Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6996

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
16.652387-15; 16.659359-15 en 16.659121-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende vier maanden schuldig gemaakt aan een aantal winkeldiefstallen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal gevolgd door bedreiging.

De rechtbank gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummers: 16.652387-15; 16.659359-15 en 16.659121-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 augustus 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1972] te [distrikt] (Suriname),

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in de PI Almere.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting op

14 augustus 2015, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.G. Nagel, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F. Rethmeier en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

16.652387-15

1.

hij op of omstreeks 12 juni 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid scheermesjes, althans winkelgoederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 9 juni 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid koffie, althans winkelgoederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

16.3659359-15

hij op of omstreeks 22 april 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen meerdere verpakkingen vleeswaren, althans levensmiddelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de firma Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

16.659121-15

hij op of omstreeks 12 februari 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Logitech Gaming headset, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Hardware Outlet, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, naar die [slachtoffer] heeft geroepen: "Pak me niet nog een keer beet want ik steek je" en/of "Zit niet aan me, ik ga je steken, ik ga je steken" en/of (vervolgens) met een hand naar zijn broek(zak) heeft gegrepen;

De rechtbank nummert hierna de bij dagvaarding met parketnummer 16.652387-15 onder 1 en 2 als de feiten 1 en 2, de met parketnummers 16.659359-15 en 16.659121-15 ten laste gelegde feiten als de feiten 3 en 4.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1, 2 en 3.

De officier van justitie acht de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangiftes namens de Albert Heijn, de processen-verbaal van de camerabeelden en de processen-verbaal van verbalisanten die verdachte herkennen als de dader.

Feit 4.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer] , de verklaring van de getuige [getuige 1] , het proces-verbaal van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] en de verklaring van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1, 2 en 3.

Algemeen.

De raadsvrouw heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.

Op de camerabeelden van deze drie diefstallen is telkens een rugtas te zien, maar anders dan op de camerabeelden van feit 4 (waarop verdachte met zijn tas te zien is) is op deze rugtas (telkens) geen groen vlak te zien. Uit de camerabeelden blijkt voorts dat de schoenen van de dader zwarte sportschoenen van het merk Nike zijn met witte of lichtkleurige tekens welke schoenen veel voorkomen en daarom niet specifiek genoeg zijn om tot bewijs te dienen.

Feit 1.

De raadsvrouw heeft gewezen op de haardracht van de dader, te weten weggeschoren vlakken aan de zijkant van het hoofd, die niet overeenkomt met de haardracht van verdachte.

Feit 2.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verklaring van de getuige [getuige 2] niet betrouwbaar is. Evenmin blijkt uit de camerabeelden dat er sprake is van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen de dader en de vrouw op de camerabeelden waarvan getuige [getuige 2] zegt dat zij dat is.

Feit 3.

De raadsvrouw heeft bepleit dat er geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening, aangezien op de camerabeelden niet blijkt dat de verpakkingen vlees in of uit de winkel zijn weggenomen.

Feit 4.

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, aangezien er geen sprake is van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De verklaring van verdachte, dat hij aan zijn vriendin een headset wilde laten zien buiten de winkel, wordt niet weerlegd door de overige bewijsmiddelen.

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen.

Ter terechtzitting van 14 augustus 2015 zijn alle bij de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten behorende camerabeelden afgespeeld. Op de terechtzitting heeft de rechtbank als eigen waarneming op de camerabeelden het volgende waargenomen:

  • -

    de persoon (die als dader van de diefstallen wordt aangemerkt en te zien is) op de camerabeelden (ten aanzien van alle feiten) vertoont telkens een zeer sterke gelijkenis met de verdachte;

  • -

    de schoenen van de verdachte persoon op alle camerabeelden zijn telkens gelijkend op elkaar;

  • -

    de (rug)tas van de persoon op alle camerabeelden is telkens sterk gelijkend;

  • -

    ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde is op de camerabeelden te zien dat de verdachte persoon een doos in handen boven zijn hoofd - en boven de detectiepoortjes - houdt terwijl hij de deur van de winkel uitloopt en dan zijn blik naar voren en naar beneden gericht houdt. Die persoon kijkt op dat moment niet naar rechts, noch toont hij de doos in die richting.

De rechtbank ziet op dit moment geen reden om te twijfelen aan de zich in het dossier bevindende processen-verbaal van bevindingen omtrent hetgeen is geverbaliseerd naar aanleiding van het bekijken van alle camerabeelden.

