Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6872

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
C/16/287588 / HA ZA 10-1259
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure over verschuldigdheid commissie voor toegang tot Libanese markt. Wijze van beëindiging overeenkomst naar Libanees recht. Overeenkomst (stilzwijgend) beëindigd door geen toegang te verschaffen tot markt. Geen recht op commissie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/287588 / HA ZA 10-1259

Vonnis van 30 september 2015

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Republiek Libanon,

eiseres,

advocaat: mr. E. Hennis te Hoofddorp,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KONINKLIJKE VIV BUISMAN B.V.,

gevestigd te Vreeland ,

gedaagde,

advocaat: mr. Ch.E.F.M. Gielen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en VIV genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 december 2013;

  • -

    het Franstalige deskundigenbericht van de heer dr. M. Boustani en de Nederlandstalige vertaling daarvan;

  • -

    het deskundigenbericht van het Internationaal Juridisch Instituut (I.J.I) van 27 maart 2015;

  • -

    de akte na deskundigenbericht, tevens vermeerdering van eis van de zijde van [eiseres] van 29 april 2015;

  • -

    de antwoordakte na deskundigenbericht, tevens houdende verzet tegen de vermeerdering van eis van de zijde van VIV van 5 augustus 2015.

1.2.

[eiseres] is in de gelegenheid gesteld zich overeenkomstig artikel 2.11 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken uit te laten over de bij de antwoordakte van VIV overgelegde producties. Zij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt en heeft vonnis gevraagd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Aanvullende feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 11 december 2013 de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd aan het I.J.I te Den Haag:

  1. Hoe wordt naar Libanees recht de inhoud van de overeenkomst vastgesteld?

  2. Hoe worden naar Libanees recht (op schrift gestelde) afspraken uitgelegd?

  3. Op welke wijze(n) kan naar Libanees recht een overeenkomst tot een einde komen?

  4. Aangenomen dat [eiseres] na het eerste kwartaal van 2006 geen inspanningen heeft verricht, kan dat gegeven naar Libanees recht in de weg staan aan de betalingsverplichting van VIV ?

2.2.

Het I.J.I. heeft voor de beantwoording van de hiervoor vermelde vragen de in Libanon woonachtige heer dr. M. Boustani (hierna: Boustani ) in de arm genomen. De heer Boustani heeft een Franstalige rapportage ingediend bij het I.J.I. Deze rapportage is vertaald naar het Nederlands en (in beide talen) aan partijen en de rechtbank toegezonden.

2.3.

Het I.J.I. heeft in zijn rapport van 27 maart 2015 ter toelichting het volgende geschreven:

“(…)

Bijgaand treft u aan ons advies in bovenstaande zaak. Zoals reeds in voorgaande correspondentie naar voren is gekomen, heeft onze correspondent, de heer Boustani , anders geadviseerd dan met hem was afgesproken. Ook gezien de reactie van partijen op zijn advies, sluit een en ander niet aan bij de verwachtingen die ten aanzien van het advies golden. Op onze herhaaldelijke verzoeken tot aanvulling van zijn advies geeft de heer Boustani geen thuis.

Gezien deze gang van zaken, heeft het IJI gemeend het advies van de heer Boustani aan te moeten vullen met onze eigen bevindingen.

Wij hebben op basis van een eigen bronnenonderzoek een en ander zo goed mogelijk proberen aan te vullen. Zoals wij in het advies ook hebben toegelicht, dient daarbij echter wel de kanttekening worden gemaakt dat het IJI beperkte toegang heeft tot bronnen van Libanees recht.

(…)”

2.4.

Het I.J.I. vermeldt in zijn rapport onder meer dat de belangrijkste rechtsbron voor het Libanees verbintenissenrecht de Code Libanais des Obligations et des Contrats (hierna: COC) is. Deze wet betreft een codificatie van de Franse Code Civil. Verder wijst hij erop dat voor het handelsrecht de Code de Commerce van belang is, dat in het Libanese verbintenissenrecht geen aansluiting wordt gezocht met islamitisch recht en dat een rechtstraditie bestaat die zich richt naar het Franse recht.

3 De verdere beoordeling

3.1.

[eiseres] heeft bij akte van 29 april 2015 haar eis vermeerderd. Na deze vermeerdering vordert zij – samengevat – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van VIV tot:

I. betaling van € 46.933,34, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 17 mei 2010;

II. betaling van 2% over alle overige verkoopopbrengsten van door VIV in Libanon verkochte ghee-producten onder de naam Cow Brand in 2007 en 2009, alsmede de jaren daarna, tot het tijdstip dat de overeenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 17 mei 2010, althans vanaf 29 april 2015;

III. het verschaffen van inzage in de volledige boekhouding van VIV over de jaren 2007 en 2009, alsmede de jaren daarna, tot het tijdstip dat de overeenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd, omtrent de export door VIV van Cow Brand ghee-producten naar Libanon;

IV. het verschaffen van inzage in de volledige boekhouding van VIV over de periode 28 januari 2008 tot en met het tijdstip dat de overeenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd, omtrent de export door VIV van Gold Medal ghee-producten naar Libanon;

V. betaling van € 5.291,98 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

dit alles met veroordeling van VIV in de proceskosten.

3.2.

Naar de rechtbank de stellingen van [eiseres] begrijpt legt zij aan haar gewijzigde eis het volgende ten grondslag. Partijen hebben een overeenkomst gesloten die niet is beëindigd. Op grond van deze overeenkomst tussen partijen is VIV twee procent commissie verschuldigd over de verkoopopbrengsten die VIV in Libanon genereerde en genereert met de verkoop van onder andere het merk Cow Brand . De verschuldigdheid van een bedrag van € 46.933,34 over het jaar 2008 blijkt volgens [eiseres] uit een factuur van 31 december 2008 (productie 11 bij dagvaarding, waarover in het tussenvonnis van 7 september 2011 onder 2.23 per abuis tweemaal een bedrag van € 16.933,34 staat vermeld in plaats van € 46.933,34; rechtbank). Deze factuur heeft [eiseres] naar eigen zeggen vanuit het niets van VIV ontvangen en hieruit blijkt volgens [eiseres] dat VIV onder de naam Cow Brand , dan wel Gold Medal , ghee is blijven leveren aan haar klanten zonder afdracht van commissie aan [eiseres] . Verder is VIV volgens [eiseres] commissie verschuldigd voor in de jaren 2007 en 2009 tot en met – in ieder geval – heden in Libanon op de markt gebrachte ghee-producten. [eiseres] wenst in dat kader inzage te verkrijgen in de boekhouding van VIV omtrent de verkoop van deze Cow Brand -producten. Verder is VIV volgens [eiseres] gehouden tot het verschaffen van inzage in haar boekhouding omtrent ghee-producten die VIV onder het merk Gold Medal in Libanon op de markt heeft gebracht in de periode na 28 januari 2008.

3.3.

VIV verzet zich tegen de vermeerdering van eis en voert verweer tegen de stellingen van [eiseres] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. Bij de beoordeling zal de rechtbank op de inhoud van het rapport van het I.J.I. terugkomen op de punten waar dit relevant is voor de beoordeling.

Vermeerdering van eis

3.5.

Aan een beoordeling van de gegrondheid van het verzet van VIV tegen de vermeerdering van eis wordt niet toegekomen gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.

Vorderingen onder II en III

3.6.

Het meest verstrekkende verweer van VIV is dat zij geen commissie verschuldigd is voor de jaren na 2006 omdat [eiseres] na 2006 de overeenkomst tussen partijen niet langer nakwam. Volgens VIV heeft [eiseres] in de jaren na 2006 de markt in Libanon niet conform de tussen partijen gesloten overeenkomst opengesteld voor VIV en ook heeft [eiseres] geen klanten aangebracht. Gelet hierop heeft volgens VIV naar Libanees recht te gelden dat de overeenkomst als (stilzwijgend) beëindigd dient te worden beschouwd omdat de oorzaak of het doel van de overeenkomst daaraan is komen te ontvallen. Daarom rust er op VIV naar eigen zeggen geen verplichting tot het betalen van commissie als tegenprestatie voor de jaren na 2006.

3.7.

Met betrekking tot de door VIV gestelde en door [eiseres] betwiste beëindiging van de overeenkomst tussen partijen wordt het volgende overwogen.

3.8.

In haar akte na deskundigenbericht stelt [eiseres] zich op het standpunt dat een betalingsverplichting van VIV niet afhankelijk is van de inspanningen die [eiseres] pleegt, buiten het toegang geven tot de Libanese markt en tot haar relaties, “onder de voorwaarde dat VIV gebruik maakt van haar handelsmerk Cow Brand ”. Volgens [eiseres] brengt het deskundigenbericht mee dat VIV dient te bewijzen dat is overeengekomen dat de verschuldigdheid afhankelijk is gesteld van de inspanningen van [eiseres] en dat VIV dient te bewijzen welke inspanningen dit zijn.

3.9.

VIV heeft in haar akte na deskundigenbericht verwezen naar een in haar opdracht opgestelde opinie van een in het contractenrecht gespecialiseerde advocaat in Beiroet, [A] (hierna: [A] ). Met name wijst VIV erop dat zowel [A] als Boustani van mening is dat naar Libanees recht een overeenkomst kan eindigen indien het doel of de oorzaak (causa) van de overeenkomst ophoudt te bestaan. Dit is volgens VIV van belang omdat zij van mening is dat [eiseres] de op haar rustende verplichtingen, waaronder die om voor VIV actief te zijn op de Libanese markt en deze open te stellen, niet is nagekomen. Zonder nakoming door [eiseres] van deze verplichting, zo voert VIV onweersproken aan, bestaat er voor VIV geen verplichting tot betaling van commissie.

3.10.

[eiseres] kan niet worden gevolgd waar zij in haar akte na deskundigenbericht enerzijds stelt dat een betalingsverplichting van VIV niet afhankelijk is van de inspanningen die [eiseres] pleegt, terwijl zij – zoals VIV op dit punt terecht aanvoert – anderzijds in diezelfde akte stelt dat de commissie heeft te gelden als tegenprestatie voor openstelling van de Libanese markt en het ter beschikking stellen en onderhouden van contacten en relaties (akte na deskundigenbericht van [eiseres] onder 10). Verder heeft [eiseres] ter comparitie (zie proces-verbaal onder 2) zelf verklaard dat de overeengekomen vergoeding betrekking heeft op de prestaties die [eiseres] diende te leveren, te weten het openstellen van de Libanese markt, het aanbrengen van klanten en voor een licentie voor het merk Cow Brand (welke licentie door VIV uitdrukkelijk wordt weersproken). De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 7 september 2011 (onder 4.8) overwogen dat de vergoeding die VIV diende te betalen tegenover de prestatie van [eiseres] staat om de markt in Libanon open te stellen en Libanese klanten te benaderen. Omdat [eiseres] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit het tegendeel van het voorgaande voortvloeit, is haar stelling onhoudbaar. VIV behoeft daarom op dit punt niets te bewijzen. Dit voorgaande is van belang omdat de oorzaak of het doel van de overeenkomst daaraan volgens VIV is komen te ontvallen doordat [eiseres] in de jaren na 2006 de markt in Libanon niet heeft opengesteld voor VIV en ook geen klanten heeft aangebracht, zodat de hier in beginsel tegenoverstaande verplichting voor haar eveneens is komen te vervallen, zo voert VIV verder aan.

3.11.

De door het I.J.I. in de arm genomen deskundige op het gebied van Libanees recht Boestani heeft op de derde vraag van de rechtbank (op welke wijze naar Libanees recht een overeenkomst tot een einde kan komen) geantwoord dat dit – onder meer en voor zover hier relevant – kan door het verdwijnen van het voorwerp van de overeenkomst (“Par la disparition de l’objet du contrat”). Hij schrijft verder:

“(…)

Bedoelde overeenkomst, die sinds 2006 geen enkele werking heeft gehad, is kennelijk beëindigd door de stilzwijgende gemeenschappelijke wil van de betroffen partijen. Geen rechtsbeginsel kan rechtvaardigen dat een overeenkomstsluitende partij verplicht is om tot in het oneindige gebonden te blijven door een overeenkomst met onbepaalde tijd, vooral wanneer het onderwerp daarvan is verdwenen, wegens het staken van iedere activiteit tussen de beide partijen en zulks gedurende een uitermate lange termijn. Bovendien is het evident dat niemand kan beweren dat hij recht heeft op provisie voor een werk dat niet is uitgevoerd!!! De oorzaak van de verplichting is totaal afwezig.

(…)”

3.12.

Dit standpunt van Boestani wordt onderschreven door de door VIV in de arm genomen Libanese advocaat [A] . Hij schrijft – onder andere – het volgende:

“(…)

Article 195 of the COC (Code Libanais des Obligations et des Contrats; rechtbank) states the following:

“The cause of an obligation lies in the direct and invariable motive which is an integral part of the contract, namely, in bilateral contracts, the corresponding obligation: in real contracts the execution of performance, and will to donate in charity contracts. As for unilateral contracts for consideration, the pre-existing civil or natural obligation.”

Article 196 of the COC states the following:

“An obligation without cause or the cause of which is erroneous or illegal is non-existent and produces as a consequence the non-existence of the contract to which it was to be linked; what has been paid may be recovered.”

Therefore, in counterpart of the paid commission, [eiseres] shall have to perform its obligations. Otherwise, the counter obligation to pay commission and as a consequence the whole contract will be considered as non-existing.

(…)

Obligations réciproques. Dans un contrat synallagmatique, une partie s'engage parce que l’autre partie est elle aussi tenue, en vertu du même contrat, d’une obligation envers la première. En effet, dans un tel contrat, chacune des parties au contrat est créancière et débitrice de l’autre partie. Par conséquent, la cause de l'obligation d'une partie au contrat se trouve dans la satisfaction qui doit lui être procurée par l'autre partie, c‘est-à-dire qu’en fin de compte, la cause de l’obligation d’une partie réside dans l'objet de l’obligation de l’autre partie, plus précisément dans l’existence et l’exécution de son obligation par l’autre partie. (met verwijzing naar Moustapha El Awji, Civil Law, Part I, The Contract, Al Halabi, p. 325; rechtbank)

(…)”

3.13.

Het I.J.I. verwijst naar het rapport van Boustani , maar gaat niet in op de beëindiging van een overeenkomst indien het voorwerp (la cause) van de overeenkomst daaraan is komen te ontvallen. Wel stelt het I.J.I. zich op het standpunt dat de door hem geraadpleegde literatuur afwijkt van het advies van Boustani waar het de beëindiging van overeenkomsten betreft. Uit deze literatuur en de artikelen 233 en 245 COC blijkt volgens het I.J.I. – onder meer en voor zover hier van belang – dat eenzijdige opzegging van een overeenkomst naar Libanees recht niet mogelijk is en dat beëindiging slechts kan plaatsvinden indien partijen dat gezamenlijk doen.

3.14.

Daar waar Boustani en [A] op grond van de Libanese wet en literatuur aanvoeren dat naar Libanees recht een overeenkomst kan eindigen indien de oorzaak of het doel (la cause) daaraan komt te ontvallen en het I.J.I. en [eiseres] niet ingaan op deze wijze van beëindiging van een overeenkomst – en deze daarmee ook niet uitsluit – gaat de rechtbank ervan uit dat de door Boustani en [A] genoemde beëindigingswijze mogelijk is.

3.15.

Voorgaande brengt mee dat de overeenkomst tussen partijen als (stilzwijgend) beëindigd moet worden beschouwd indien komt vast te staan dat [eiseres] niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen uit de overeenkomst met betrekking tot Cow Brand . Indien deze beëindiging komt vast te staan rust, zo volgt uit hetgeen Boustani en [A] hebben aangevoerd, op VIV niet (langer) een verplichting tot betaling van commissie aan [eiseres] .

