Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7374

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
UTR 15/4677
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Verweerder heeft de exploitatievergunning en de bijbehorende gedoogverklaring voor een coffeeshop ingetrokken. Verweerder heeft aan verzoeker medegedeeld dat uit de intrekking van de exploitatievergunning voortvloeit dat het horecabedrijf gesloten moet blijven. Er is sprake van grote overschrijding van de toegestane handelsvoorraad. De rechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2662
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/4677

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

VOF [verzoeker] , te [vestigingsplaats] , verzoeker

(gemachtigden: mr. M. Veldman en mr. I.A. Kamans),

en

de burgemeester van Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ramdoelare Tewari).

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de exploitatievergunning en de bijbehorende gedoogverklaring voor [verzoeker] ( [verzoeker] ) per direct ingetrokken. Verweerder heeft aan verzoeker medegedeeld dat uit de intrekking van de exploitatievergunning voortvloeit dat het horecabedrijf gesloten moet blijven. Tevens heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat gedurende twaalf maanden een exploitatievergunning voor het horecabedrijf ter plaatse wordt geweigerd.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , exploitant en eigenaar van [verzoeker] . Hij is bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op 19 augustus 2015 heeft de politie tijdens een instap verricht bij [verzoeker] , gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] en de bovengelegen woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , een hoeveelheid softdrugs aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 19 augustus 2015 besloten [verzoeker] op grond van artikel 174 van de Gemeentewet met onmiddellijke ingang tot en met vrijdag 28 augustus 2015 te sluiten. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is kort voor de geplande zitting van 24 augustus 2015 ingetrokken omdat verweerder op 20 augustus 2015 het voornemen aan verzoeker bekend heeft gemaakt tot intrekking van de exploitatievergunning. Daarop is de besluitvorming gevolgd als weergegeven onder Procesverloop.

3. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat door de politie tijdens de voornoemde instap ruim veertien kilogram softdrugs is aangetroffen, hetgeen een ernstige overschrijding van de toegestane handelsvoorraad softdrugs is. De aangetroffen handelshoeveelheid softdrugs moet volgens verweerder worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, veiligheid en gezondheid. Als gevolg daarvan is besloten de exploitatievergunning van [verzoeker] in te trekken, de coffeeshop te sluiten en de gedoogsituatie te beëindigen. Verweerder heeft in dit verband opgemerkt dat hij heeft gedoogd dat softdrugs werden verkocht in [verzoeker] maar dat hij daar strikte voorwaarden aan heeft verbonden. Deze voorwaarden heeft de exploitant van de coffeeshop overtreden. Daarnaast heeft verweerder aan het besluit ten grondslag gelegd dat de exploitant door het overschrijden van de toegestane handelsvoorraad de exploitatievergunning op het spel heeft gezet en dat daarmee sprake is van slechts levensgedrag, hetgeen eveneens leidt tot intrekking van de exploitatievergunning. Verweerder betrekt daarbij dat de exploitant bewust en weloverwogen besloten heeft om de voorraad in de bovengelegen woning op te slaan en een intern doorgeefluik heeft gecreëerd ten behoeve van de bevoorrading van de coffeeshop. De intrekking van de exploitatievergunning heeft verweerder gebaseerd op artikel 10, eerste lid, sub b, e en f, van de Horecaverordening Utrecht 2015 (de Horecaverordening). De beslissing om gedurende twaalf maanden een exploitatievergunning te weigeren is gebaseerd op artikel 9, vierde lid, van de Horecaverordening.

4. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om schorsing van het primaire besluit gedurende de bezwaarprocedure. Samengevat is naar voren gebracht dat gelet op de ontwikkelingen in vergelijkbare situaties in het strafrecht, waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van medewerkers en exploitanten van coffeeshops dan wel waarin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast en aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, in het onderhavige geval geen sprake is van strijd met de openbare orde. Verzoeker wijst erop dat sprake is van straffeloze handelingen, hetgeen betekent dat de vergunning niet louter op basis van de overschrijding van de handelshoeveelheid kan worden ingetrokken. De consequenties die de strafrechter en het Openbaar Ministerie aan de zogenoemde ‘achterdeurproblematiek’ van coffeeshops verbinden, dienen volgens verzoeker van invloed te zijn op de besluitvorming in het bestuursrecht. Als de verkoop van gebruikershoeveelheden softdrugs door een coffeeshop door verweerder wordt gedoogd, zal deze coffeeshop ook bevoorraad dienen te worden, aldus verzoeker. In dit verband is verwezen naar uitspraken van diverse strafrechters. Dat verweerder - in tegenstelling tot de strafrechter - geen oog heeft voor deze problematiek betekent volgens verzoeker dat er voldoende reden is om het primaire besluit te schorsen. Daarbij had verweerder volgens verzoeker ook rekening moeten houden met het feit dat het gaat om een handelsvoorraad van slechts ongeveer drie dagen. Voorts wijst verzoeker op de omstandigheid dat [verzoeker] altijd op onberispelijke wijze is geëxploiteerd. Niet is gebleken van overlast door [verzoeker] in de omgeving. Integendeel, verzoeker heeft een verklaring van ruim 40 buurtbewoners overgelegd waaruit blijkt dat de buurt momenteel tijdens de sluiting van [verzoeker] veel last ondervindt van dealers en gebruikers. Volgens de buurt is duidelijk te merken dat de beveiliging is weggevallen. Ook heeft verzoeker verschillende verklaringen overgelegd van zijn werknemers, waaruit volgens hem blijkt dat het voor hen van groot belang is dat [verzoeker] weer open gaat en zij hun baan behouden.

5. In artikel 7, eerste lid, aanhef onder b, van de Horecaverordening wordt voor het verkrijgen van een exploitatievergunning de eis gesteld dat de leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn.

Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Horecaverordening kan voor horecabedrijven waarvan de exploitatievergunning op grond van artikel 10, eerste lid, onder e of f is ingetrokken worden bepaald dat een exploitatievergunning voor dat horecabedrijf gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar wordt geweigerd.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Horecaverordening trekt de burgemeester de exploitatievergunning in, indien niet langer wordt voldaan aan de in artikel 7 gestelde eisen.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Horecaverordening trekt de burgemeester de exploitatievergunning in, indien zich in het betrokken horecabedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder f, van de Horecaverordening trekt de burgemeester de exploitatievergunning in, indien de openbare orde, veiligheid of het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze wordt verstoord door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

6. Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht de ‘Handhavingsstrategie Horeca 2011’ (de Handhavingsstrategie) vastgesteld, die op 21 september 2011 in werking is getreden. Hierin is specifiek gedoog- en handhavingsbeleid opgenomen ten aanzien van coffeeshops, waarbij aansluiting is gezocht bij de zogenoemde AHOJ-G criteria, die door het landelijk Openbaar Ministerie zijn vastgesteld. Criterium G (geen grote hoeveelheden) van voormelde criteria houdt in dat de handelsvoorraad softdrugs niet meer dan 500 gram mag bedragen en dat verkoop in grotere hoeveelheden dan 5 gram niet is toegestaan. Op grond van de Handhavingsstrategie wordt bij ernstige overtreding de horecavergunning ingetrokken en de gedoogsituatie beëindigd. Bij recidive of ernstige overtredingen kan het pand gesloten worden op basis van artikel 13b van de Opiumwet.

7. Verweerder heeft in de Handhavingsstrategie zowel beleid neergelegd ten aanzien van de intrekking van horeca- en exploitatievergunningen als ten aanzien van de sluiting van horeca-ondernemingen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij het vaststellen van dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten is gegaan.

8. Ten aanzien van de aangetroffen hoeveelheid softdrugs overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Vast staat dat door de politie op 19 augustus 2015 in de coffeeshop en de daarboven gelegen woning softdrugs zijn aangetroffen waarvan de hoeveelheid de toegestane handelsvoorraad van 500 gram ruimschoots overschrijdt. Volgens verzoeker is sprake van een externe handelshoeveelheid van [verzoeker] , nu de softdrugs waren opgeslagen in de woning boven de coffeeshop. Door verzoeker wordt echter niet betwist dat (een deel van) de voorraad weliswaar extern was opgeslagen in de woning boven de coffeeshop, maar bedoeld was als handelsvoorraad ter bevoorrading van [verzoeker] . In dit verband verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1908), waarin eveneens is geoordeeld dat een in een ander pand gelegen hoeveelheid softdrugs diende te worden gerekend tot de handelsvoorraad van de coffeeshop, nu deze hoeveelheid bestemd was voor de bevoorrading van de coffeeshop. Ook in het onderhavige geval komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de in de bovengelegen woning aangetroffen hoeveelheid softdrugs dient te worden gerekend tot de handelsvoorraad van [verzoeker] . Dat een deel van de voorraad in de woning bedoeld was als voorraad voor de andere coffeeshop van de eigenaar van [verzoeker] in [vestigingsplaats] , welke coffeeshop volgens verzoeker gemiddeld 0,5 kilogram per dag verkoopt, leidt niet tot een andere conclusie.

9. Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder bij het primaire besluit ten onrechte is uitgegaan van een handelshoeveelheid softdrugs van veertien kilogram in plaats van tien kilogram, omdat rekening dient te worden gehouden met een hoeveelheid afval, gruis en tabak. Los van de omstandigheid dat, indien verzoeker gevolgd zou worden in zijn stelling dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs van veertien kilogram ten onrechte in zijn geheel is aangemerkt als handelshoeveelheid van [verzoeker] , er eveneens sprake is van een ruime overschrijding van de toegestane handelsvoorraad bij een handelshoeveelheid van tien kilogram softdrugs, merkt de voorzieningenrechter op dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetroffen gruis niet kan worden verhandeld. Voorts merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2015 waarin staat vermeld dat sprake is 1268 gram hash, 11847 gram hennep en 2260 joints, à 0,5 gram per joint. De voorzieningenrechter gaat dan ook uit van een handelshoeveelheid softdrugs van veertien kilogram.

10. Vervolgens dient de voorzieningenrechter de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op juiste gronden heeft besloten dat deze handelshoeveelheid softdrugs de vrees wettigt dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of het woon- en leefklimaat op ontoelaatbare wijze wordt verstoord door de aanwezigheid van het bedrijf. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en is voorlopig van oordeel dat verweerder de aangetroffen handelshoeveelheid softdrugs terecht heeft aangemerkt als gevaar voor de openbare orde, veiligheid en gezondheid. Verzoeker heeft er bewust voor gekozen om de toegestane handelshoeveelheid softdrugs ruimschoots te overschrijden en in de bovengelegen woning onder te brengen en daarmee de aan de exploitatievergunning verbonden voorwaarden niet in acht te nemen. Verzoeker heeft bovendien aangegeven dat bewust is gekozen voor deze locatie, omdat andere locaties een reëel risico op overvallen meebrachten. Het risico op een overval in de coffeeshop van verzoeker is door verweerder dan ook terecht betrokken bij de beoordeling of er sprake was van gevaar voor de openbare orde. Verweerder heeft verzoeker ook aan kunnen rekenen dat hij met het naar eigen zeggen opslaan van de handelshoeveelheid softdrugs van een andere coffeeshop de maximaal toegestane handelshoeveelheid in ruimere mate heeft overschreden. Dat de handelshoeveelheid volgens verzoeker gelet op de dagomzet bestemd is voor de handel voor slechts 2 à 3 dagen maakt niet dat geen sprake is van ernstige overtreding van de toegestane handelshoeveelheid.

11. Met het voorgaande is voldaan aan de intrekkingsgronden van artikel 10, eerste lid, onder e en f van de Horecaverordening. Gelet op de dwingendrechtelijk voorgeschreven intrekkingsgronden heeft verweerder in dit geval geen ruimte voor een belangenafweging. Met de bedrijfseconomische gevolgen alsmede de gevolgen voor de buurt zoals door buurtbewoners van [verzoeker] in de procedure naar voren zijn gebracht van het primaire besluit heeft verweerder dus geen rekening kunnen houden. Op basis van het voorgaande heeft verweerder dan ook over dienen te gaan tot intrekking van de exploitatievergunning. De intrekkingsgrond genoemd in artikel 10, eerste lid, onder b, van de Horecaverordening behoeft om die reden thans geen bespreking.

11. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid, met inachtneming van de betrokken belangen, heeft kunnen bepalen dat ingevolge artikel 9, derde lid, van de Horecaverordening en de Handhavingsstrategie de exploitatievergunning gedurende twaalf maanden wordt geweigerd. Daarbij heeft verweerder verzoeker mogen aanrekenen dat hij de voorwaarden waaronder de exploitatievergunning is verleend bewust heeft geschonden op het punt van de handelshoeveelheid. Verzoeker heeft de handelshoeveelheid in ernstige mate overtreden. Ook heeft verweerder relevant mogen achten dat verzoeker pas nadat de overtreding is vastgesteld met verweerder is gaan praten over een oplossing met betrekking tot de bevoorrading van de coffeeshop. Dat het besluit tot weigering van de exploitatievergunning grote gevolgen kan hebben voor de exploitant en de werknemers van verzoeker wordt door verweerder niet ontkend, maar verweerder heeft het algemeen belang van de openbare orde en veiligheid zwaarder laten wegen. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid tot deze conclusie heeft kunnen komen. Deze omstandigheden vormen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter thans geen aanleiding te komen tot een andere uitkomst. Ook het beroep van verzoeker op uitspraken van diverse strafrechters en de daarin gesignaleerde ontwikkeling dat aan bevoorraders van coffeeshops geen straf wordt opgelegd, alsmede de plaatsing van de zogenaamde ‘achterdeurproblematiek’ op de politieke agenda, kan thans niet leiden tot een andere conclusie. Verweerder heeft in dit verband mee kunnen wegen dat het toestaan van een grotere handelshoeveelheid softdrugs gevolgen heeft voor geheel Utrecht en niet alleen voor de bewoners van de omliggende straten van de coffeeshops. De voorzieningenrechter merkt op oog te hebben voor hetgeen door verzoeker ter zitting naar voren is gebracht ten aanzien van de ‘achterdeurproblematiek’ en de bevoorrading van de coffeeshop. Tegen de achtergrond van het geschetste algemeen belang ziet de voorzieningenrechter echter geen ruimte om te komen tot de conclusie dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot weigering van de exploitatievergunning.

12. De voorzieningenrechter is in dit verband van oordeel dat verweerder, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het algemeen belang dat is gediend met het voorkomen van schending van de openbare orde zwaarder heeft mogen laten wegen en met het nemen van de maatregel heeft mogen kiezen voor een periode van twaalf maanden waarin de buurt niet wordt geconfronteerd met de aanwezigheid van een grote handelshoeveelheid softdrugs en de daarmee gepaard gaande risico’s. Van een gebrekkig gemotiveerd besluit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake en de voorzieningenrechter acht de door verweerder genomen maatregel ook niet disproportioneel of getuigen van een onevenredige belangenafweging. Voorts kan de voorzieningenrechter verzoeker niet volgen in zijn stelling dat het onderhavige besluit willekeurig is, nu er in de situatie van [verzoeker] aanleiding bestond om de coffeeshop en de bovengelegen woning te doorzoeken, hetgeen ten aanzien van de andere coffeeshop in Utrecht, zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, niet het geval was.

13. Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat verweerder met het primaire besluit de in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde onschuldpresumptie heeft geschonden, waarbij wordt verwezen naar een uitspraak van de ABRvS van 11 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:331), merkt de voorzieningenrechter het volgende op. In de uitspraak heeft de ABRvS uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens afgeleid dat, wil de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het EVRM, van toepassing zijn, hetzij sprake moet zijn van een "criminal charge", bijvoorbeeld in een punitieve bestuursrechtelijke procedure, hetzij sprake moet zijn van een niet-punitieve bestuursrechtelijke procedure waaraan parallel een strafrechtelijke procedure loopt of heeft gelopen. In het onderhavige geval is geen sprake van een “criminal charge”, evenmin is gebleken dat parallel aan de onderhavige procedure een strafrechtelijke procedure loopt of heeft gelopen. De beroepsgrond slaagt niet.

14. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er thans onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat het primaire besluit in de bezwaarprocedure niet in stand zal blijven. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het toewijzen van de gevraagde schorsing van het primaire besluit. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoeker.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. de Gier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2015.

griffier voorzieningenrechter

(de griffier is verhinderd de

uitspraak mede te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.