Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6931

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
C/16/398651 / JE RK 15-1530
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vaststellen wijziging verdeling zorg- en opvoedtaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Zittingsplaats: Utrecht

zaakgegevens : C/16/398651 / JE RK 15-1530

datum uitspraak: 22 september 2015

beschikking wijzigen verdeling zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

de Gecertificeerde Instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI,

gevestigd te Hilversum.

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [2001] te [geboorteplaats] , New York, hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [2004] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 12 augustus 2015, ingekomen bij de griffie op 17 augustus 2015,

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek van de moeder, ingekomen bij de griffie op

9 september 2015,

- de brief van 4 september 2015 van de zijde van de moeder met producties 12-14.

Op 8 september 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de minderjarige [minderjarige 1] , die apart is gehoord

- de moeder, bijgestaan door mr. J.F.M. van Weegberg,

- de vader, bijgestaan door mr. C.T.S. Vermeulen,

- mevrouw [A] , vertegenwoordigster van de GI,

- de heer [B] , vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van 16 augustus 2010 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld , Deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 16 november 2015.

De rechtbank heeft bij beschikking van 27 juli 2011 de volgende zorgregeling vastgesteld:

Week 1: De kinderen zijn iedere woensdag van 11.15 tot vrijdag 18.00 uur bij de moeder. De rest van de week zijn de kinderen bij de vader.

Week 2: De kinderen zijn van woensdag 11.15 uur tot maandagochtend bij de moeder. De rest van de week zijn de kinderen bij de vader.

Voorts worden de vakanties bij helfte verdeeld.

De voorgeschiedenis

De kinderrechter vindt het noodzakelijk de voorgeschiedenis op te nemen, omdat deze van belang is bij de beoordeling. De kinderrechter heeft hierbij voornamelijk geput uit het verzoekschrift (met bijlagen), dat op dit punt door partijen niet is bestreden.

Partijen zijn in 2005 uit elkaar gegaan wat gepaard is gegaan met fors huiselijk geweld. Beide partijen wezen elkaar aan als agressor. Direct na het uiteengaan van partijen is de moeder opgenomen geweest met een psychose. In 2006 is zij door de GGZ volledig hersteld verklaard.

Van 2005 tot 2007 is [minderjarige 1] onder behandeling geweest bij drs. [C] , van de psychologenpraktijk voor leer- en gedragsadviezen. Er zijn zorgen over zijn ontwikkeling omdat hij getuige is geweest van het huiselijk geweld en vanwege de aanhouden conflicten tussen de ouders.

Bij voorlopige voorzieningen is in 2005 de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader bepaald. Er is een omgangsregeling met de moeder vastgesteld. Voor de uitvoering daarvan is in 2007 en 2008 het omgangshuis ingeschakeld, omdat de vader anders niet wilde meewerken.

In 2009 wordt de psychologenpraktijk voor leer- en gedragsadviezen opnieuw ingeschakeld, nu ook voor [minderjarige 2] en de beide ouders. De praktijk blijft betrokken tot 2012.

In 2010 wordt op verzoek van de moeder door de rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld voor de duur van de mediation tussen partijen. Deze regeling is gelijk aan de regeling die definitief is vastgesteld op 27 juli 2011 en waarvan nu wijziging wordt gevraagd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat een wijziging van die zorgregeling de spanning bij de kinderen niet zal wegnemen, omdat deze spanning ontstaat door de houding van partijen jegens elkaar. Het is aan partijen om samen met de gezinsvoogd mogelijkheden te zoeken om de spanning bij de kinderen weg te nemen.

Op 16 augustus 2010 is de ondertoezichtstelling uitgesproken. De aanleiding daarvoor was de AMK-melding door o.a. de politie en de school van de kinderen over de ruzies van ouders op het schoolplein bij de overdracht van de kinderen.

Bij aanvang van de ondertoezichtstelling zijn er grote zorgen over de kinderen. De psychologenpraktijk meldt dat de kinderen klem zitten met hun loyaliteitsgevoelens; ze zijn vaak getuige van de openlijke strijd tussen de ouders en zijn hierdoor zeer kwetsbaar geworden. Het lukt de psychologenpraktijk niet om ouders hiermee te laten ophouden.

In 2012 wordt de ondersteuning door de psychologenpraktijk zonder resultaat afgesloten.

Er wordt dan een tweede gezinsvoogd aangesteld; één voor de kinderen en één voor de ouders. De laatste voert gesprekken met de ouders om hen te leren positief samen te werken. Na anderhalf jaar worden deze gespreken gestaakt omdat ze geen resultaat opleveren. In die periode zijn drie schriftelijke aanwijzingen gegeven die betrekking hadden op de steeds terugkerende ruzies in het bijzijn van de kinderen.

