Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6849

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
C/16/385720 / HA ZA 15-150
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid (Beklamelnorm). Geen ernstig verwijt, ook niet als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de bestuurder wist of moest begrijpen dat de vennootschap failliet zou gaan. Causaal verband ontbreekt ook.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2009
OR-Updates.nl 2015-0359
INS-Updates.nl 2015-0344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/385720 / HA ZA 15-150

Vonnis van 14 oktober 2015

in de zaak van

de stichting

STICHTING BEWAARDER HGF III,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. B.S. Friedberg te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.V. de Lauwere te Hilversum.

Partijen zullen hierna HGF III en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 april 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 31 augustus 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is statutair bestuurder van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), welke vennootschap op haar beurt statutair bestuurder is geweest van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) en van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ).

2.2.

HGF III verhuurde een bedrijfsruimte aan [bedrijf 3] , gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats] (hierna: de bedrijfsruimte). Ook [bedrijf 2] exploiteerde vanuit de bedrijfsruimte haar onderneming. Gedurende een lange periode heeft [bedrijf 3] de huur niet betaald waardoor een betalingsachterstand van

€ 647.336,22 is ontstaan (hierna: de huurachterstand van [bedrijf 3] ).

2.3.

Namens [bedrijf 2] heeft [gedaagde] in 2013 met HGF III onderhandeld over een door [bedrijf 2] met HGF III te sluiten huurovereenkomst met een huurprijs van € 10.000 per maand. Een huurovereenkomst tussen [bedrijf 2] en HGF III is echter niet tot stand gekomen.

2.4.

Hierna, in november/december 2013, heeft [gedaagde] namens [bedrijf 1] , [bedrijf 3] en [bedrijf 2] onderhandeld over een minnelijke regeling met betrekking tot de huurachterstand van [bedrijf 3] . Deze onderhandelingen zijn afgerond in december 2013 en hebben geleid tot een vaststellingsovereenkomst die op 23 januari 2014 door [gedaagde] is ondertekend (hierna: de vaststellingsovereenkomst). In de vaststellingsovereenkomst staat dat:

  1. [bedrijf 3] binnen 24 uur € 25.000 aan HGF III betaalt

  2. [bedrijf 3] binnen drie maanden na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst € 15.000 aan HGF III betaalt en dat [bedrijf 2] garant staat voor deze betaling

  3. [bedrijf 3] de bedrijfsruimte uiterlijk 21 januari 2014 aan HGF III oplevert

  4. [bedrijf 2] een bedrag van in totaal € 80.000 aan HGF III betaalt, te voldoen in 60 maandelijkse termijnen van € 1.436,06, met ingang van 1 februari 2014

  5. [bedrijf 1] binnen 30 dagen 20% van haar aandelen in [bedrijf 2] aan HGF III verpandt.

2.5.

[bedrijf 3] heeft tijdig € 25.000 en € 15.000 betaald aan HGF III en heeft de bedrijfsruimte op 21 januari 2014 opgeleverd. Daarmee heeft zij voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst.

2.6.

Omdat de activiteiten van [bedrijf 3] niet winstgevend waren heeft zij haar activiteiten gestaakt.

2.7.

Van 22 tot en met 24 januari 2014 heeft de Material Xperience-beurs plaatsgevonden (hierna: de beurs). Deze beurs werd jaarlijks door [bedrijf 2] georganiseerd en haar inkomsten bestonden met name uit bedragen die bedrijven betaalden om hun producten en diensten op de beurs te presenteren.

2.8.

Op 10 juni 2014 heeft [gedaagde] [bedrijf 4] opgericht (hierna: [bedrijf 4] ). Op 13 juni 2014 heeft [gedaagde] de activa van [bedrijf 2] laten taxeren.

2.9.

[bedrijf 2] heeft de eerste vijf van de 60 maandelijkse termijnen voldaan en heeft dus in totaal € 7.180,30 aan HGF III betaald.

2.10.

Eind juni 2014 heeft [gedaagde] namens [bedrijf 2] het faillissement van [bedrijf 2] aangevraagd. Op 1 juli 2014 is [bedrijf 2] failliet verklaard.

2.11.

De curator van [bedrijf 2] heeft de activa van [bedrijf 2] verkocht aan [bedrijf 4] , met welke vennootschap [gedaagde] een doorstart van [bedrijf 2] heeft gemaakt.

2.12.

[bedrijf 1] heeft niet voldaan aan haar verplichting tot verpanding van 20% van de aandelen in [bedrijf 2] .

2.13.

Bij brief van 17 december 2014 heeft HGF III [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt doordat [bedrijf 2] haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst niet nakomt en hem gesommeerd tot betaling van € 72.819,70, vermeerderd met kosten en rente. [gedaagde] heeft aan deze sommatie niet voldaan.

2.14.

Op 13 mei 2015 heeft HGF III conservatoir beslag gelegd op het aandeel van [gedaagde] in een woning.

3 Het geschil

3.1.

HGF III vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    tot betaling van € 72.819,70 (de hoofdsom), te vermeerderen met € 3.251,95 aan wettelijke handelsrente over de periode van 1 juli 2014 tot en met 16 januari 2015

  • -

    tot betaling van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 16 januari 2015 tot de voldoening

  • -

    tot betaling van € 1.503,95 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten

  • -

    tot vergoeding van de proceskosten van HGF III, waaronder de kosten van het conservatoir beslag ter hoogte van € 954,48, en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van dit vonnis.

3.2.

Aan haar vorderingen legt HGF III ten grondslag dat [gedaagde] bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst onrechtmatig jegens HGF III heeft gehandeld en dat hem daarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Zij betoogt dat [gedaagde] een vooropgezet plan heeft uitgevoerd. Volgens HGF III heeft [gedaagde] tijdens de onderhandelingen die aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zijn voorafgegaan in strijd met de waarheid meegedeeld dat in [bedrijf 2] vermogensbestanddelen van waarde aanwezig waren en het heeft doen voorkomen alsof [bedrijf 2] een gezonde onderneming was die de verplichtingen kon nakomen. Door mee te delen dat [bedrijf 2] solvabel was en vervolgens namens [bedrijf 2] een betalingsregeling overeen te komen, terwijl [gedaagde] al bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst wist dat [bedrijf 2] failliet zou gaan en hij toen al van plan was om na het faillissement van [bedrijf 2] door te gaan met de exploitatie van dezelfde activiteiten in een nieuwe vennootschap ( [bedrijf 4] ), heeft [gedaagde] HGF III om de tuin geleid. Als HGF III had geweten dat [bedrijf 2] in een zodanig slechte financiële situatie verkeerde dat zij niet in staat zou zijn om de in de vaststellingsovereenkomst overeen te komen afbetalingsregeling na te komen, dan was zij geen afbetalingsregeling met [bedrijf 2] overeengekomen. In plaats daarvan zou zij conservatoir beslag hebben gelegd op vermogensbestanddelen van [bedrijf 2] , gevolgd door een kort geding, waarna zij tot verkoop van de beslagen vermogensbestanddelen zou zijn overgegaan.

Daarnaast betoogt HGF III dat [gedaagde] in ieder geval wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [bedrijf 2] niet aan haar verplichtingen op grond van de vaststellingsovereenkomst zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die HGF III als gevolg daarvan zou lijden.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van HGF III in de kosten van de procedure.

3.4.

Volgens [gedaagde] heeft hij niet onrechtmatig jegens HGF III gehandeld. Van een vooropgezet plan met de bedoeling om HGF III te benadelen is geen sprake geweest. Hij wist ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst dat [bedrijf 2] zich in een moeilijke financiële positie bevond, maar HGF III was daarvan ook op de hoogte. Ondanks de moeilijke financiële situatie van [bedrijf 2] wist [gedaagde] niet dat een faillissement van [bedrijf 2] onvermijdelijk was en behoorde hij dat ook niet redelijkerwijs te begrijpen. In elk geval ontbreekt het causaal verband tussen een eventuele onrechtmatige daad van [gedaagde] en de schade die HGF III stelt te lijden.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter zitting is namens HGF III erkend dat [gedaagde] haar heeft meegedeeld dat een huurcontract tussen [bedrijf 2] en HGF III met een huurprijs van € 10.000 per maand voor [bedrijf 2] niet haalbaar was en dat naar aanleiding daarvan de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst zijn gestart. Ook is ter zitting namens HGF III erkend dat zij in de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst op de hoogte was van de moeilijke financiële situatie van [bedrijf 2] . De stelling van HGF III dat [gedaagde] haar tijdens de onderhandelingen die aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zijn voorafgegaan heeft meegedeeld dat [bedrijf 2] solvabel was en heeft gesuggereerd dat [bedrijf 2] een gezonde onderneming was, mist dan ook iedere grond.

4.2.

Het betoog van HGF III dat [gedaagde] een vooropgezet plan heeft uitgevoerd en haar daarbij om de tuin heeft geleid en dat [gedaagde] bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in ieder geval wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [bedrijf 2] niet aan haar verplichtingen op grond van de vaststellingsovereenkomst zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, slaagt niet. De rechtbank licht dit hieronder toe.

4.3.

Naar aanleiding van de hem in 4.2 vermelde, door HGF III gemaakte verwijten voert [gedaagde] het volgende aan. [bedrijf 2] had de inkomsten van de beurs, die van 22 tot en met 24 januari 2014 plaatsvond, nodig om de rest van het jaar door te komen en die beurs was dan ook cruciaal. De omzet met betrekking tot de beurs is gegenereerd in de periode van het derde kwartaal 2013 tot en met het eerste kwartaal 2014. Op basis van gegevens van eerdere jaren had [gedaagde] gerekend op een beursomzet tussen

€ 350.000 en € 400.000. Eind 2013 werd het [gedaagde] duidelijk dat [bedrijf 2] die omzetprognose niet zou halen. Wel konden bedrijven nog tot de aanvang van de beurs intekenen. De omzet over het derde kwartaal 2013 tot en met het eerste kwartaal 2014 is uiteindelijk uitgekomen op ongeveer € 270.000. [gedaagde] heeft na de beurs geprobeerd extra financiële middelen binnen te halen door te gaan onderhandelen met een grote beursorganisator. Het was de bedoeling dat deze grote beursorganisator op korte termijn een aanzienlijke kapitaalinjectie in [bedrijf 2] zou doen. Half mei 2014 was het [gedaagde] duidelijk dat hij € 100.000 tot € 150.000 nodig had om [bedrijf 2] overeind te houden. Van zijn accountant heeft [gedaagde] gehoord dat het hem niet zou lukken om een financiering van een dergelijke omvang te krijgen. [gedaagde] heeft half mei 2014 advies ingewonnen bij een advocaat. Twee scenario’s zijn toen besproken: een kapitaalinjectie van de beoogde beurspartner uiterlijk 1 juli 2014 of een faillissement met een doorstart. Rekening houdend met de mogelijkheid dat er voor 1 juli 2014 geen overeenkomst met de grote beursorganisator tot stand zou komen heeft [gedaagde] al in juni 2014 voorbereidingen getroffen teneinde een eventuele doorstart na een faillissement van [bedrijf 2] mogelijk te kunnen maken (de oprichting van [bedrijf 4] en de taxatie van de activa van [bedrijf 2] ).

4.4.

HGF III heeft de in 4.3 genoemde stellingen van [bedrijf 2] niet weersproken zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid ervan. Gelet op de door [gedaagde] beschreven gang van zaken moet de stelling van HGF III, dat [gedaagde] al bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst van plan is geweest om [bedrijf 2] failliet te laten gaan, worden verworpen. Wel moet het [gedaagde] op 23 januari 2014 (de datum van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst) duidelijk zijn geweest dat [bedrijf 2] zonder financiering van een bank of een kapitaalinjectie van een branchegenoot voor het einde van het jaar 2014 failliet zou gaan. Niet gesteld of gebleken is echter dat het [gedaagde] al op 23 januari 2014 wist of heeft moeten begrijpen dat een bank [bedrijf 2] waarschijnlijk geen financiering zou verstrekken en ook niet dat hij toen al heeft moeten begrijpen dat eventuele inspanningen gericht op het verwerven van kapitaal van een branchegenoot een kleine kans van slagen hadden. Onder deze omstandigheden treft [gedaagde] geen ernstig verwijt van het namens [bedrijf 2] sluiten van de vaststellingsovereenkomst.

4.5.

Ook als er, veronderstellenderwijs, vanuit wordt gegaan dat [gedaagde] zich er wel bewust van is geweest dan wel behoorde te zijn dat het verkrijgen van externe financiering of een kapitaalinjectie van een branchegenoot onwaarschijnlijk was kan [gedaagde] er geen ernstig verwijt van worden gemaakt dat hij namens [bedrijf 2] een afbetalingsregeling met HGF III is overeengekomen. De betalingsverplichting van [bedrijf 2] uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst had betrekking op de huurachterstand van [bedrijf 3] die was opgelopen tot ruim € 647.000. [bedrijf 2] was voor die huurschuld niet hoofdelijk aansprakelijk. Niet gesteld of gebleken is dat [bedrijf 3] op

23 januari 2014 meer verhaal bood dan het bedrag van € 40.000 dat zij kort daarna aan HGF III heeft betaald. Door het namens [bedrijf 2] aangaan van de afbetalingsregeling kon HGF III dus niet in een slechtere positie komen dan wanneer [bedrijf 2] geen partij zou zijn geweest bij de vaststellingsovereenkomst, ook niet als [gedaagde] wist of moest begrijpen dat [bedrijf 2] failliet zou gaan.

4.6.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat ook het causaal verband tussen het handelen van [gedaagde] en de door HGF III gestelde schade ontbreekt. Als onweersproken stelling van [gedaagde] staat vast dat als de vaststellingsovereenkomst niet zou zijn gesloten, [bedrijf 3] failliet zou zijn gegaan. In dat geval zou [bedrijf 3] niet een bedrag van in totaal € 40.000 aan HGF III hebben betaald maar zou dat bedrag in haar faillissementsboedel zijn gevallen. Volgens [gedaagde] zou HGF III in dat geval, gelet op de hoogte van de schulden van [bedrijf 3] aan preferente crediteuren, nooit meer dan € 40.000 van [bedrijf 3] hebben ontvangen. Ook die stelling heeft HGF III niet weersproken zodat zij vaststaat. Daarnaast zou [bedrijf 2] bij afwezigheid van de vaststellingsovereenkomst geen vijf maandelijkse termijnen aan HGF III hebben betaald. Bovendien zou een conservatoir beslag ten behoeve van HGF III op vermogensbestanddelen van [bedrijf 2] niet hebben geresulteerd in een executoriale titel, aangezien [bedrijf 2] bij afwezigheid van de vaststellingsovereenkomst geen schuldenaar van HGF III zou zijn geweest. Samengevat zou HGF III in de situatie dat [gedaagde] niet namens [bedrijf 2] de vaststellingsovereenkomst zou hebben gesloten minder hebben ontvangen dan nu het geval is.

4.7.

HGF III zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 876,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.664,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt HGF III in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.664,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2015.1

1 coll: LdW