (en dus vaststaat) dat op het tijdstip dat [verweerster] bij ABVO in dienst trad, er geen enkele juridische band tussen ABVO en de Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs Almere bestond, dat de Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs Almere pas na die indiensttreding is opgegaan in de Almeerse Scholengroep (ASG) Stichting voor openbaar en primair en voortgezet onderwijs, dat ABVO ook pas na die indiensttreding onderdeel is geworden van ASG, dat de Almeerse Scholengroep (ASG) Stichting voor openbaar en primair en voortgezet onderwijs en ABVO enkel een gemeenschappelijk bestuur hebben en dat beide stichtingen verder van elkaar te onderscheiden rechtspersonen zijn gebleven met elk hun eigen werknemers.

Tenslotte zal geen rekening gehouden worden met de fictieve opzegtermijn. Het is bedoeling van de wetgever geweest deze voor rekening van de werknemer te laten komen.

4.5.

Nu aan [verweerster] een vergoeding wordt toegekend en ABVO een dergelijke vergoeding niet heeft aangeboden, zal ABVO in de gelegenheid worden gesteld haar ontbindingverzoek in te trekken.

4.6.

De proceskosten worden gecompenseerd in de na te melden zijn, behoudens in het geval ABVO haar ontbindingsverzoek intrekt. In dat geval zal zij met de proceskosten van [verweerster] worden belast.

5 De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 20 oktober 2015 onder toekenning aan [verweerster] ten laste van ABVO van een vergoeding van € 15.840,00 bruto;

- stelt ABVO in de gelegenheid haar verzoek uiterlijk op 19 oktober 2015 in te trekken

door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de afdeling civiel recht, o.v.v. kantonzaken, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval ABVO haar verzoek niet intrekt:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen en bepaalt dat deze eindigt op 20 oktober 2015 onder toekenning aan [verweerster] ten laste van ABVO van een vergoeding van € 15.840,00 bruto en veroordeelt ABVO tot betaling van dat bedrag aan [verweerster] tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de proceskosten aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt;

- wijst af wat meer of anders is verzocht;

voor het geval ABVO haar verzoek intrekt:

- veroordeelt ABVO in de kosten van het geding, aan de zijde van [verweerster] begroot op € 400,00 voor salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C.M. Manders en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2015.