Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7579

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
C/16/401957 / KG ZA 15/755 LH/1040
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding over de werkonderbreking in het openbaar vervoer in Utrecht op 15 oktober 2015. De actie richt zich tegen het loonruimteakkoord dat overheidswerkgevers op 10 juli 2015 met enkele vakcentrales, maar zonder FNV, hebben gesloten en keert zich tegen QBuzz. Rechtsgeschil en belangengeschil. Collectieve actie met een politiek element. De actie wordt gedekt door artikel 6, aanhef en onder 4 ESH. Geen reden voor een beperking op grond van artikel G van het ESH.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1965
JAR 2015/291
AR-Updates.nl 2015-1021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

Handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/401957 / KG ZA 15/755 LH/1040

Kort geding vonnis van 14 oktober 2015

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QBuzz Groningen Utrecht B.V.,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QBuzz B.V.,

beide statutair gevestigd te Utrecht,

verder samen ook te noemen QBuzz,

eisende partij,

advocaten: mr. K. van Kranenburg-Hanspians en mr. S.E.M. Dekker,

tegen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Federatie Nederlandse Vakbeweging,

statutair gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen FNV,

verwerende partij,

advocaat: mr. R. van der Stege.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de concept dagvaarding en de daarbij behorende producties 1 tot en met 15;

  • -

    de door FNV toegezonden producties 1 tot en met 3;

  • -

    de door QBuzz nagezonden producties 16 en 17;

  • -

    de pleitaantekeningen van de advocaten van partijen;

  • -

    de door FNV ter zitting van 14 oktober 2015 overgelegde lijst met afspraken van partijen;

  • -

    de aantekeningen van het verhandelde ter zitting van 14 oktober 2015, alwaar FNV vrijwillig is verschenen.

1.2.

Na sluiting van de mondelinge behandeling is op 14 oktober 2015 omstreeks 16.30 uur mondeling vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de schriftelijke uitwerking en is op 19 oktober 2015 vastgesteld en aan partijen verzonden.

2 De feiten

2.1.

QBuzz houdt ondernemingen in stand die zich richten op het openbaar personenvervoer in de stad en de regio Utrecht. Zij is gebonden aan de CAO Openbaar Vervoer, laatstelijk aangegaan voor de periode tot en met 31 december 2015. Onderdeel van die CAO is een pensioenovereenkomst. Een deel van het personeel van QBuzz is, vanwege een eerder dienstverband met de rechtsvoorganger van QBuzz, ABP-deelnemer. Op hen is het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP van toepassing.

2.2.

FNV is een federatie van vakverenigingen die zich onder meer ten doel stelt de belangen van overheidspersoneel en van werknemers in de branche van het openbaar personenvervoer te behartigen. Samen met andere vakcentrales voor overheidspersoneel (daaronder CNV Overheid & Publieke Diensten, Ambtenarencentrum en CMHF) pleegt FNV, als Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP FNV), met de overheidswerkgevers (daaronder de betrokken ministers), verenigd in het Verbond Sectorwerkgevers Overheid (VSO), collectieve onderhandelingen te voeren over de arbeidsvoorwaarden van overheidspersoneel. Deze onderhandelingen vinden plaats in de Raad voor het Overheidspersoneel (ROP), het centrale overlegplatform van de gezamenlijke sectorwerkgevers en sectorwerknemers bij de overheid. Tevens is FNV als belangenbehartiger van haar leden in het openbare stads- en streekvervoer - toen nog als FNV Bondgenoten - als partij aan werknemerszijde toegetreden tot de CAO Openbaar Vervoer 2014/2015.

2.3.

Als gevolg van beperkte budgettaire ruimte voor arbeidsvoorwaarden van overheidspersoneel, dat enkele jaren op een nominale ‘nullijn’ heeft gestaan, is geruime tijd sprake geweest van een impasse in de collectieve onderhandelingen tussen de overheidswerkgevers en de genoemde vakcentrales van overheidspersoneel. Teneinde te proberen deze impasse te doorbreken, is in de loop van 2015 gesproken over de wijze waarop de financiële arbeidsvoorwaarden konden worden verbeterd. ACOP FNV is bij deze, aanvankelijk als verkennend getypeerde, besprekingen aanwezig geweest. Op 9 juli 2015 heeft ACOP FNV dit overleg, dat inmiddels had geleid tot tekstvoorstellen voor (de preambule bij) een onderhandelaarsovereenkomst, verlaten.