Feit 1.1

Uit de aangifte van [aangever] namens de Albert Heijn te Lelystad blijkt het volgende. Op 12 juni 2015 omstreeks 15.30 uur werd aangever door een medewerker aangesproken. De medewerker verklaarde dat hij was aangesproken door een vrouw die had gezien dat een man in de winkel goederen vanuit zijn mandje in zijn rugtas stopte terwijl de man de kassa nog niet was gepasseerd.2 Aangever bekeek daarop de camerabeelden. Uit nader onderzoek bleek dat er uit de winkelvoorraad zes pakjes scheermesjes zijn gestolen.3

Uit het proces-verbaal van bevindingen opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] blijkt het volgende. Op de camerabeelden van 12 juni 2015 was het volgende te zien. Een man, door verbalisant herkend als verdachte, loopt door het gangpad en zet het winkelmandje neer. “Ik zag dat hij wat uit deze stelling pakte en het in zijn winkelmandje welke naast hem stond legde. Ik zag hierop dat hij weer met zijn handen in de stelling zat. Ik zag dat hetgene wat hij uit het schap pakte niet gemakkelijk voor het grijpen lag. Ik zag namelijk dat hij het met twee handen moest beetpakken en dat hij in het schap verschillende bewegingen moest maken. Ik zag dat hij dit product vervolgens weer in zijn winkelmandje stopte. Ik zag dat hij weer met zijn handen in het schap ging hij weer de nodige moeite deed en vervolgens weer een product in zijn winkelmandje legde. Ik zag dat hij vervolgens weer met zijn handen in het schap zat en vervolgens weer een product in zijn winkelmandje deed. (…) Ik zag dat ditzelfde zich nog twee keer herhaalde (…).” De man loopt vervolgens met het winkelmandje naar een ander gangpad. “Ik zag dat hij zijn rugzak vlak bij het winkelmandje zetten en vervolgens spullen uit zijn mandje in zijn rugzak deed.” Vervolgens rekent de man enkel een blikje af bij de kassa en loopt vervolgens met zijn rugzak weg.4

Uit het proces-verbaal opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] blijkt dat zij verdachte als de persoon herkent op de afbeeldingen. Verbalisant verklaart daarbij dat zij werkzaamheden als wijkagent verricht en bijna twintig jaar bij de politie in Lelystad werkt, verdachte goed kent en in het verleden veelvuldig met verdachte sprak.5

Uit het proces-verbaal opgesteld door verbalisant [verbalisant 4] blijkt dat hij verdachte als de persoon herkent op de afbeeldingen. Verbalisant verklaart daarbij dat hij verdachte van diverse verhoren en contacten in het verleden kent.6

Uit het proces-verbaal opgesteld door verbalisant [verbalisant 5] blijkt dat zij verdachte als persoon herkent op de afbeeldingen.7

Gelet op hetgeen hiervoor onder ‘algemeen’ is overwogen, heeft de rechtbank geen redenen te twijfelen aan de hiervoor vermelde herkenningen door verbalisanten van verdachte als de dader van de winkeldiefstal van meerdere verpakkingen scheermesjes op 12 juni 2015 uit de Albert Heijn in Lelystad. De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2.

Uit de aangifte van [aangever] namens Bun Supermarkten BV AH blijkt het volgende. Tijdens tellingen van de voorraad op 10 juni 2015 blijkt dat er diverse verpakkingen oploskoffie zijn verdwenen. Aangever bekeek daarop de camerabeelden van 9 juni 2015. Uit onderzoek bleek dat er zeven blikken oploskoffie zijn gestolen.8

Uit het proces-verbaal van bevindingen opgesteld door verbalisant [verbalisant 6] volgt dat op de camerabeelden van 9 juni 2015 in de Albert Heijn te Lelystad een vrouw te zien is die de winkel inloopt gevolgd door een man, die door verbalisant herkend wordt als verdachte. De man loopt naar een schap, bukt voorover en gaat met zijn hand het schap in. In totaal gaat de man zeven keer met zijn hand in en uit het schap en per keer legt hij iets in het boodschappenmandje. Vervolgens stopt de man diverse producten uit het boodschappenmandje in zijn rugtas. De man passeert vervolgens de kassa zonder de producten uit zijn rugtas af te rekenen.9

Uit het proces-verbaal opgesteld door verbalisant [verbalisant 5] blijkt dat zij verdachte als persoon herkent op uitgeprinte afbeeldingen die van deze beelden zijn gemaakt. Verbalisant had op 28 januari 2015 voor het laatst contact met verdachte. Verbalisant [verbalisant 5] heeft ook de bewegende camerabeelden bekeken en daarop herkende zij verdachte eveneens.10