In 2013 wordt bij beide ouders opvoedingsondersteuning vanuit Youké ingezet. Na de observatieperiode wordt geconcludeerd dat het bij beide ouders voldoende veilig is, maar dat er bij beiden aandachtspunten in de opvoeding zijn waaraan gewerkt moet worden. Youké constateert dat ouders vooral bezig zijn met het doen en laten van de andere ouder en dat het hen niet lukt zich te focussen op hun eigen opvoedingssituatie.

Moeder volgt vrijwillig een Triple P-opvoedingscursus; vader niet.

In 2015 worden tegelijktijdig de modules ‘Veilig Vooruit’ en ‘Kinderen uit de Knel’ gestart bij Youké. In de module Veilig Vooruit zijn de netwerken van beide ouders intensief betrokken geweest. Dit heeft niet geresulteerd in een gezamenlijk veiligheidsplan en Veilig Vooruit is zonder resultaat afgesloten. Op 16 juli 2015 heeft een adviesgesprek plaatsgevonden als afsluiting van Kinderen uit de Knel. Geadviseerd wordt:

  1. Met ouders voorlopig niet inzetten op gezamenlijke gesprekken en samenwerking maar werken aan zogeheten ‘solo ouderschap’. Er werd gesproken over een virtuele muur tussen de ouders. Geen bemoeienis van ouders met wat er gebeurt in het andere huis.

  2. Steunende therapie voor de kinderen bij het overwinnen van de moeilijkheden die zij ontmoeten in het contact met de ouder waar zij verblijven.

  3. Zo nodig daarna: Ouder-kind therapie gericht op herstel van de relatie of band.

De verzoeken en de standpunten van partijen

De GI heeft verzocht de door de kinderrechter op 27 juli 2011 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen en de navolgende regeling vast te stellen:

De minderjarigen verblijven bij de vader. In de oneven weken verblijven de minderjarigen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de moeder.

De vakanties worden bij helfte verdeeld,

  • -

    in de even jaren voorjaarsvakantie, tweede week meivakantie, laatste drie weken zomervakantie en de week van kerst bij de moeder;
    eerste week van de meivakantie, de eerste drie weken van de zomervakantie, herfstvakantie en de week van oud en nieuw bij de vader,

  • -

    in de oneven jaren andersom.

De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat sinds het uitspreken van de ondertoezichtstelling alle hulp erop gericht is geweest om de communicatie tussen de ouders te verbeteren en de strijd en het onderling wantrouwen te verminderen, zonder dat dit tot verbetering heeft geleid. Hierdoor komen de kinderen niet toe aan hun eigen ontwikkeling en blijven zij voortdurend bezig met de problematiek van hun ouders. [minderjarige 1] wordt steeds onzekerder, minder weerbaar en stiller. Hij trekt zich terug en zijn schoolprestaties zijn verminderd. [minderjarige 2] heeft veel huilbuien, is snel van slag en kan zich niet concentreren op school. Ondanks de ingezette hulpverlening zijn de kinderen zich in toenemende mate gaan afzetten tegen moeder. De kinderen, met name [minderjarige 2] , hebben zich aangeleerd om vader te bellen als zij stress en spanning ervaren bij moeder. Vader heeft op dat soort momenten meermalen de politie gebeld omdat hij grote zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen als ze bij moeder zijn. Het netwerk van moeder is ingezet om de situatie bij moeder te observeren. Hieruit komt naar voren dat de kinderen bij hun moeder doorgaans ontspannen zijn en het goed naar hun zin hebben. Deze observaties hebben vader niet overtuigd.

De kinderen komen in de puberteit en zij moeten zich kunnen afzetten tegen de ouder die hen opvoedt en zich niet voortdurend in moeten houden omdat de ouders het zo moeilijk hebben met elkaar. Het zou stress-verminderend werken als één van de twee ouders de hoofdverantwoordelijke wordt en de kinderen daar het merendeel van de tijd verblijven.

De ouders hebben ieder een andere opvoedingsstijl met ieder hun eigen verbeterpunten, die beide maatschappelijk aanvaardbaar zijn. In de keuze welke ouder de verantwoordelijkheid moet krijgen voor de dagelijkse opvoedsituatie, heeft de GI mede gekeken naar het verleden, waarin de kinderen merendeels door de vader zijn opgevoed. Daarnaast hebben de kinderen te kennen gegeven dat zij bij hun vader willen opgroeien.