2.4.

Op 10 juli 2015 hebben CNV Overheid & Publieke Diensten, Ambtenarencentrum en CMHF met de overheidswerkgevers een onderhandelaarsakkoord bereikt, de zogenoemde ‘Loonruimte-overeenkomst publieke sector 2015-2016.’ In deze ‘bovensectorale’ overeenkomst is, zo vermeldt de preambule, ‘een integrale afweging van pensioen en primair loon’ gemaakt. De drie genoemde - kleinere - vakcentrales hebben, tegenover een loonsverhoging in 2015 en 2016, ingestemd met wijzigingen in de pensioensfeer. In de ABP-pensioenregeling wordt - kort gezegd - overgestapt van een loon- naar prijsindexatie, hetgeen leidt tot een verlaging van de pensioenpremie, die (mede) wordt aangewend voor verhoging van het loon. De partijen bij de loonruimteovereenkomst zijn voorts overeengekomen dat de afgesproken pensioenmaatregelen in de Pensioenkamer van de ROP, waar het collectieve overleg over aard en inhoud van de pensioenvoorziening voor het overheidspersoneel plaatsvindt, één-op-één zullen worden bekrachtigd (hetgeen nadien, op 3 september 2015, is gebeurd). Wat de pensioenwijzigingen uiteindelijk voor (de hoogte van) het pensioen van het overheidspersoneel zullen betekenen, is afhankelijk van toekomstige, onzekere factoren.

2.5.

FNV heeft zich gekeerd tegen de in de loonruimteovereenkomst opgenomen wijzigingen in de pensioensfeer. Bij brief van 21 augustus 2015 heeft zij er bij het kabinet op aangedrongen om de afspraken met de andere vakcentrales niet uit te voeren en om het ABP-pensioen van het overheidspersoneel niet te verslechteren. FNV kondigde collectieve acties aan voor het geval aan haar eisen niet zou worden voldaan. In zijn reactie bij brief van 28 augustus 2015 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties meegedeeld zich niet te zullen onttrekken aan de met de andere vakcentrales gemaakte afspraken.

2.6.

Bij vonnis van 1 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter te Den Haag, in een kort geding van ACOP FNV tegen de partijen bij de loonruimteovereenkomst van 10 juli 2015, voorshands geoordeeld dat - anders dan ACOP FNV betoogde - aan het sluiten van dat onderhandelaarsakkoord een open en reëel overleg tussen overheidswerkgevers en de overheidsvakcentrales vooraf is gegaan, aan welk overleg ook ACOP FNV heeft deelgenomen, en wel tot en met 9 juli 2015, toen het overleg kennelijk in een zo vergevorderd stadium verkeerde dat het bereiken van overeenstemming tot de mogelijkheden behoorde. Omdat het grondrecht van ACOP FNV op collectief onderhandelen aldus in voldoende mate is gewaarborgd, is de loonruimteovereenkomst naar het voorlopig oordeel van de Haagse voorzieningenrechter niet nietig of jegens haar onrechtmatig, zoals ACOP FNV had aangevoerd ter onderbouwing van haar vordering (onder meer) tot intrekking van het door de Pensioenkamer op 3 september 2015 genomen besluit tot bekrachtiging van de afspraken uit de loonruimteovereenkomst. Van dit vonnis is ACOP FNV in hoger beroep gekomen. De mondelinge behandeling van dat appel vindt plaats op 15 oktober 2015.

2.7.

Op 8 oktober 2015 heeft FNV, bij monde van haar bestuurder (de heer [A] ), aan de heer [B] (concessiedirecteur van QBuzz) laten weten dat er mogelijk op donderdag 15 oktober 2015 tijdens de ochtendspits een werkonderbreking zou worden gehouden bij het stadsvervoer in Utrecht. Bij brief van 9 oktober 2015 heeft de advocate van QBuzz zich op het standpunt gesteld dat een dergelijke werkonderbreking onrechtmatig is. Bij brief van maandag 12 oktober 2015 heeft FNV aan QBuzz aangezegd dat op donderdag 15 oktober 2015 vanaf aanvang van de dienstregeling (om 05.00 uur) tot 08.30 uur een werkonderbreking (ook van het kantoorpersoneel) zal plaatsvinden binnen de stadsgrenzen van Utrecht. Zij heeft hiervan ook publiekelijk mededeling gedaan.