Uit het proces-verbaal opgesteld door verbalisant [verbalisant 4] blijkt dat hij verdachte als de persoon herkent op de afbeeldingen. Verbalisant verklaart daarbij dat hij verdachte kent van diverse verhoren en diverse andere gesprekken. Daarbij komt dat verbalisant ook de bewegende camerabeelden heeft bekeken en daarop herkende hij verdachte eveneens.11

Uit het proces-verbaal opgesteld door verbalisant [verbalisant 7] blijkt dat hij verdachte als de persoon herkent op de camerabeelden. Verbalisant verklaart daarbij dat hij werkzaamheden als wijkagent verricht diverse malen contact had met verdachte en hem vaker heeft aangehouden. Verbalisant herkent de vrouw als zijnde [getuige 2] .12

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zichzelf herkent op de camerabeelden van 9 juni 2015 bij de Albert Heijn. Zij kwam samen met verdachte de winkel in. Zij heeft voorts verklaard dat verdachte de koffie in zijn tas deed en weg ging zonder te betalen.13

Zoals hiervoor onder ‘algemeen’ overwogen heeft de rechtbank geen redenen te twijfelen aan de hiervoor vermelde herkenningen door verbalisanten. De verklaring van getuige [getuige 2] sluit aan op die herkenningen en ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding aan de betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen. .

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de rechtbank verdachte (partieel) zal vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen, aangezien uit het dossier niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander.

Feit 3.14

Uit de aangifte van [aangever] namens Bun Supermarkten BV AH blijkt het volgende. Tijdens tellingen van de voorraad op 23 april 2015 blijkt dat er diverse verpakkingen excellent vlees zijn verdwenen. Aangever bekeek daarop de camerabeelden van 22 april 2015. Uit onderzoek bleek dat er drie verpakkingen vlees zijn gestolen.15

Volgens het proces-verbaal van bevindingen opgesteld door [verbalisant 8] is op de camerabeelden van 22 april 2015 in de Albert Heijn in Lelystad te zien dat een man een aantal producten van het schap pakt en deze in zijn winkelmandje legt. De man loopt naar een ander schap en bukt bij het winkelmandje. “Ik, verbalisant, zie dat de man zijn handen in het winkelmandje stopt, waarna hij deze naar de rugtas beweegt.” Kort hierna staat de man op en hangt de rugtas op zijn rug. “Ik, verbalisant, zie dat het winkelmandje leeg is.” De man rekent vervolgens enkel een flesje af bij de kassa.16

Uit voornoemde beschrijving door de verbalisant en met name het geciteerde deel is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van wederrechtelijke toe-eigening van vlees door de man.

Uit het proces-verbaal opgesteld door verbalisant [verbalisant 4] blijkt dat hij verdachte als de persoon herkent op de afbeelding. Verbalisant verklaart daarbij dat hij verdachte van diverse verhoren en contacten kent.17

Uit het proces-verbaal opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] blijkt dat zij verdachte als de persoon herkent op de afbeeldingen. Verbalisant verklaart daarbij dat zij werkzaamheden als wijkagent verricht en bijna twintig jaar bij de politie in Lelystad werkt, verdachte al jaren kent en hem met grote regelmaat spreekt en hem laatstelijk enige weken geleden zag.18

Zoals hiervoor onder ‘algemeen’ overwogen, heeft de rechtbank geen redenen te twijfelen aan de hiervoor vermelde herkenningen door verbalisanten van verdachte als de dader van de winkeldiefstal van meerdere verpakkingen vleeswaren op 22 april 2015 uit de Albert Heijn in Lelystad. De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4.19

Uit de aangifte van [slachtoffer] namens Hardware Outlet te Lelystad blijkt dat aangever op 12 februari 2015 in de winkel stond. Omstreeks 16.20 uur ziet aangever een mannelijke klant een vierkante doos boven zijn hoofd houden en de winkel uitlopen. Aangever gaat achter de man aan. De man heeft in zijn handen een Logitech Gaming headset type G930 t.w.v. 159,95 euro. Als de man wil wegfietsen pakt aangever de man bij zijn rugzak. De man zegt: “pak me niet nog een keer beet want ik steek je”. De man maakt een gebaar naar zijn broeksband alsof hij iets wil pakken.20

Uit de verklaring van de getuige [getuige 1] blijkt dat hij aangever naar buiten ziet rennen. Aangever is buiten in gesprek met een man. De man wil wegrijden, maar aangever houdt hem tegen. De man stapt van zijn fiets en maakt een paar keer een beweging alsof hij aangever wil slaan. Aangever trekt vervolgens aan de jas van de man. De man brengt zijn hand naar zijn broeksband en zegt: “zit niet aan me, ik ga je steken, ik ga je steken.”21

Uit het proces-verbaal van bevindingen opgesteld door [verbalisant 1] blijkt het volgende.