De vader is het eens met het verzoek van de GI.

[minderjarige 1] heeft gezegd achter het verzoek van de GI te staan.

De moeder voert verweer. Zij voert aan dat er geen reden is om de zorgregeling te wijzigen op het moment dat ouders zich aan een aantal voorwaarden houden, te weten

  • -

    een vaste vakantieregeling

  • -

    ouders ondersteunen de kinderen in hun eigen activiteiten

  • -

    ouders maken geen ruzie op het schoolplein

  • -

    de vader belt [minderjarige 2] niet als die bij de moeder is

  • -

    de kinderen bellen de vader niet als zij bij de moeder zijn, alleen tijdens vakanties

  • -

    de vader laat aan de kinderen blijken dat hij het goed vindt dat ze bij hun moeder zijn

  • -

    ouders spreken niet over elkaar in het bijzijn van de kinderen

  • -

    ouders communiceren op respectvolle wijze met elkaar via de e-mail

  • -

    ouders volgen ouderbegeleiding en -bemiddeling en regelen hulp voor de kinderen

  • -

    ouders houden zich aan de aanwijzingen van de gezinsvoogd.

De moeder is wel akkoord met de door de GI verzochte vakantieregeling.

De moeder heeft (zakelijk weergegeven) verzocht:

  • -

    de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen,

  • -

    een zorgregeling vast te stelen waarbij de kinderen om en om een hele week bij een van de ouders verblijven met een wisselmoment op maandag of vrijdag en daaraan een dwangsom te verbinden of de vrouw te machtigen deze regeling met behulp van de sterke arm uit te voeren,

  • -

    te bepalen dat de man zijn onvoorwaardelijke medewerking zal verlenen aan alle in redelijkheid door de kinderrechter te bepalen zorg en opvoedingscontacten, begeleidingstrajecten, onderzoeken of anderszins op te leggen matregelen, zulks op verbeurte van een dwangsom.

De moeder legt daaraan ten grondslag dat het het meest in het belang van de kinderen is dat een 50/50-regeling wordt gehandhaafd, waarbij dan wel het aantal wisselmomenten wordt verminderd. Het hoofdverblijf van de kinderen moet bij haar worden bepaald, onder meer omdat zij - anders dan de vader - de zorgregeling wel zal uitvoeren.

De vader voert als verweer dat de moeder in haar verzoeken niet ontvankelijk is en subsidiair dat deze in het belang van de kinderen moeten worden afgewezen.

[minderjarige 1] heeft gezegd dat een regeling met een wisseling om de week beter zou zijn dan de huidige regeling, maar dat hij liever de door de GI voorgestelde regeling heeft.

De GI voert tegen het verzoek van moeder aan dat ook voor de door haar voorgestelde regeling een intensieve samenwerking tussen beide ouders vereist is en dat er geen zicht op is dat deze samenwerking tussen de ouders tot stand kan komen. De GI heeft er, gelet op de lange voorgeschiedenis, geen vertrouwen in dat ouders in staat zullen zijn de strijd te beëindigen. De kinderen zijn te uitgeput om nog langer om te kunnen gaan met de situatie.

De ontvankelijkheid van de moeder in haar zelfstandige verzoeken

het hoofdverblijf

De kinderrechter is van oordeel dat de moeder niet ontvankelijk is in haar zelfstandig verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats. Op grond van artikel 282 Rv moet een zelfstandig verzoek betrekking hebben op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. Het verzoek van de GI is gegrond op artikel 1:265g BW, waarin aan de GI de bevoegdheid is verleend om aan de kinderrechter wijziging of vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen. In lid 3 van dit artikel wordt verwezen naar artikel 1:253a, tweede lid, onder a. In artikel 1:253a tweede lid wordt onderscheid gemaakt tussen de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (geregeld onder a.) en de bepaling van de hoofdverblijfplaats (geregeld onder b.).

De kinderrechter is daarom van oordeel dat dit verschillende onderwerpen betreft, zodat in een procedure op grond van artikel 1:265g geen zelfstandig verzoek ten aanzien van het hoofdverblijf kan worden gedaan.

de zorgregeling

De kinderrechter kan op verzoek van de GI de tussen partijen geldende zorgregeling wijzigen voor zover dat in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is (art. 1:265g, eerste lid). Daarnaast kan de rechtbank op verzoek van een ouder de geldende zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (art. 1:253a jo. 1:377e BW).