2.8.

QBuzz heeft zich daar niet bij neer willen leggen en heeft daartegen dit kort geding aanhangig gemaakt. In afwachting van de mondelinge behandeling hebben partijen een aantal praktische afspraken gemaakt voor het geval de actie doorgang zal vinden. QBuzz heeft ervoor gekozen om, hoewel de aangezegde werkonderbreking alleen het stadsvervoer betreft, ook geen streekbussen te laten rijden, indien de FNV-actie doorgaat.

3 De vordering en de standpunten van partijen

3.1.

QBuzz vordert in dit kort geding - samengevat - dat aan FNV, bij wege van voorlopige voorziening en bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt bevolen om de oproep tot het voeren van collectieve acties door werknemers van QBuzz tijdens de ochtendspits van 15 oktober 2015 in te trekken en haar medewerking aan die werkonderbreking te beëindigen, alsmede om binnen een uur na het wijzen van het kort geding vonnis aan de betrokken werknemers bekend te maken dat de aangekondigde werkonderbreking onrechtmatig is en dat het haar leden niet is toegestaan op enigerlei wijze bij QBuzz actie te voeren, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van FNV in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

QBuzz legt aan haar vordering ten grondslag dat FNV onrechtmatig handelt door haar leden, werkzaam bij QBuzz, op te roepen om op donderdag 15 oktober 2015 van 05.00 uur tot 08.30 uur het werk neer te leggen. De aangekondigde collectieve actie valt niet onder de bescherming van artikel 6, aanhef en onder 4 Europees Sociaal Handvest (ESH), omdat geen sprake is van een belangengeschil. FNV heeft uitsluitend een rechtsgeschil met de overheidswerkgevers, zoals blijkt uit het (appel tegen het kort) geding dat thans aanhangig is bij het gerechtshof te Den Haag. De aangekondigde actie bij QBuzz moet worden aangemerkt als een zuiver politieke actie die niet door artikel 6 ESH wordt gedekt. Van de bescherming van artikel 6 ESH kan FNV jegens QBuzz niet profiteren, omdat er geen sprake meer is van collectieve onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel voor 2015 en 2016, nadat de overheidswerkgevers daarover op 10 juli 2015 met een meerderheid van de vakcentrales aan de onderhandelingstafel overeenstemming hebben bereikt. Hiermee staat, zo meent QBuzz, vast dat de werkonderbreking die FNV op 15 oktober 2015 in haar onderneming wil houden niet (meer) kan bijdragen tot een doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Daarvoor is FNV, die er op 9 juli 2015 bewust voor heeft gekozen om uit het overleg te stappen, te laat. De onderhandelingen over een volgende CAO Openbaar Vervoer, die eind 2015 afloopt, zijn nog niet begonnen. Dáárvoor is FNV dus te vroeg.

3.3.

