Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7124

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
3362092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Waiverzaak. Artikel 3:13 BW. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3362092 UC EXPL 14-13513 JK/1218

Vonnis van 26 augustus 2015

inzake

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia

gedaagde partij in het verzet,

oorspronkelijk eisende partij,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

eisende partij in het verzet,

oorspronkelijk gedaagde partij,

gemachtigde: mr. G. van Dijk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verstekvonnis van 23 juli 2014 met kenmerk 3139567 UC EXPL 14-9044,

  • -

    de verzetdagvaarding, met producties,

- het schorsings-/aanhoudingsverzoek van [gedaagde] ,

- de reactie van Dexia op het schorsings-/aanhoudingsverzoek,

- een aanvulling van [gedaagde] op het schorsings-/aanhoudingsverzoek,

- de conclusie van antwoord in oppositie, met producties,

- de rolbeslissing van 14 januari 2015, waarbij het verzoek van [gedaagde] tot schorsing/aanhouding van deze procedure is afgewezen;

- de conclusie van repliek in oppositie, met producties,

- de akte uitlating producties van Dexia,

- de bij brief van 19 mei 2015 namens [gedaagde] toegezonden producties,

- het pleidooi op 2 juni 2015,

- de rolbeslissing van 24 juni 2015,

- de akte na pleidooi van Dexia.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [gedaagde] zijn één of meer effectenleaseovereenkomsten (hierna te noemen de overeenkomst(en)) gesloten die per saldo met een negatief saldo zijn geëindigd.

2.2.

De zogenaamde “Duisenberg-regeling” voor deze effectenleaseproducten is door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 op grond van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade algemeen verbindend verklaard. [gedaagde] heeft door middel van een “opt-out”-verklaring aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

2.3.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van het zogenaamde Hofmodel. In zijn arrest d.d. 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Gerechtshof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.

2.4.

Bij brief van 21 december 2011 heeft Dexia aan [gedaagde] medegedeeld te zullen overgaan tot betaling aan hem van een schadevergoeding berekend aan de hand van het hiervoor bedoelde Hofmodel. Bij de berekening van de omvang van de schadevergoeding is Dexia ervan uitgegaan dat het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten voor [gedaagde] destijds geen onaanvaardbare zware financiële last vormde als bedoeld in de jurisprudentie, zodat geen (gedeeltelijke) vergoeding aan [gedaagde] van de door hem destijds betaalde inleg heeft plaatsgevonden. Uitsluitend een gedeelte van de restschuld is vergoed.

2.5.

Bij brief van 25 januari 2012 heeft Leaseproces namens [gedaagde] aan Dexia laten weten dat [gedaagde] zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

2.6.

Dexia, althans haar gemachtigde, heeft [gedaagde] een brief gestuurd, waarbij [gedaagde] de mogelijkheid is geboden om aan te tonen dat hij nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien [gedaagde] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon de bijgevoegde “waiver” worden ondertekend en geretourneerd.

[gedaagde] heeft de waiver niet ondertekend en geretourneerd.

2.7.

Bij verstekvonnis van 23 juli 2014 is de vordering van Dexia, te verklaren voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomsten met nummers 21405623 en 21600589 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, toegewezen.

3 Het geschil

3.1.

[gedaagde] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hem te ontheffen van de tegen hem bij vonnis van 23 juli 2014 uitgesproken veroordeling en Dexia in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans die af te wijzen of haar die te ontzeggen, Dexia te veroordelen tot terugbetaling van de door [gedaagde] uit hoofde van het verstekvonnis voldane proceskosten groot € 395,46, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

3.2.

Dexia stelt ter onderbouwing van haar sub 2.7. aangehaalde vordering dat [gedaagde] na de “opt-out”-verklaring in 2007, de ontwikkelingen in de jurisprudentie van 2009 en 2011 en de stuiting in 2012 voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad zijn (gepretendeerde) vordering op Dexia kenbaar te maken. Inmiddels is duidelijk geworden dat Dexia aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten heeft voldaan, ook de verplichtingen die voortvloeien uit het schenden van haar zorgplicht ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten en dat [gedaagde] op basis van het Hofmodel geen recht heeft op enige schadevergoeding, aldus Dexia. Dexia heeft, zo stelt zij voorts, alle mogelijkheden buiten rechte aangewend en zij heeft belang bij (rechts)zekerheid in de vorm van een definitieve beëindiging van het geschil met [gedaagde] .

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover nodig, wordt ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2.

[gedaagde] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.

4.3.

Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenleaseproducten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie substantiële kosten verbonden zijn terwijl de jurisprudentie is uitgekristalliseerd. Weliswaar is door [gedaagde] bestreden dat met het in stand houden van de organisatie substantiële kosten zijn gemoeid maar ook als dat niet het geval zou zijn, moet worden aangenomen dat Dexia enig redelijk en in rechte te respecteren belang kan hebben om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers – onder wie [gedaagde] – aanspraken jegens haar (menen te) hebben. Daartoe kan het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel zijn.

4.4.

Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagde] , moet worden onderzocht of Dexia misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van de onderhavige vordering. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat Dexia belang kan hebben bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en [gedaagde] , kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, namelijk indien de belangen van [gedaagde] door het op dit moment instellen van de vordering onevenredig worden geschaad of indien dit in strijd is met het belang van een goede procesorde en/of een goede rechtspleging.

4.5.

Het verweer van [gedaagde] komt er op neer dat hij thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of hij nog aanspraken heeft jegens Dexia, en zo ja welke. Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van Gerechtshoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Het gaat daarbij onder meer om de vraag of de rol van de tussenpersoon en de aard van de effectenlease-overeenkomsten, in het bijzonder de “beleggingstechnische” gebreken in die producten, tot een andere verdeling van de schade dan in het hiervoor genoemde Hofmodel wordt gehanteerd, aanleiding kunnen geven. Deze kwesties zijn thans aan de Hoge Raad voorgelegd. Voorts speelt in een aantal procedures de vraag of ten aanzien van een aantal effectenleaseproducten sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Dit betekent dat, anders dan Dexia meent, het met de effectenleaseovereenkomsten samenhangende aansprakelijkheidsvraagstuk nog niet is uitgekristalliseerd en dat, nu in de onderhavige zaak een of meer van deze discussiepunten spelen, een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] aanspraken op Dexia verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken. [gedaagde] wenst dan ook op goede gronden de door hem gestelde aanspraken thans nog niet aan de rechter voor te leggen.

4.6.

Daarbij komt dat [gedaagde] gemotiveerd heeft aangevoerd dat [gedaagde] mogelijk schade heeft geleden door het opplussen van de aankoopprijs van de betreffende aandelen en dit – nu Dexia onvoldoende heeft onderbouwd dat zij op dat punt wél aan haar verplichtingen heeft voldaan – voorshands niet uit te sluiten valt. In het bijzonder heeft Dexia onvoldoende weerlegd de gemotiveerde stelling van [gedaagde] dat het voor haar afnemers, zoals [gedaagde] , niet mogelijk is om aan de hand van openbare koersinformatie vast te stellen of Dexia al dan niet onjuiste afrekenkoersen heeft gehanteerd. Voorts heeft Dexia ter zake weliswaar nog een beroep gedaan op verjaring en gesteld dat de klachttermijn als bedoeld in artikel 6:89 BW is verstreken, maar ook dat is in het licht van de daartegen door [gedaagde] gevoerde verweren onvoldoende onderbouwd. Zo heeft [gedaagde] onbetwist gesteld dat hij pas onlangs bekend is geworden met de volgens hem onjuiste afrekenkoersen en heeft [gedaagde] – evenzeer onbetwist – gesteld dat Dexia niet benadeeld is door het niet tijdig klagen van [gedaagde] . Een en ander betekent dat ook op het punt van de opslag op de beurskoersen thans onvoldoende zekerheid bestaat omtrent de wederzijdse rechten en verplichtingen van partijen.

4.7.

Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat sprake is van een ontoelaatbare onevenredigheid tussen het belang van Dexia bij de door haar gevorderde verklaring voor recht en het belang van [gedaagde] om ontwikkelingen in de jurisprudentie te mogen afwachten. De vordering wordt dan ook afgewezen.

4.8.

Dexia zal worden veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van het bedrag groot

€ 395,46 terzake van de door [gedaagde] aan Dexia voldane proceskosten en de betekening van het verstekvonnis.

4.9.

Dexia zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 200,00 (4 punten à € 50,00) wegens salaris gemachtigde. De kosten van de verzetdagvaarding blijven op grond van het bepaalde in artikel 141 Rv voor rekening van [gedaagde] .

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

vernietigt het verstekvonnis van 23 juli 2014 en, opnieuw rechtdoende, wijst de vordering van Dexia af;

5.2.

veroordeelt Dexia tot betaling van € 395,46 aan [gedaagde] ,

5.3.

veroordeelt Dexia in de kosten van de verzetprocedure aan de zijde van [gedaagde] , met uitzondering van de kosten van de verzetdagvaarding, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde;

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2015.