De kinderrechter is van oordeel dat de moeder ontvankelijk is in haar zelfstandig verzoek ten aanzien van de zorgregeling aangezien dit hetzelfde onderwerp betreft als het oorspronkelijk verzoek en voortvloeit uit het verweer. Daaraan doet niet af dat de GI in een procedure op grond van artikel 1:253a BW geen belanghebbende zou zijn. De vader die in die procedure wel belanghebbende zou zijn, is in deze procedure ook als zodanig verschenen. De wijziging van omstandigheden bestaat daaruit dat de huidige zorgregeling niet langer uitvoerbaar is vanwege de vele conflicten rondom de wisselmomenten.

De beoordeling

De kinderrechter overweegt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al gedurende 10 jaar worden geconfronteerd met de niet-aflatende strijd tussen hun ouders. In die periode zijn verschillende vormen van vrijwillige en verplichte hulpverlening ingezet zonder dat dit tot enige verbetering heeft geleid. Integendeel: uit het door de moeder overgelegde advies van [D] , psycholoog werkzaam als gedragskundige in de Jeugdzorg, blijkt dat de kinderen in 2006 zich nog normaal ontwikkelden en redelijk tot goed functioneerden. Niet in geschil is dat er inmiddels grote zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen. De ouders achten elkaar hiervoor verantwoordelijk. De GI heeft daarvoor echter geen aanwijzingen gevonden en de kinderrechter oordeelt met de GI dat de zorgen het gevolg zijn van het loyaliteitsconflict waarin de kinderen zich bevinden en de openlijke strijd waarmee zij geconfronteerd worden. De kinderrechter is daarom met de GI van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is om de zorgregeling te wijzigen. Alle andere instrumenten die zijn ingezet om de zorgregeling goed te laten verlopen hebben immers gefaald. De kinderrechter is, anders dan de moeder, van oordeel dat van de kinderen niet gevergd kan worden nog langer blootgesteld te worden aan pogingen de samenwerking tussen de ouders te verbeteren. Zoals door de Raad ter zitting naar voren is gebracht, komt er in een situatie van voortdurende strijd zoals tussen deze ouders, een moment dat de kinderen voor zichzelf kiezen en daarmee noodzakelijkerwijs voor één ouder en tegen de andere. De kinderrechter is het met de GI eens dat dan de keuze van de kinderen gevolgd dient te worden, zonder dat daarmee een oordeel wordt gegeven over de opvoedvaardigheden van de ouders of de mate van verantwoordelijkheid voor de voortdurende strijd.

De door moeder voorgestelde regeling heeft als voordeel dat er minder wisselmomenten zijn, waardoor wellicht minder vaak conflicten ontstaan. De samenwerking tussen partijen is echter op dit moment absoluut onvoldoende om de door de moeder voorgestelde regeling uit te voeren. De voorwaarden die daaraan zouden moeten worden verbonden, zijn niet nieuw voor partijen. Partijen is al vaker voorgehouden dat zij zich daaraan dienen te houden, ook door het geven van schriftelijke aanwijzingen door de GI. Tot op heden zijn partijen er niet in geslaagd zich aan die voorwaarden te houden en de kinderrechter heeft er geen vertrouwen in dat dit op afzienbare termijn anders zal zijn. Zoals hierboven al overwogen is de kinderrechter van oordeel dat van de kinderen niet gevergd kan worden nog langer blootgesteld te worden aan pogingen de samenwerking tussen de ouders te verbeteren.

Dat leidt ertoe dat het verzoek van de GI wordt toegewezen met dien verstande dat niet wordt toegewezen het verzoek te bepalen dat de kinderen bij de vader verblijven. De GI is niet bevoegd een verzoek met betrekking tot het hoofdverblijf te doen, terwijl bovendien het hoofdverblijf van de kinderen al eerder bij de vader is bepaald.

Het verzoek van de moeder wordt afgewezen.

De kinderrechter gaat er daarbij van uit dat partijen en de kinderen door de GI ondersteund zullen worden bij het vormgeven van de nieuwe verhoudingen die de gewijzigde zorgregeling met zich brengt.

De beslissing

De kinderrechter:

wijzigt de zorgregeling en bepaalt deze als volgt:

in de oneven weken verblijven de minderjarigen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de moeder;

de vakanties worden bij helfte verdeeld,

  • -

    in de even jaren voorjaarsvakantie, tweede week meivakantie, laatste drie weken zomervakantie en de week van kerst bij de moeder;
    eerste week van de meivakantie, de eerste drie weken van de zomervakantie, herfstvakantie en de week van oud en nieuw bij de vader;

  • -

    in de oneven jaren andersom;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout kinderrechter, in tegenwoordigheid van

P.J. van der Linden als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden