Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:7103

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
29-09-2015
Zaaknummer
16/661017-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

UTRECHT – De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 23-jarige man uit Vleuten tot een gevangenisstraf van zes maanden en een rijontzegging van twee jaar. De verdachte veroorzaakte op 1 januari 2015 op de Zuilense Ring bij Maarssen een auto-ongeluk waarbij twee personen gewond raakten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de man in die nacht met te hoge snelheid door rood licht reed. Verdachte was onder invloed van drugs. Hij had eerder die avond een joint gerookt. Hij reed in op een auto met twee inzittenden, beide slachtoffers hadden lichamelijk letsel.

De rechtbank kwalificeert dit als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag (artikel 6 Wegenverkeerswet). Om verdachte de ernst van de situatie duidelijk te maken, vindt de rechtbank een gevangenisstraf en een rijontzegging passend. De rechtbank sluit zich aan bij de eis van de officier van justitie en de landelijke oriëntatiepunten van rechters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Locatie Utrecht

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 16/661017-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van 29 september 2015, op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [1992] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. T.P. Schut, advocaat te Amsterdam.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er – kort en feitelijk weergegeven – op neer dat verdachte:

primair op 1 januari 2015 te Maarssen als verkeersdeelnemer zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, namelijk doordat hij – terwijl hij onder invloed van THC verkeerde – te hard reed, door rood reed en tegen een ander voertuig botste, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] en [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;

subsidiair op 1 januari 2015 te Maarssen een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij wist dat hij onder invloed verkeerde van THC

en/of

op 1 januari 2015 te Maarssen gevaar op de weg heeft veroorzaakt door te hard te rijden, door door rood te rijden en door tegen een ander voertuig te botsen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden in de gradatie van zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijdgedrag en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat er geen sprake is geweest van roekeloos rijgedrag, nu verdachte ten tijde van het ongeval – gelet op het tijdsverloop na diens laatste joint – niet meer onder invloed verkeerde van THC en verdachte niet veel te hard reed, omdat men op de kruising 80 km/h mocht rijden en de borden met 50 km/h alleen gelden voor de afslaande richtingen. De verdediging heeft zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd, met de kanttekeningen die bij het primair tenlastegelegde zijn gemaakt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen op 1 januari 2015 om 03.20 uur de melding te gaan naar de Zuilense Ring te Maarssen alwaar een aanrijding plaats zou hebben gevonden met een beknelling ten gevolg.2

Uit het proces-verbaal verkeersongevalanalyse blijkt dat bij het ongeval de volgende voertuigen betrokken waren: een Ford Fiësta, kenteken [kenteken] , bestuurder [verdachte] en een Opel Astra, kenteken [kenteken] , bestuurder [benadeelde] .3

De Ford reed op de Haarrijnse Rading komende uit de richting van Vleuten en gaande in de richting van Maarssen. De Opel reed op de Zuilense Ring, komende uit de richting van Maarssen en gaande in de richting van Vleuten. Ter hoogte van de af- en toerit van de A2 sloeg de Opel linksaf om de A2 te volgen. Ter hoogte van de af- en toerit van de A2 kwam de Ford in botsing met de Opel.4 Het ongeval heeft plaatsgevonden bij nacht.5 De wegverlichting brandde wel.6

Benadeelde [benadeelde] verklaart dat hij linksaf wilde slaan om de oprit van de A2 op te rijden, dat de verkeerslichten voor deze richting al een tijd op groen stonden en dat deze verkeerslichten nog op groen stonden toen hij ze passeerde. De benadeelde verklaart voorts dat hij ineens met zijn auto tegen de vangrail stond. Hij heeft niets van een aanrijding gemerkt.7 De benadeelde [slachtoffer 1] (passagier) verklaart dat het verkeerslicht richting de oprit van de A2 groen licht uitstraalde en dat haar vriend, de bestuurder, linksaf sloeg. De benadeelde verklaart voorts dat er van rechts keihard een auto aan kwam rijden en dat die auto tegen de rechterkant van de auto waar zij in zat, reed.8