Op de camerabeelden in de Hardware Outlet Lelystad was het volgende te zien. Een man loopt de winkel in. De man pakt een doos uit een van de schappen en loopt met de doos richting de ingang van de winkel. De man kijkt diverse malen om zich heen in de richting van de achterzijde van de winkel. De man staat stil bij de uitgang voor de detectiepoortjes. De man kijkt wederom diverse malen om zich heen in de richting van de achterzijde van de winkel. De man houdt vervolgens de doos boven zijn hoofd en de detectiepoortjes en loopt de winkel uit. Buiten de winkel wordt de man aangesproken door winkelpersoneel. De man maakt aanstalten om weg te fietsen, maar het personeelslid pakt de man bij zijn rugtas. De man springt van zijn fiets en staat met zwaaiende armen tegenover het personeelslid. De man pakt vervolgens zijn fiets en gaat weg.22

Verdachte heeft ter terechtzitting van 14 augustus 2015 verklaard dat hij de persoon is die op 12 februari 2015 te Lelystad met een doos in handen de Hardware Outlet winkel verlaat, en dat hij de persoon is op de camerabeelden behorende bij feit 4.23

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsvrouw omtrent dit feit. Het is een feit van algemene bekendheid dat goederen niet uit een winkel mogen worden meegenomen zonder toestemming (en bijzijn) van winkelpersoneel, om deze aan anderen te laten zien. Verdachte, die bij herhaling veroordeeld is voor winkeldiefstal, had dit kunnen weten. De rechtbank acht in dit geval ook niet aannemelijk dat verdachte enkel met het product naar buiten liep om dit aan een ander te tonen. Gelet op hetgeen geverbaliseerd is door [verbalisant 1] over de camerabeelden en gelet op hetgeen de rechtbank ter terechtzitting zelf heeft waargenomen blijkt niet dat de verdachte voor het verlaten van de Hardware Outlet of direct daarna contact probeert te zoeken met een persoon buiten de winkel. Verdachte heeft de doos bovendien precies ter hoogte van het detectiepoortje in de lucht gehouden. Er is gelet op het voorgaande wel degelijk sprake van het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening.

Aangever en de getuige [getuige 1] verklaren ten aanzien van de bedreigende handelingen en woorden door verdachte in grote lijnen overeenkomstig elkaar. De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van hun verklaringen. Daarbij komt dat verbalisant [verbalisant 1] heeft geverbaliseerd dat verdachte op de camerabeelden met zwaaiende armen tegenover het personeelslid stond.

De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigen bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 12 juni 2015 te Lelystad, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid scheermesjes, toebehorende aan Albert Heijn;

2.

hij op 9 juni 2015 te Lelystad, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid koffie, toebehorende aan Albert Heijn;

3.

hij op 22 april 2015 te Lelystad, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere verpakkingen vleeswaren, toebehorende aan de firma Albert Heijn;

4.

hij op 12 februari 2015 te Lelystad, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Logitech Gaming headset, toebehorende aan Hardware Outlet, welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, naar die [slachtoffer] heeft geroepen: "Pak me niet nog een keer beet want ik steek je" en/of "Zit niet aan me, ik ga je steken, ik ga je steken" en met een hand naar zijn broek(zak) heeft gegrepen.

Van het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank verbetert in de bewezenverklaring een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1, feit 2, feit 3, telkens:

Diefstal.

Feit 4:

Diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen (conform het voorarrest) met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede tot de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar (verder: ISD-maatregel).

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank komt tot de oplegging van een straf/maatregel, primair bepleit een gevangenisstraf op te leggen overeenkomstig de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit een ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen, aangezien de reclassering bij het advies te weinig rekening heeft gehouden met de door verdachte zelf genomen initiatieven voor werk en behandeling en de conclusies van de GGZ. In het geval van oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel heeft de raadsvrouw bepleit te bepalen dat Peter Leek de reclasseringsmedewerker dient te worden. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel na één jaar, zodat gecontroleerd kan worden of er sprake is van behandeling en niet enkel van detentie. Naast een ISD-maatregel kan voorts geen gevangenisstraf worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich gedurende vier maanden schuldig gemaakt aan een aantal winkeldiefstallen. Daarmee heeft verdachte schade en overlast veroorzaakt en een inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de slachtoffers. Verdachte handelde slechts uit persoonlijk financieel gewin en heeft de schade die hij berokkende aan de slachtoffers daarbij op de koop toe genomen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal gevolgd door bedreiging. Hij heeft bij de diefstal zijn eigen financiële motieven voorop laten staan en hij heeft bij de bedreiging geen enkel oog gehad voor de gevoelens van angst en onveiligheid die deze bedreigingen bij het slachtoffer teweeg hebben gebracht.

Voor de feiten waaraan verdachte zich heeft schuldig heeft gemaakt is voorlopige hechtenis toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 22 juni 2015 blijkt dat verdachte zich zeer regelmatig schuldig heeft gemaakt aan vooral vermogensdelicten. Deze feiten veroorzaken grote overlast voor de samenleving en brengen schade toe aan de direct getroffenen. Voorts blijkt uit voornoemd uittreksel dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de onderhavige door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld. Onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen.

Uit de rapportage van Tactus verslavingszorg d.d. 15 juli 2015, opgesteld door M. Weemers, reclasseringswerker, blijkt het volgende. Op basis van de justitiële geschiedenis, de aanwezige problemen op de diverse leefgebieden (netwerk, financiën, baan, middelengebruik) en de lage ontvankelijkheid van begeleiding is de inschatting dat de recidivekans hoog is. De houding ten opzichte van begeleiding is tot op heden negatief. Verdachte verklaart wisselend over de hoeveelheid, de frequentie en zijn abstinentie van middelengebruik. Volgens de politie bevindt verdachte zich in de gebruiker scene. Er zijn geen aanknopingspunten voor gedragsverandering en/of behandeling. Het ingeschatte hoge recidiverisico, de maatschappelijke overlast die verdachte met zijn gedrag teweegbrengt, de ernst van de (middelen)problematiek, het ontbreken van een open houding, motivatie, probleembesef- en inzicht en het tot heden afwezig blijven van betekenisvolle responsiviteit en ontvankelijkheid van begeleiding zorgt voor de noodzaak en wenselijkheid van de ISD-maatregel. Geadviseerd is om een ISD-maatregel op te leggen.

De rechtbank neemt de opvatting van Tactus verslavingszorg met betrekking tot de recidivekans en alle overige bevindingen uit genoemd rapport over en maakt die tot de hare. De rechtbank houdt er dan ook ernstig rekening mee dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Op grond van al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen de oplegging van de maatregel eist.

Nu, zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, is voldaan aan de wettelijke vereisten ex artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zal de rechtbank verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. De rechtbank zal verdachte de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen.

Zoals betoogd door de raadsvrouw blijkt uit vaste jurisprudentie dat een cumulatie van een gevangenisstraf en de ISD-maatregel niet aanvaard is. De rechtbank zal derhalve volstaan met de oplegging van de ISD-maatregel. De rechtbank acht geen redenen aanwezig de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering te brengen op de duur van de ISD-maatregel.

De rechtbank acht het in dit geval aangewezen om de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tussentijds – één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel – te beoordelen als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en zal dienovereenkomstig beslissen. De rechtbank beoogt hiermee zicht te houden op de voortgang van de ISD-maatregel.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 38m, 38n, 38s, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar;

- gelast de tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel na één jaar na het begin van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. R.C.J. Elte-Hamming en mr. R.D. van Heffen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2015.

Mr. A.J.P. Schotman en mr. R.C.J. Elte-Hamming zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met de nummers 2015179702 en 215180360, doorgenummerd 1 tot en met 98.

2 Pagina 39.

3 Pagina’s 40, 41 en 42.

4 Pagina’s 47 en 48.

5 Pagina 50.

6 Pagina 54.

7 Pagina 58.

8 Pagina’s 64 en 65.

9 Pagina’s 70, 71 en 72.

10 Pagina 74.

11 Pagina 78.

12 Pagina 86.

13 Pagina’s 96 en 97.

14 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0900-2015127021, doorgenummerd 1 tot en met 36.

15 Pagina’s 17 en 18.

16 Pagina’s 20 en 21.

17 Pagina 30.

18 Pagina 32.

19 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2015047068, doorgenummerd 1 tot en met 46.

20 Pagina’s 25 en 26.

21 Pagina 29.

22 Pagina 35.

23 De verklaring van verdachte zoals blijkt uit het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 augustus 2015.