3.16.

[eiseres] heeft, in reactie op het verweer van VIV dat [eiseres] vanaf 2006 niet aan de op haar rustende verplichtingen heeft voldaan, niet uitdrukkelijk gesteld dat dit wel het geval is geweest. Evenmin heeft zij concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zij vanaf 2006 de Libanese markt voor VIV heeft opengesteld, dan wel klanten heeft aangebracht. Veeleer blijkt het tegendeel waar het de openstelling van de Libanese markt betreft. [eiseres] heeft immers in de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank in Beiroet, welke procedure is aangevangen door het uitbrengen van een dagvaarding op 16 oktober 2004, onder andere gevorderd dat het VIV zou worden verboden producten in te voeren in Libanon met de omschrijving Al Bacchara al Haloub in Arabische letters en Cow Brand in Latijnse letters. Deze vordering is door de rechtbank toegewezen en die uitspraak is door het hof bekrachtigd. Hierdoor was van openstelling van de Libanese markt door [eiseres] voor VIV niet langer sprake. Dat [eiseres] vanaf 2006 geen uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst, zoals VIV stelt, lijkt ook te kunnen worden opgemaakt uit de opmerking van [eiseres] dat VIV haar niet kan verwijten dat [eiseres] vanaf 2006 geen inspanningen heeft verricht omdat VIV haar betalingsverplichtingen volgens [eiseres] niet (meer) nakwam en dat VIV voorts in strijd met de overeenkomst op eigen houtje de Libanese markt opging (akte na deskundigenbericht onder 14). Omdat is komen vast te staan dat [eiseres] vanaf 2006 niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen jegens VIV , partijen over en weer niet langer uitvoering hebben gegeven aan de tussen hen bestaande overeenkomst en deze daardoor als (stilzwijgend) beëindigd dient te worden beschouwd, kan [eiseres] – op basis van het toepasselijke Libanese recht – geen nakoming vorderen van de voor VIV tegenover de verplichtingen van [eiseres] staande verplichting tot betaling van commissie. De vordering onder II, alsmede de in dat verband onder III gevorderde inzage in de boekhouding van VIV , zullen daarom worden afgewezen.

Vordering onder IV met betrekking tot ghee-producten van het merk Gold Medal

3.17.

[eiseres] legt aan haar vordering tot inzage in de boekhouding van VIV , met betrekking tot de export van Gold Medal ghee-producten naar Libanon vanaf 28 januari 2008, het volgende ten grondslag. VIV trachtte volgens [eiseres] onder de betaling van commissie uit te komen door producten naar Libanon te exporteren onder het merk Gold Medal . De rechter in Libanon heeft VIV verboden producten met het merk Gold Medal in te voeren in Libanon, terwijl [eiseres] op grond van de overeenkomst recht heeft op twee procent commissie met betrekking tot deze verkopen, zodat [eiseres] er naar eigen zeggen belang bij heeft inzage te krijgen in de boekhouding om te bezien welke hoeveelheden ghee-producten VIV onder het merk Gold Medal heeft geëxporteerd naar Libanon.

3.18.

Tussen [eiseres] en VIV is geprocedeerd over de door VIV gehanteerde merknaam Gold Medal voor ghee-producten. In hoger beroep heeft het hof op 3 mei 2011 de uitspraak van de rechtbank te Beiroet van 6 mei 2009 (zie ook het tussenvonnis van 7 september 2011 onder 2.25) bekrachtigd. Deze procedure betrof het door VIV gebruikte merk Gold Medal Al Bacchara al Haloub, waarvan de rechter in Libanon vaststelde dat dit gebruik inbreuk maakte op de registratie door [eiseres] van het merk Cow Brand (met bijschrift in het Arabisch: Al Bacchara al Haloub).

3.19.

In het tussenvonnis van 7 september 2011 is vastgesteld dat VIV ghee produceert en verpakte in blikjes met een etiket waarop de naam Cow Brand stond in Latijnse letters en in het Arabisch Al Bacchara al Haloub. Verder is vastgesteld dat in 1995 de Latijnse naam is gewijzigd in Gold Medal , terwijl de Arabische naam tot in 2010 Al Bacchara al Haloub is gebleven. In afwijking van het voorgaande heeft VIV bij antwoordakte na deskundigenbericht van 5 augustus 2015 aangevoerd dat zij het merk Gold Medal Al Bacchara al Haloub tot 2008 heeft gebruikt. Vanaf 2008 heeft zij naar eigen zeggen het merk Gold Medal Al Midaliya al Dhahabia gebruikt totdat [eiseres] producten met dit merk in beslag liet nemen. Verder heeft VIV gesteld dat zij na 2011 hoofdzakelijk het merk Gold Plate heeft gebruikt. Met dit merk heeft [eiseres] niets van doen, aldus VIV .

3.20.

De juistheid van de hiervoor vermelde data met betrekking tot het gebruik door VIV van de verschillende Latijnse en Arabische namen voor ghee-producten, behoeft geen bespreking vanwege hetgeen hiervoor onder 3.16 met betrekking tot de openstelling van de Libanese markt door [eiseres] en de beëindiging van de overeenkomst tussen partijen. VIV behoeft daarom geen inzage te verschaffen in haar boekhouding. Dit deel van het gevorderde zal vanwege het voorgaande eveneens worden afgewezen.

Vordering onder I tot betaling van € 46.933,34

3.21.

[eiseres] stelt dat VIV een bedrag van € 46.933,34 verschuldigd is, hetgeen volgens haar blijkt uit een factuur van VIV van 31 december 2008 (productie 11 bij dagvaarding). Deze factuur heeft [eiseres] naar eigen zeggen vanuit het niets van VIV ontvangen en hieruit blijkt volgens [eiseres] dat VIV onder de naam Cow Brand , dan wel Gold Medal ghee is blijven leveren aan haar klanten zonder afdracht van commissie aan [eiseres] .

3.22.

Dit deel van het gevorderde zal worden afgewezen. Hiertoe is het volgende redengevend. Voor zover de stellingen van [eiseres] ten aanzien van de verschuldigdheid van commissie over de jaren 2007, 2009 en de jaren daarna tevens opgeld doen voor het jaar 2008, dient dit deel van haar vordering te worden afgewezen op grond van hetgeen hiervoor onder 3.16 is overwogen ten aanzien van de beëindiging van de overeenkomst in 2006 en de gevolgen daarvan voor de verschuldigdheid van commissie voor de jaren na 2006. In reactie op het verweer van VIV dat zij de factuur van 31 december 2008 (productie 11 bij dagvaarding) ten onrechte heeft opgesteld, per ongeluk aan [eiseres] heeft verstuurd, VIV zelfstandig de transacties in Libanon in dat jaar tot stand heeft gebracht en de in de factuur vermelde vergoeding nergens op is gebaseerd, heeft [eiseres] geen nadere onderbouwing gegeven ten aanzien van dit deel van haar vordering. Gelet op het feit dat [eiseres] niet aan de op haar rustende verplichtingen heeft voldaan en gelet op de (stilzwijgende) beëindiging van de overeenkomst tussen partijen, lag het op de weg van [eiseres] om een nadere onderbouwing te geven op dit punt, hetgeen zij heeft nagelaten. Het voorgaande brengt mee dat als gevolg van het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing niet is komen vast te staan dat VIV het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 46.933,34 verschuldigd is. Dit deel van de vordergingen zal daarom worden afgewezen.

Overige

3.23.

Omdat de hoofdvorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen, is de nevenvorderingen ten aanzien van wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten eenzelfde lot beschoren.

3.24.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van VIV worden begroot op € 12.691,00, bestaande uit € 4.951,00 aan griffierecht en € 7.740,00 (3,0 punten × tarief € 2.580,00) aan salaris advocaat.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van VIV tot op heden begroot op € 12.691,00,

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, bijgestaan door mr. C.T. Hemmink als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2015.1

1 type: CTH/4065 coll: JvdB/4223