Subsidiair, voor het geval zou worden geoordeeld dat de aangekondigde werkonderbreking wél wordt gedekt door artikel 6 ESH, stelt QBuzz zich op het standpunt dat de actie, nu deze zich keert tegen QBuzz maar is gericht tegen de overheid, ingevolge artikel G van het ESH moet worden verboden omdat FNV de actie niet zodanig tijdig en zorgvuldig heeft aangekondigd dat QBuzz de gevolgen ervan heeft kunnen beperken, alsook omdat FNV met de actie vooruitloopt op het door haar uitgeschreven referendum over de loonruimteovereenkomst onder haar leden, waarvan de uitslag voor haar bepalend zal zijn bij verdere actieplannen. Die uitslag is er nog niet. De aangekondigde werkonderbreking is voorts onrechtmatig, omdat beperking van het recht op collectieve actie in dit geval maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is en omdat de actie bij afweging van de daarbij betrokken belangen buitenproportioneel is. Hiertoe voert QBuzz aan dat de actie ongeveer 125.000 reizigers dupeert die in een donderdagochtendspits van het openbaar vervoer gebruik plegen te maken. Bedrijven, scholen, ziekenhuizen en zorginstelling zullen niet per openbaar vervoer bereikbaar zijn en er zal sprake zijn van verkeerschaos in en om Utrecht. Hierdoor komt de openbare orde en de veiligheid in gevaar. QBuzz staat buiten het geschil tussen FNV en de overheidswerkgevers en heeft te gelden als een derde, op wie de CAO Openbaar Vervoer van toepassing is en wier werknemers niet, zoals ambtenaren, op de ‘nullijn’ hebben gestaan. De werkonderbreking zal ertoe leiden dat in de ochtendspits 180 chauffeurs geen stadsbussen rijden. Nu QBuzz vanwege de samenhang tussen stads- en streekvervoer tijdens de actie ook geen streekbussen zal laten rijden, raakt de actie nog eens 160 chauffeurs. QBuzz zal door de actie in het stadsvervoer een omzet derven van ongeveer € 100.000,--, terwijl QBuzz door de actie ook geen vergoeding van de provincie Utrecht zal ontvangen. Die vergoeding bedraagt eveneens € 100.000,--.

3.4.

FNV voert verweer. Zij beroept zich op de bescherming die artikel 6, aanhef en onder 4 ESH biedt aan werknemers en vakbonden bij hun collectief optreden in het geval van een belangenschil met werkgevers. De werkonderbreking bij QBuzz valt onder die bescherming en is daarmee in beginsel rechtmatig. Het bepaalde in artikel G van het ESH biedt geen grondslag voor een beperking van het grondrecht van FNV op collectieve actie.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover dat voor de beoordeling van het geschil van belang is, nader ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

Beoordelingskader

4.1.

De voorzieningenrechter stelt, mede met het oog op de recente stakingsrechtspraak van de Hoge Raad, in het zogenoemde Enerco-arrest (van 31 oktober 2014, gepubliceerd in NJ 2015, 252) en laatstelijk in het Amsta-arrest (van 19 juni 2015; JAR 2015, 188), het volgende voorop.

4.2.

Het recht van werknemers, of de hen vertegenwoordigende vakbonden, en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, is neergelegd in artikel 6, aanhef en onder 4 ESH. De strekking van deze bepaling, die volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in Nederland rechtstreekse werking heeft, is het waarborgen van de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Deze strekking brengt, mede gezien het karakter van dit recht als sociaal grondrecht, mee dat een werknemersorganisatie in beginsel vrij is in de keuze van middelen om haar doel te bereiken.

4.3.

Of sprake is van een collectieve actie in de zin van genoemde ESH-bepaling wordt vooral bepaald door het antwoord op de vraag of de actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Het is aan de organisatoren van een collectieve actie om aannemelijk te maken dat dit het geval is. Indien zij daarin slagen, valt de collectieve actie onder het bereik van artikel 6, aanhef en onder 4, ESH. De uitoefening van het recht op collectief optreden kan dan slechts worden beperkt langs de weg van artikel G van het ESH, overeenkomstig hetgeen op dat punt is aanvaard in de rechtspraak van de Hoge Raad. Of een collectieve actie van werknemers tijdig tevoren aan de werkgever is aangezegd en of de collectieve actie voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (de zogenaamde ‘spelregel’-toetsing), vormt geen zelfstandige maatstaf om te beoordelen of een collectieve actie rechtmatig is. De naleving van die ‘spelregels’ is dus geen zelfstandige voorwaarde voor die rechtmatigheid.
Het ligt op de weg van de werkgever, of van een derde, die eist dat de uitoefening van het recht op collectieve actie in het concrete geval wordt beperkt of uitgesloten, om aannemelijk te maken dat deze beperking of uitsluiting naar de maatstaf van artikel G van het ESH gerechtvaardigd is. Dit is slechts het geval indien beperkingen aan het recht op collectieve actie maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zijn. Bij de beoordeling van die vraag dient de rechter alle omstandigheden mee te wegen. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de aard en duur van de actie, de verhouding tussen de actie en het daarmee nagestreefde doel, de daardoor veroorzaakte schade aan de belangen van de werkgever of derden, en de aard van die belangen en die schade. In dit verband kan ook (onder omstandigheden zelfs beslissende) betekenis toekomen aan het antwoord op de vraag of de hiervoor genoemde ‘spelregels’ zijn nageleefd.

Toespitsing op dit geschil

4.4.

In dit kort geding verschillen partijen van mening over de vraag of de door FNV voor de ochtendspits van donderdag 15 oktober 2015 bij QBuzz aangekondigde werkonderbreking onder de bescherming van artikel 6, aanhef en onder 4 ESH valt. Daarin is bepaald dat werknemers en werkgevers recht hebben op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Dit recht strekt er blijkens de aanhef van artikel 6 ESH toe de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen. Partijen twisten over de betekenis die in dit geding aan verschillende elementen van deze ESH-bepaling toekomt.

4.5.

Zo heeft QBuzz zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een belangengeschil, doch van een rechtsgeschil. FNV heeft dit weersproken. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent dat inderdaad tussen FNV en de overheidswerkgevers sprake is van een rechtsgeschil, dat inmiddels in hoger beroep aan het gerechtshof te Den Haag ter beslechting is voorgelegd. Dit brengt evenwel, anders dan QBuzz heeft betoogd, in dit geval niet mee dat aan de door FNV aangezegde werkonderbreking in haar onderneming geen belangengeschil ten grondslag ligt. In het kort geding dat FNV bij de voorzieningenrechter te Den Haag, en thans in appel bij het gerechtshof, aanhangig heeft gemaakt, gaat het om de vraag of de loonruimteovereenkomst aan (partiële) nietigheid lijdt, omdat daarin is opgenomen dat de daarbij gemaakte afspraken, voor zover zij betrekking hebben op de materie waarover in de Pensioenkamer wordt beslist, aldaar één-op-één zullen worden bekrachtigd, en in het verlengde daarvan of de besluitvorming die op 3 september 2015 in die kamer op basis van de loonruimteovereenkomst heeft plaatsgevonden daarom eveneens lijdt aan het gebrek dat niet is voldaan aan de verplichting tot het aldaar voeren van open en reëel overleg, en of dit gebrek met zich brengt dat aan deze besluitvorming geen uitvoering mag worden gegeven en het besluitvormingsproces ter zake opnieuw dient te worden doorlopen (vgl. r.o. 4.1. van de voorzieningenrechter te Den Haag in het kort geding vonnis van 1 oktober 2015, gepubliceerd onder ECLI:NL:RBDHA:2015:11274). Het bestaan van dat rechtsgeschil laat onverlet dat FNV, wat ook het uiteindelijke resultaat van die procedure moge zijn, als federatie van vakverenigingen mag opkomen voor de belangen van haar leden onder het overheidspersoneel. Ook indien ACOP FNV in genoemde procedure in het ongelijk zou worden gesteld, en de rechtsgeldigheid van de loonruimteovereenkomst van 10 juli 2015 en de onaantastbaarheid van het besluit van de Pensioenkamer van 3 september 2015 dus vast komt te staan, heeft FNV er een gerechtvaardigd belang bij om door middel van collectieve acties op de overheidswerkgevers druk uit te oefenen, teneinde hen te proberen te bewegen met FNV te onderhandelen over een verbetering van de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel. Daaraan doet niet af dat andere vakcentrales van overheidspersoneel de aangeboden loonsverhoging tegenover de wijzigingen in de pensioensfeer wél hebben aanvaard.

4.6.

Dit wordt niet anders doordat er sinds 10 juli 2015 geen collectieve onderhandelingen over de voor de verbetering van de ambtenarensalarissen beschikbare loonruimte meer plaatsvinden. Door middel van (onder meer) de werkonderbreking bij QBuzz wil FNV juist bereiken dat de overheidswerkgevers de collectieve onderhandelingen daarover met haar hervatten. Het moet aan het oordeel van een vakbond zelf worden overgelaten op welke wijze zij de belangen van haar leden het beste meent te kunnen dienen. Zoals de Hoge Raad in het genoemde Enerco-arrest heeft overwogen, is een werknemersorganisatie in beginsel vrij in de keuze van de middelen om haar doel te bereiken. FNV heeft klaarblijkelijk op 9 juli 2015 gemeend dat daarvoor binnen het overleg zoals zich dat aan de onderhandelingstafel ontwikkelde, mede gezien de opstelling van de andere vakcentrales, onvoldoende mogelijkheden bestonden. Ook al heeft de Haagse voorzieningenrechter uit het verloop van die besprekingen opgemaakt dat de loonruimteovereenkomst met die andere vakcentrales het resultaat is geweest van open en reëel overleg, door uit dat overleg te stappen heeft FNV haar recht op collectief onderhandeling geenszins verbruikt of prijsgegeven.

