Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6779

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
C/16/400099 / KG ZA 15-681 AK/4075
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil ontruiming horecapand Amersfoort. Uitbater heeft een huurachterstand. Gedaagde maakt geen misbruik van recht. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/400099 / KG ZA 15-681 AK/4075

Vonnis in kort geding van 15 september 2015

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] , en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] BV, en

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 3] B.V.,

beiden gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisers,

advocaat mr. R.G. Meester te Amsterdam,

tegen

naamloze vennootschap

INBEV NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Breda,

gedaagde,

advocaat mr. M. van Heeren te Breda.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] en Inbev Nederland genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met productie 1 tot en met 27;

de producties 1 tot en met 12 van Inbev Nederland;

de nagezonden producties 28 tot en met 33 van [eisers c.s.] ;

de nagezonden producties 34 tot en met 36 van [eisers c.s.] ;

de mondelinge behandeling van 14 september 2015;

de pleitnota van [eisers c.s.] ;

de pleitnota van Inbev Nederland;

de ter zitting overgelegde e-mailberichten.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen Inbev Nederland en [eisers c.s.] bestaat met ingang van 1 april 2012 een huurovereenkomst, op grond waarvan [eisers c.s.] tegen betaling van maandelijkse huurpenningen van Inbev Nederland de beschikking heeft gekregen over zowel een bedrijfsruimte als een bedrijfswoning gelegen aan het [adres] in [woonplaats] .

2.2.

Eind 2014 heeft Inbev Nederland [eisers c.s.] in rechte betrokken en ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd, alsmede de betaling door [eisers c.s.] van een bedrag aan huurachterstand. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 13 mei 2015 van deze rechtbank zijn de gevorderde ontbinding en ontruiming uitgesproken en is [eisers c.s.] veroordeeld tot betaling van een bedrag aan huurachterstand.

2.3.

Op 22 juni 2015 heeft [eisers c.s.] Inbev Nederland in hoger beroep gedagvaard tegen 22 december 2015. Inbev Nederland heeft vervolgens de ontruiming van het pand aan het [adres] in [woonplaats] aangezegd tegen 8 juli 2015. Naar aanleiding van deze aanzegging is [eisers c.s.] een executiegeschil gestart bij deze rechtbank, waarbij [eisers c.s.] schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 mei 2015 heeft gevorderd. Deze vordering is bij vonnis van 7 juli 2015 afgewezen.

2.4.

Partijen zijn na ontvangst van het vonnis van 7 juli 2015 met elkaar in overleg getreden. In het kader van voormeld overleg zijn tussen partijen over en weer diverse

e-mailberichten verzonden. Bij e-mailbericht van 7 juli 2015 heeft (de gemachtigde van) Inbev Nederland, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, aan (de toenmalige gemachtigde van) [eisers c.s.] bericht:

‘Zoals al zojuist kort per e-mail aangegeven, is cliënte toch bereid een finaal schikkingsvoorstel te doen. Dat voorstel luidt als volgt:

  • -

    Vrijwillige ontruiming en correcte oplevering van het pand door [eiser sub 1] per 1 september 2015. (…)

  • -

    [eiser sub 1] trekt het hoger beroep deze week in. (…)’

2.5.

Bij e-mailbericht van 8 juli 2015 heeft (de toenmalige gemachtigde van) [eisers c.s.] aan (de gemachtigde van) Inbev Nederland onder meer bericht:

‘Cliënten zijn met het onderstaande akkoord. (…)’

2.6.

Diezelfde dag heeft (de gemachtigde van) Inbev Nederland aan (de toenmalige gemachtigde van) [eisers c.s.] voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang bericht:

‘(…)

Ik stel mitsdien vast dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen op basis van het voorstel van cliënte (e-mail van mij aan u van gisteren van 15.37 uur). Dat voorstel is gemakshalve bijgevoegd.

Graag uw omgaande bevestiging hiervan. Ik heb de deurwaarder zojuist on hold gezet, maar de executie wordt pas definitief gestaakt na uw bevestiging van het bovenstaande. (…)’

2.7.

In reactie hierop heeft (de toenmalige gemachtigde van) [eisers c.s.] aan (de gemachtigde van) Inbev Nederland op 8 juli 2015 het volgende e-mailbericht verstuurd:

‘Hierbij bevestig is namens cliënten het onderstaande.’

2.8.

De door Inbev Nederland aangezegde ontruiming van het pand aan het [adres] in [woonplaats] op 8 juli 2015 heeft vervolgens geen doorgang gevonden.

2.9.

Op 14 juli 2015 heeft (de toenmalige gemachtigde van) [eisers c.s.] aan (de gemachtigde van) Inbev Nederland een e-mailbericht verzonden, waarin onder meer staat vermeld:

‘De volgende zaken zouden cliënten onder meer graag bespreken met uw cliënte;

- De mogelijkheden van het (verder) exploiteren van [bedrijf] door [eiseres sub 2] B.V. (…).

2.10.

In reactie hierop heeft (de gemachtigde van) Inbev Nederland aan (de toenmalige gemachtigde van) [eisers c.s.] per e-mailbericht van 15 juli 2015 geantwoord:

‘Met verbazing heeft cliënte uw e-mail gelezen. Uw cliënten willen kennelijk gaan heronderhandelen, maar dat gaat cliënte niet doen. Partijen hebben bindende afspraken gemaakt en die moeten worden nagekomen. (…)

Dit betekent voor wat betreft de punten die u in uw e-mail noemt en waarover uw cliënten met cliënte zouden willen praten het volgende:

 Cliënte houdt uw cliënten aan hun ontruimingsverplichting per uiterlijk 1 september 2015. Verder exploiteren behoort niet tot de mogelijkheden. (…)’

2.11.

Bij brief van 17 augustus 2015 heeft [eisers c.s.] aan Inbev Nederland, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, bericht:

‘(…)

Er is niet tot overeenstemming van een vaststellingsovereenkomst gekomen, laat staan de ondertekening daarvan. Voor zover mij bekend heeft onze advocaat ook eerst om de klantenkaart verzocht c.q. dit voorbehoud gemaakt. Zelfs meerdere keren is dit verzocht, als wij ons niet vergissen.

Het is dan ook onbegrijpelijk dat uw brouwerij onder deze omstandigheden zich op het standpunt stelt en blijft stellen dat er tussen ons een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen.

(…)

Voor zover daarvan onverhoopt wel sprake zou zijn, qoud non, vernietigen wij hierbij buitengerechtelijk deze (vermeend) tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst, al dan niet op hoofdlijnen, wegens misbruik van omstandigheden en/of dwaling, hierbij buitengerechtelijk. (…)’

2.12.

[eisers c.s.] heeft het pand aan het [adres] in [woonplaats] op

1 september 2015 niet vrijwillig ontruimd.

2.13.

Inbev Nederland heeft aan [eisers c.s.] vervolgens de ontruiming aangezegd tegen

16 september 2015 om 14.00 uur.

3 Het geschil

3.1.

[eisers c.s.] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I Inbev Nederland te verbieden over te gaan tot executie van het vonnis van

13 mei 2015, althans totdat in de procedure in hoger beroep in deze is beslist, op verbeurte van een dwangsom van € 500.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, indien Inbev Nederland zich niet aan dit verbod houdt;

II Inbev Nederland te verbieden om met een derde een huurovereenkomst aan te gaan ten aanzien van de bedrijfsruimte en bovenwoning aan het [adres] in [woonplaats] voor een duur van twee jaar of langer, totdat in de procedure in hoger beroep in deze is beslist, althans onder andere duur de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorwaarden, op verbeurte van een dwangsom van € 500.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, indien Inbev Nederland zich niet aan dit verbod houdt;

III Inbev Nederland te veroordelen in de kosten en nakosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van voldoening.

3.2.

Inbev Nederland heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vooropgesteld wordt dat in deze procedure uit zal worden gegaan van de klaarblijkelijke bedoeling van [eisers c.s.] om zijn vordering op de voet van artikel 438 Rv aan te brengen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank.

4.2.

[eisers c.s.] heeft schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 mei 2015 gevorderd. Een schorsing van de executie is slechts op zijn plaats wanneer tenuitvoerlegging misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal aan de orde kunnen zijn indien de executant, mede gelet op de voor hem kenbare belangen van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan in het bijzonder sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene ten wiens laste het vonnis ten uitvoer wordt gelegd.

4.3.

[eisers c.s.] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het vonnis van

13 mei 2015 klaarblijkelijk zowel op een feitelijke als op een juridische misslag berust, omdat op het moment dat het vonnis werd gewezen geen sprake was van een huurachterstand en aldus geen grond bestond voor toewijzing van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. [eisers c.s.] stelt dat Inbev Nederland gelet op deze misslagen misbruik van recht maakt door de tenuitvoerlegging van de in dat vonnis uitgesproken ontruiming op 16 september 2015 doorgang te laten vinden, zonder het door [eisers c.s.] ingestelde hoger beroep af te wachten. Inbev Nederland heeft deze stelling uitdrukkelijk weersproken en in dat kader primair aangevoerd dat tussen partijen op 8 juli 2015 een vaststellingsovereenkomst is gesloten, waarin onder andere is bepaald dat [eisers c.s.] niet tegen het vonnis van 13 mei 2015 in hoger beroep zal gaan. Inbev Nederland stelt dat gelet op deze afspraak geen uitkomst van het hoger beroep behoeft te worden afgewacht, zodat geen sprake is van misbruik van recht door de aangezegde ontruiming op 16 september 2015 onverkort doorgang te laten vinden.

4.4.

Gelet op het verweer van Inbev Nederland, dient voordat de stellingen van [eisers c.s.] inhoudelijk kunnen worden besproken allereerst te worden beoordeeld of op 8 juli 2015 al dan niet een vaststellingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, op grond waarvan [eisers c.s.] niet (langer) in hoger beroep kan tegen het vonnis van 13 mei 2015.

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vaststaat dat op 7 en 8 juli 2015 overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden. Niet in geschil is dat Inbev Nederland in deze dagen een schikkingsvoorstel in de vorm van een vaststellingsovereenkomst aan [eisers c.s.] heeft gedaan. Hoewel [eisers c.s.] heeft aangevoerd dat nimmer wilsovereenstemming is bereikt over de diverse onderdelen uit die vaststellingsovereenkomst, volgt de voorzieningenrechter deze stelling niet. Op basis van de ter zitting in het geding gebrachte e-mailberichten van zowel (de gemachtigde van) Inbev Nederland als van (de toenmalige gemachtigde van) [eisers c.s.] , waarin namens [eisers c.s.] uitdrukkelijk wordt bevestigd dat hij akkoord is met de afspraken zoals vervat in het e-mailbericht van Inbev Nederland van

7 juli 2015, acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat op basis van die bevestiging op 8 juli 2015 een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Voor zover [eisers c.s.] zich erop beroept dat de inhoud van die overeenkomst voor hem onduidelijk was, althans uitsluitend onder dwang akkoord is bevonden, zodat deze geen stand kan houden, moet het ervoor worden gehouden dat [eisers c.s.] gedurende het gehele traject werd bijgestaan door zijn (toenmalige) gemachtigde en aldus van voldoende juridisch advies en uitleg was voorzien. Dat de overeenkomst gelet op die gestelde onduidelijkheid dient te worden vernietigd, is aldus niet aannemelijk.

4.6.

Voorts is tussen partijen niet in geschil dat (in ieder geval) onderdeel van de vaststellingsovereenkomst uitmaakt dat [eisers c.s.] niet tegen het vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2015 in hoger beroep zal gaan, zodat aannemelijk is dat [eisers c.s.] hiermee zijn recht op hoger beroep heeft prijsgegeven. Derhalve zal voorshands worden aangenomen dat geen procedure in hoger beroep tegen het vonnis van 13 mei 2015 zal plaatsvinden, zodat de uitkomst daarvan niet hoeft te worden afgewacht.

4.7.

Gelet op al het vorenstaande, concludeert de voorzieningenrechter dat Inbev Nederland geen misbruik van recht maakt door de tenuitvoerlegging van het vonnis op

16 september 2015 doorgang te laten vinden, reden waarom de vordering van [eisers c.s.] tot schorsing van deze tenuitvoerlegging op straffe van een dwangsom zal worden afgewezen.

4.8.

Nu de gevorderde schorsing zal worden afgewezen, zal ook de (neven)vordering van [eisers c.s.] om Inbev Nederland te verbieden het pand aan het [adres] in [woonplaats] voor de duur van twee jaar of langer aan een eventuele derde te verhuren worden afgewezen. Deze vordering behoeft derhalve thans geen bespreking meer.

4.9.

[eisers c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van Inbev Nederland worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris gemachtigde € 816,00 (1 punt x tarief € 816,00)

Totaal € 1.429,00

4.10.

De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eisers c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van Inbev Nederland tot op heden begroot op € 1.429,00, waarin begrepen € 816,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [eisers c.s.] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Inbev Nederland volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

€ 131,00 aan salaris advocaat;

te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2015.