Getuige [getuige] reed komende uit de richting van Vleuten en gaande in de richting van Maarssen. Hij verklaart dat hij 70 km/h reed en dat de grijze auto die hem van achteren naderde veel harder dan hij reed. De getuige schat dat de bestuurder 90 à 100 km/h reed. De getuige ziet vervolgens dat de bestuurder van de grijze auto zonder te remmen of snelheid te minderen door rood rijdt en daarna vol in de flank van een donkerblauwe auto rijdt. De getuige reed ongeveer 100 tot 150 meter achter de grijze auto. Het zicht was goed. Er was geen mist en het regende niet.9

Bij de politie heeft verdachte verklaart elke dag over de weg te rijden waar het ongeval plaatsvond.10 Ter zitting heeft verdachte verklaard er niet iedere dag te rijden, maar de weg wel te kennen.11

Gezien vanuit de rijrichting van de Ford mag voor het kruisingsvlak waarop het ongeval heeft plaatsgevonden 50 km/h worden gereden. Op het kruisingsvlak mag 80 km/h worden gereden.12 Uit het proces-verbaal onderzoek verkeersregelinstallatie blijkt dat verdachte op de detectielussen gelegen in het asfalt voor de stoplichten van de kruising met een indicatieve snelheid van minimaal 86,5 km/h en maximaal 91,2 km/h heeft gereden over de laatste 91 meter voor de stopstreep. Op deze afstand en met deze snelheid had de bestuurder van de Ford de auto normaal tot stilstand kunnen brengen voor de stopstreep. Het stoplicht stond al 38 seconden op rood voordat de bestuurder van de Ford het rode licht negeerde.13

De verdachte heeft bij de politie verklaart dat hij op 31 december 2014 rond 23.00 uur à 00.00 uur zijn laatste joint heeft gerookt.14 Uit het rapport van het NFI blijkt dat in het bloed van verdachte, wat ongeveer tussen een uur en twee uur na het ongeval is afgenomen15, een concentratie THC van 0,0075 mg/l wordt gevonden, hetgeen meer is dan de grensconcentratie van 0,0035 mg/l. Het NFI concludeert dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk negatief beïnvloed was door THC.16

Op 13 maart 2015 heeft benadeelde [benadeelde] ten gevolge van het ongeval nog veel last van zijn rug en kan hij niet lang stil blijven staan. Hij is door het ongeval langere tijd niet aan werken toegekomen en is pas in maart weer op therapeutische basis met werken begonnen. Hij heeft door het ongeval zijn opleiding op het werk niet af kunnen ronden. Het halen van zijn diploma kost hem nu een jaar extra.17

Uit de letselverklaring blijkt dat [slachtoffer 1] ten gevolge van het ongeval een bekkenfractuur en een enkelfractuur heeft opgelopen. De geschatte duur van genezing is langer dan drie maanden.18 Op 13 maart 2015 heeft benadeelde [slachtoffer 1] aangegeven dat zij ten gevolge van het ongeval een gebroken kuitbeen en middenvoetsbeentje heeft.19

Bewijsoverweging

Om ter zake van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen, is vereist dat verdachte schuld heeft aan de aanrijding, hetgeen is tenlastegelegd als het zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam gedragen. Gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004, NJ 2005, 252, zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is

begaan. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De volgende feiten en omstandigheden zijn in dit kader relevant.

Verdachte reed met een te hoge snelheid op de verkeerslichten af. Ter plaatse gold voor het weggedeelte gelegen voor de verkeerslichten een maximum snelheid van 50 km/h. De opvatting dat deze snelheid alleen geldt voor de banen voor rechts- en linksafslaand verkeer, vindt geen steun in het recht. Aangetoond is dat verdachte op de detectielussen gelegen in het weggedeelte voor de verkeerslichten met een indicatieve snelheid van minimaal 86,5 km/h en maximaal 91,2 km/h reed.

Verdachte heeft vervolgens het rood uitstralende verkeerslicht genegeerd en is zonder snelheid te minderen de kruising waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, opgereden.

Verdachte heeft nagelaten zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen.

Bovenstaande gedragingen zijn gepleegd terwijl verdachte onder invloed verkeerde van THC, zijnde een stof in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte was verder bekend met de weg, hij reed er vaker. Op het moment van het ongeval was het zicht goed en de wegverlichting functioneerde.

De rechtbank concludeert op grond van genoemde omstandigheden dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld. Het verkeersongeval is derhalve aan verdachtes schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, te wijten.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, zoals hierna is weergegeven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 1 januari 2015 te Maarssen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, merk Ford Fiësta, kenteken [kenteken] , daarmede rijdende over de weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, doordat hij zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam (terwijl verdachte onder invloed verkeerde van een stof die de rijvaardigheid kan verminderen, te weten THC)

- met een snelheid van minimaal 86,5 km/h en maximaal 91,2 km/h, een snelheid die hoger lag dan de daar toegestane maximum snelheid

- het voor hem bestemde verkeerslicht is gepasseerd, terwijl dit rood licht uitstraalde en

- vervolgens met hoge snelheid tegen een personenauto is gebotst die, komende uit tegenovergestelde richting, bij groen verkeerslicht linksaf sloeg (teneinde de Rijksweg A2 op te rijden), waardoor [slachtoffer 1] (passagier) zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken bekken, een gebroken voet, een gebroken kuitbeen en een gebroken middenvoetsbeentje), werd toegebracht en [benadeelde] (bestuurder) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1964.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat – gelet op de bepleite vrijspraak van het primair tenlastegelegde roekeloos rijden – de straf die verdachte thans heeft ondergaan in de zin van de invordering van zijn rijbewijs door de officier van justitie voor de duur van vijf en een halve maand en de huidige ongeldigverklaring van zijn rijbewijs door het CBR, van voldoende mate is. De verdediging brengt subsidiair naar voren dat indien de rechtbank van oordeel is dat er nog een straf dient te volgen, dit een werkstraf dient te zijn.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft als gevolg van zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt, als gevolg waarvan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht en [benadeelde] zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat hij in de uitoefening van zijn normale bezigheden is verhinderd. Middels een schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting van 15 september 2015 is voorgelezen, heeft

[slachtoffer 1] naar voren gebracht dat zij ook thans nog niet volledig hersteld is van het verkeersongeval dat op 1 januari 2015 heeft plaatsgevonden. Zij kan hierdoor haar werkzaamheden niet hervatten en is derhalve niet in staat een carrière op te bouwen. Evenmin kan zij hobby’s uitoefenen of dingen met vrienden ondernemen. Volgens het slachtoffer staat haar leven op dit moment stil. Het enige wat zij zich nu kan voornemen, is haar uiterste best doen om zo snel mogelijk te herstellen. Om het ongeval en de nasleep daarvan te verwerken, heeft zij binnenkort een afspraak bij een psycholoog. Slachtoffer [benadeelde] heeft een aantal maanden zijn werkzaamheden niet kunnen uitoefenen en kan ten gevolge van het ongeval zijn opleiding op het werk niet afronden. Hij zal zijn diploma pas een jaar later dan gepland halen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 juli 2015, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor verkeersdelicten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het voor het slachtoffer [slachtoffer 1] erg vindt dat zij vorengenoemd letsel heeft bekomen. Verdachte wenst dat niemand toe. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij geen spijt heeft van hetgeen is gebeurd, nu hij vindt dat hij het verkeersongeval niet opzettelijk heeft veroorzaak en spijt past bij opzettelijk iemand pijn doen.

Om verdachte de ernst van het bewezene duidelijk te maken, zijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen passend. Ten aanzien van de hoogte van vorengenoemde straffen sluit de rechtbank zich aan bij de eis van de officier van justitie, welke eis in lijn is met de LOVS-oriëntatiepunten. Uit de persoonlijke omstandigheden van verdachte of andere omstandigheden rondom het bewezenverklaarde feit zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die nopen tot het naar beneden of naar boven bijstellen van hetgeen in deze oriëntatiepunten wordt aangegeven.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest, noodzakelijk.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1964.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder 5., heeft begaan.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

Beveelt dat de tijd waarin de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, bij de uitvoering van de opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.G. van Ommeren, voorzitter,

mrs. E.A.A. van Kalveen en A.G. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van N. Kruijswijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2015.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Primair

hij op of omstreeks 1 januari 2015 te Maarssen, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk: Ford Fiësta, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, te weten de Haarrijnse Rading, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

doordat hij roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam (terwijl verdachte onder invloed verkeerde van een andere stof die de rijvaardigheid kan verminderen, te weten THC)

- met een snelheid van minimaal 86,5 km/h en maximaal 91,2 km/h, althans met

een snelheid die (veel) hoger lag dan de daar toegestane maximum snelheid van 50 km/h, in ieder geval met hoge snelheid,

- het voor hem bestemde verkeerslicht is gepasseerd, terwijl dit rood licht uitstraalde en

- ( vervolgens) (met hoge snelheid) tegen een personenauto is gebotst die, komende uit tegenovergestelde richting, bij groen verkeerslicht linksaf sloeg (teneinde de Rijksweg A2 op te rijden), waardoor

[slachtoffer 1] (passagier) zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken bekken, een gebroken voet, een gebroken kuitbeen en een gebroken middenvoetsbeentje), werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en

[benadeelde] (bestuurder) zwaar lichamelijk letsel (te weten letsel aan de knie, concentratiestoornis, laag korte termijn geheugen) werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en/of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art 6 Wegenverkeerswet 1994; art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994; art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994; art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair

hij op of omstreeks 1 januari 2015 te Maarssen, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk: Ford Fiësta, kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd,

terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC (0,0075 mg/l), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht

en/of

hij op of omstreeks 1 januari 2015 te Maarssen, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk: Ford Fiësta, kenteken [kenteken] ), rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Haarrijnse Rading,

- met een snelheid van minimaal 86,5 km/h en maximaal 91,2 km/h, althans met een snelheid die (veel) hoger lag dan de daar toegestane maximum snelheid van 50 km/h, in ieder geval met hoge snelheid,

- het voor hem bestemde verkeerslicht heeft gepasseerd, terwijl dit rood licht uitstraalde

- ten gevolge waarvan hij met die personenauto (met hoge snelheid) tegen een personenauto is gebotst die, komende uit tegenovergestelde richting, bij groen verkeerslicht linksaf sloeg (teneinde de Rijksweg A2 op te rijden),

door welke gedragingen gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

(art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994; art 5 Wegenverkeerswet 1994)

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nr. PL0900-2015000346, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 75) met als bijlagen: een proces-verbaal verkeersongevalanalyse (pagina 1 tot en met 16), een proces-verbaal voertuigonderzoek (pagina 1 tot en met 20), een proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie (pagina 1 tot en met 29) en een vakbijlage werking verkeersregelinstallaties (pagina 1 tot en met 13). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 januari 2015, opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 10.

3 Het proces-verbaal verkeersongevalanalyse d.d. 28 februari 2015, opgemaakt door [verbalisant 3] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland en [verbalisant 4] , hoofdagent van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 3.

4 Het proces-verbaal verkeersongevalanalyse d.d. 28 februari 2015, opgemaakt door [verbalisant 3] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland en [verbalisant 4] , hoofdagent van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 3.

5 Het proces-verbaal verkeersongevalanalyse d.d. 28 februari 2015, opgemaakt door [verbalisant 3] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland en [verbalisant 4] , hoofdagent van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 5.

6 Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 13 maart 2015, opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 4.

7 Het proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde] d.d. 1 januari 2015, opgemaakt door [verbalisant 6] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 31 en 32.

8 Het proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 1-1-2015, opgemaakt door [verbalisant 6] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 37.

9 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige] d.d. 2 januari 2015, opgemaakt door [verbalisant 6] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 68 en 69.

10 Het proces-verbaal verhoor verdachte, opgemaakt op 1 januari 2015 door [verbalisant 6] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 55.

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 15 september 2015.

12 Het proces-verbaal verkeersongevalanalyse d.d. 28 februari 2015, opgemaakt door [verbalisant 3] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland en [verbalisant 4] , hoofdagent van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 5.

13 Het proces-verbaal onderzoek verkeersregelinstallatie d.d. 16 februari 2015, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 7] , beide brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 27.

14 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 2 januari 2015, opgemaakt door [verbalisant 6] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 59.

15 Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 21 maart 2015, opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 16.

16 Het rapport van het NFI d.d. 27 januari 2015, opgemaakt door dr. [naam] , apotheker, zijnde een geschrift, opgenomen op pagina 24, 25 en 26.

17 Het proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 13 maart 2015, opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 8.

18 Een geneeskundige verklaring d.d. 9 februari 2015, zijnde een geschrift, opgenomen op pagina 41.

19 Het proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 13 maart 2015, opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent van Politie Eenheid Midden-Nederland, opgenomen op pagina 8.