4.7.

In het licht van het voorgaande kan QBuzz evenmin worden gevolgd in het door haar verdedigde standpunt dat de aangekondigde werkonderbreking in haar onderneming dient te worden aangemerkt als een zuiver politieke actie die de bescherming van artikel 6 ESH ontbeert. Die werkonderbreking keert zich tegen QBuzz, maar richt zich tegen de overheidswerkgevers, nu het doel ervan is om die werkgevers te bewegen de onderhandelingen met FNV over de arbeidsvoorwaarden voor overheidspersoneel te hervatten. Daarmee is het politieke element van de actie gegeven, maar dat is niet beslissend voor de vraag naar de ESH-bescherming. Zoals de Hoge Raad in het NS-arrest (van 30 mei 1986 NJ 1986, 688) heeft uitgemaakt, moet worden onderscheiden tussen collectieve acties met een politiek element die nog wel, en collectieve acties met een politiek element die niet meer door artikel 6 ESH worden gedekt. De door FNV bij QBuzz geplande werkonderbreking behoort tot de eerstbedoelde soort, nu deze zich richt tegen overheidsbeleid op het gebied van arbeidsvoorwaarden (in dit geval lonen en pensioen) die het onderwerp plegen of behoren te zijn van collectief onderhandelen. De enkele totstandkoming van de loonruimteovereenkomst van 10 juli 2015 maakt niet dat dit hierin verandering is gekomen.

4.8.

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot bevestigende beantwoording van de vraag of de door FNV aangekondigde werkonderbreking bij QBuzz redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. In zijn recente stakingsarresten heeft de Hoge Raad uit de strekking van het recht op collectieve actie, zoals deze blijkt uit de aanhef van artikel 6 ESH, opgemaakt dat het antwoord op de vraag of (nog) sprake is van een collectieve actie in de zin van die verdragsbepaling, vooral aan de hand van dit criterium dient te worden bepaald. Aldus bestaat geen reden om het recht op collectief optreden beperkt uit te leggen. Aan bedoeld criterium is reeds voldaan, indien de collectieve actie degene tegen wie deze zich keert kan prikkelen om druk uit te oefenen op degene tegen wie de actie zich richt. Dat is hier het geval. Niet uit te sluiten is dat voortgaande arbeidsonrust in Nederland de overheidswerkgevers kan bewegen opnieuw met FNV om de tafel te gaan zitten. Een inschatting van die kans is niet aan de stakingsrechter. Hem past in dit geval geen oordeel over de vraag of de loonruimteovereenkomst, zoals FNV meent, ‘een sigaar uit eigen doos’ is en hoe de effecten ervan op (de hoogte van) het ABP-pensioen moeten worden ingeschat.

4.9.

De litigieuze werkonderbreking bij QBuzz wordt, zo volgt uit het voorgaande, gedekt door artikel 6, aanhef en onder 4 ESH en moet daarom in beginsel door QBuzz worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht, ondanks de met haar beoogde en op de koop toe te nemen schadelijke gevolgen voor QBuzz als bestaakte werkgever en voor anderen, onder wie de reizigers. Het recht op collectieve actie kan dan slechts worden beperkt langs de weg van artikel G van het ESH. Het ligt op de weg van QBuzz om aannemelijk te maken dat beperkingen aan het recht op collectieve actie in dit geval maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zijn. Naar aanleiding van hetgeen QBuzz hierover heeft aangevoerd, wordt het volgende overwogen.

4.10.

Anders dan QBuzz heeft betoogd, heeft FNV de werkonderbreking van 15 oktober 2015 door middel van de brief van 12 oktober 2015 voldoende tijdig en zorgvuldig aangezegd, zeker nu daaraan op 8 oktober 2015 de mondelinge mededeling van FNV-bestuurder Vermeulen vooraf is gegaan dat QBuzz rekening diende te houden met de mogelijkheid van een dergelijke actie. QBuzz moet redelijkerwijs geacht worden daardoor voldoende gelegenheid te hebben gehad om de gevolgen van de actie zoveel mogelijk te beperken. In dit verband wordt mede in aanmerking genomen dat partijen met elkaar praktische afspraken hebben weten te maken die een zo ordelijk mogelijk verloop van de actie kunnen verzekeren. QBuzz heeft niet aannemelijk gemaakt dat FNV de werkonderbreking op 8 oktober 2015 afhankelijk heeft gesteld van de opstelling van het bestuur van het ABP. Dat de actie wordt gehouden terwijl de uitslag van het door FNV onder haar leden uitgeschreven referendum nog niet bekend is, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het is aan FNV om daarin haar eigen beleid te bepalen en het staat haar vrij om in afwachting van die uitslag actie te voeren, zoals het ook aan haar is om die uitslag te waarderen. Van strijdigheid met het subsidiariteitsbeginsel is dan ook geen sprake.

4.11.

QBuzz heeft aangevoerd dat de werkonderbreking in de ochtendspits van 15 oktober 2015 tot een ‘verkeersinfarct’ in en rond Utrecht zal leiden en dat daardoor de openbare orde en de veiligheid in gevaar komt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft QBuzz niet aannemelijk gemaakt dat de aangekondigde werkonderbreking, behalve financiële schade voor QBuzz, meer dan alleen hinder voor de reizigers en andere weggebruikers tot gevolg zal hebben. Deze hinder is inherent aan een kortdurende actie in het openbaar vervoer en moet worden geduld. Dat de openbare orde of de veiligheid in gevaar komt, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verondersteld mag worden dat met name politie, brandweer en ambulancepersoneel onbelemmerd hun werk kunnen blijven doen.

4.12.

Daarmee resteert in dit kort geding de vraag of de door QBuzz te lijden schade een beperking of een verbod van de actie dringend noodzakelijk maakt. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Waarin de gestelde reputatieschade bestaat, heeft QBuzz niet gesteld. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, kan voorshands niet worden geconcludeerd dat de door QBuzz te lijden omzetderving zodanig is dat het beginsel van proportionaliteit wordt geschonden. De actie wordt er weliswaar door gekenmerkt dat deze zich keert tegen QBuzz maar zich richt tegen de overheidswerkgevers, reden waarom tussen partijen niet in geschil is dat QBuzz moet worden aangemerkt als een derde die buiten het belangengeschil staat dat aan de actie ten grondslag ligt, doch de werkonderbreking is van zodanig korte duur (van 05.00 tot 08.30 uur op 15 oktober 2015) dat de daarvan te verwachten financiële schade betrekkelijk beperkt is. Ook indien voorshands zou kunnen worden uitgegaan van de door QBuzz gestelde schadeomvang is die schade niet zodanig aanzienlijk dat een beperking van het recht van FNV op collectieve actie dringend noodzakelijk is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de actie alleen in het stadsvervoer zal plaatsvinden en dat het de beslissing van QBuzz zelf is om ook de streekbussen niet te laten rijden, terwijl niet aannemelijk is gemaakt dat er geen acceptabele mogelijkheid zou zijn om het streekvervoer wél doorgang te laten vinden, bijvoorbeeld door

- zoals ter zitting geopperd - de streekbussen tussen de stadsgrens en de eindbestemming en (vice versa) tussen beginpunt en de stadsgrens geen haltes te laten aandoen.

4.13.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van QBuzz wordt afgewezen. QBuzz wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze worden tot dit vonnis aan de zijde van FNV begroot op € 1.429,--, waarvan € 613,-- aan griffierecht en € 816,-- voor salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering van QBuzz af;

5.2.

veroordeelt QBuzz in de proceskosten, aan de zijde van FNV tot op heden begroot op € 1.429,--, waarvan € 613,-- aan griffierecht en € 816,-- voor salaris advocaat.

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2015.

1

1 type: LH/1040 coll: