Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7136

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-09-2015
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4462
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Omgevingsvergunning voor het aanleggen van de golfbaan De Kroonprins in Vianen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/4462

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Groene Hart, te Woerden,

Stichting Buiten Gezond in Vianen en omstreken, te Vianen,

hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers

(gemachtigde: mr. A.H. Jonkhoff),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen, verweerder

(gemachtigde: W. Bosse).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Vicus Bomba B.V. te Wilnis, vergunninghouder

(gemachtigde: mr. G.M. Kool).

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van de golfbaan De Kroonprins op de percelen gelegen aan de Autenasekade, de Merwedekade, de Ceelenweg, de Bolgarijsekade en de Kruisweg te Vianen.

Bij besluit van 20 februari 2014 heeft verweerder het bezwaar van Stichting Groene Hart ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 20 februari 2014 heeft verweerder het bezwaar van Stichting Buiten Gezond in Vianen en omstreken niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit gezamenlijk beroep ingesteld. Het beroep van Stichting Groene Hart is geregistreerd onder zaaknummer UTR 14/2254 en het beroep van Stichting Buiten Gezond in Vianen en omstreken is geregistreerd onder zaaknummer UTR 14/2255.

Bij brief van 26 augustus 2015 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2015. Voormelde zaken zijn door de rechtbank gevoegd behandeld met de zaak UTR 14/2567 over de omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van een tijdelijke transportroute ten behoeve van de aanleg van de golfbaan, waarbij de rechtbank in de zaak UTR 15/4462 als voorzieningenrechter heeft gefungeerd. Namens verzoekers zijn [A] , ir. [B] en drs. [C] verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. A.J. Jonkhoff. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Bosse. Derde-partij is verschenen in de persoon van [D] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover thans van belang, kan de voorzitter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van de golfbaan De Kroonprins op de percelen gelegen aan de Autenasekade, de Merwedekade, de Ceelenweg, de Bolgarijsekade en de Kruisweg te Vianen. Bij twee afzonderlijke besluiten van 20 februari 2014 heeft verweerder de bezwaren van de Stichting Groene Hart en Stichting Buiten Gezond in Vianen en omstreken ongegrond onderscheidenlijk niet-ontvankelijk verklaard.

4. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Als reden hiervoor hebben zij gegeven dat al geruime tijd grond naar het terrein wordt gebracht. Verzoekers vrezen dat meer grond dan de grenswaarde van 110.000 m³, zoals vermeld in de toelichting bij het bestemmingsplan “Golfbaan de Bolgerijsche, Vianen” en het daaraan ten grondslag liggende Milieueffectrapport, gestort zal gaan worden. Daarbij wijzen zij erop dat tot begin juli 2015 bij Omgevingsdienst Regio Utrecht meldingen zijn gedaan van ongeveer 275.000 m³ grond voor de golfbaan. Volgens verzoekers had de omgevingsvergunning nooit verleend mogen worden zonder nadere toetsing van de bodemgesteldheid en de effecten op de natuur en het landschap. Verzoekers stellen dat een spoedeisend belang bestaat, omdat de werkzaamheden onomkeerbare gevolgen kunnen hebben.

5. De voorzieningenrechter stelt allereest vast dat uit de aanvraag en de besluitvorming inzake de omgevingsvergunning niet kan worden afgeleid hoeveel grond naar het gebied wordt aangevoerd. De voorzieningenrechter verwijst verder naar hetgeen de rechtbank in dit kader in de tussenuitspraak van heden in de hoofdzaak van Stichting Groene Hart met nummer UTR 14/2554 heeft overwogen. Ter zitting is duidelijk geworden dat op het zuidwestelijk deel van het golfterrein - het deel dat aan de A27 grenst - een zichtwal wordt gerealiseerd. Vergunninghouder heeft ter zitting meegedeeld dat voor de zichtwal ongeveer 180.000 m³ grond nodig is en voor de rest van het terrein ongeveer 110.000 m³ grond. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat het verzoekers enkel gaat om de aanvoer van het meerdere dan 110.000 m³ grond voor het golfterrein, en de gevolgen daarvan voor de aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden en de bodem. Vergunninghouder heeft ter zitting verklaard dat de zichtwal bijna helemaal is gerealiseerd. Er dient alleen nog een deklaag van zand, dat al op het terrein ligt, te worden aangebracht en dan kan de zichtwal met gras ingezaaid worden. Voor het overige deel van het terrein zal volgens vergunninghouder nog ongeveer 55.000 m³ grond worden aangevoerd. Ter zitting is verder gebleken dat vergunninghouder voornemens is de golfbaan op 1 januari 2016 te openen.

6. De voorzieningenrechter ziet in dit stadium geen aanleiding om de werkzaamheden stil te leggen, nu voor de aanleg van de golfbaan, met uitzondering van de zichtwal, niet meer dan ongeveer 110.000 m³ grond nodig is en de zichtwal reeds nagenoeg is gerealiseerd. Op de zichtwal dient volgens vergunninghouder alleen nog een deklaag schoon zand aangebracht te worden. Bij het oordeel betrekt de voorzieningenrechter dat de verleende omgevingsvergunning geen uitsluitsel geeft over de hoeveelheid benodigde grond en dat - zie de tussenuitspraak in UTR 14/2554 - twijfel is gerezen of verweerders motivering van de ten aanzien van de landschaps- en natuurwaarden gemaakte afweging bij een omvangrijkere aanvoer dan de genoemde 110.000 m³ grond voldoende is, maar daar staat het volgende tegenover. Verzoekers hebben er voor gekozen om in een laat stadium, te weten eerst op 26 augustus 2015, een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Het primaire besluit is reeds op 13 september 2013 bekend gemaakt door toezending aan vergunninghouder en de dag na de bekendmaking in werking is getreden. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers toegelicht dat de gegevens met betrekking tot de hoeveelheid grond via een Wob-procedure zijn achterhaald en dat pas bij de overschrijding van 110.000 m³ een spoedeisend belang is ontstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers de uitkomst van het Wob-verzoek niet hadden hoeven afwachten om een verzoek om voorlopige voorziening in te kunnen dienen. Bovendien hebben verzoekers bij verweerder een handhavingsverzoek ingediend inzake het storten van industriegrond voor het realiseren van de zichtwal. Tegen de afwijzing daarvan loopt nog een beroepsprocedure.

De voorzieningenrechter is na afweging van de betrokken belangen van oordeel dat in dit geval de belangen die zijn betrokken bij de voortzetting van de (resterende) werkzaamheden zwaarder wegen dan de daartegenover door verzoekers gestelde natuur- en landschapsbelangen.

7. Gezien het vorenstaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af. Daarbij geldt dat vergunninghouder, zolang de omgevingsvergunning niet in rechte onaantastbaar is, daarvan op eigen risico gebruikt maakt.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

28 september 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.