Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:657

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
3709908 UE VERZ 14-750
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding directeur reflexwerking WNT?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/215
AR-Updates.nl 2015-0131
GZR-Updates.nl 2015-0079
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3709908 UE VERZ 14-750 HvB/1036

Beschikking van 6 februari 2015

inzake

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [verzoekster],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. S.J. van der Velde,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. C.A. de Weerdt.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de pleitnota van [verzoekster];

  • -

    de mondelinge behandeling van 28 januari 2015, waarvan aantekening is gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerder], geboren op [1953], 61 jaar oud, is op 1 mei 2004 in dienst van [verzoekster] getreden. Het dienstverband is aangegaan voor onbepaalde tijd.

Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 7.172,00 per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. Verder heeft [verweerder] recht op een bruto toeslag op het maandsalaris van €1.635,00 en een eindejaarsuitkering van 8,33%.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Ziekenhuizen van toepassing evenals het handboek arbeidsvoorwaarden [verzoekster].

2.2.

[verzoekster] is een beroepsvereniging voor verloskundigen en bestaat uit ruim 330 (aspirant)leden.

Op het bureau van [verzoekster] zijn 43 personen werkzaam die, net als [verweerder], in loondienst zijn bij [verzoekster].

2.3.

[verweerder] is vanaf 7 oktober 2014 vrijgesteld van werkzaamheden.

[verzoekster] heeft in samenspraak met [verweerder] een persbericht opgesteld waarin, onder meer, staat dat het bestuur besloten heeft het dienstverband met [verweerder] te willen beëindigen en dat partijen de wens hebben uitgesproken om in goed overleg tot beëindiging van het dienstverband te komen. Ook spreekt het bestuur in het persbericht zijn erkentelijkheid voor hetgeen [verweerder] voor [verzoekster] heeft gedaan.

2.4.

[verweerder] fungeerde als directeur van [verzoekster]. Zijn taken zijn vastgelegd in een in december 2004 opgesteld directiereglement.

In het reglement staat, onder meer, dat de directeur de vergaderingen van het bestuur voorbereidt en bijwoont samen met de voorzitter.

Er vindt wekelijks overleg plaats tussen de directeur en de voorzitter en vicevoorzitter van het bestuur.

2.5.

Er hebben functioneringsgesprekken plaatsgevonden tussen [verweerder] en het (dagelijks) bestuur van [verzoekster].

De conclusie van het op 19 mei 2010 gevoerde functioneringsgesprek is dat het bestuur tevreden is over het functioneren van zijn directeur. De conclusie van het op 29 september 2011 gevoerde functioneringsgesprek is de conclusie hetzelfde.

De conclusie van het op 3 oktober 2012 gevoerde functioneringsgesprek luidt:

“Samenvattend vindt het bestuur dat de [verzoekster] onder [verweerder] zijn leiding goed functioneert. Punt van aandacht blijft de communicatiestrategie en uitwerking hiervan. Het flexibel kunnen blijven inspringen op ontwikkelingen vraagt om meer aandacht van directie en bestuur in de toekomst.

…” .

2.6.

In het verslag van het op 11 december 2013 gehouden functioneringsgesprek tussen [verweerder] en de voorzitter van het bestuur mevrouw[A] (hierna ook: [A]) blijkt het volgende.

Op aan hem gestelde vragen omtrent zijn functioneren geeft [verweerder], onder meer, de navolgende antwoorden:

“…

e. Dat ik te laat actie heb ondernomen om PA hulptroepen in te roepen om netwerken in Den Haag te bespelen

f. Dat ik onvoldoende resultaat heb behaald in de relevante netwerken binnen het CPZ en met partijen uit het CPZ

g. Dat ik onvoldoende tijd heb kunnen besteden in de nieuwe netwerken met huisartsen en NPHF

i. Dat enkele medewerkers te lang afwijkend sociaal gedrag hebben vertoond en [B] in problemen hebben gebracht.

…”.

Op de vraag of hij denkt of hij de juiste persoon is om [verzoekster] te begeleiden in het transitieproces van een meer landelijk gestuurde organisatie naar een netwerkorganisatie heeft [verweerder] het navolgende geantwoord:

“Of ik voor transitie de meest geschikte persoon ben of dat het verstandig is de transitieproces te beleggen bij de directeur is nog een variant hierop, is een vraag die mee afhankelijk lijkt van de keuzes die wij maken.”

Het functioneringsverslag eindigt met de mededeling dat er gezien de inspanning die is verricht aanleiding is dit jaar een bonus van € 10.000,00 bruto toe te kennen.

2.7.

[verweerder] heeft aan het bureau BMC opdracht gegeven om onderzoek te doen naar het functioneren van de afdeling Richtlijnen. Begin 2014 heeft [verweerder] het rapport van BMC ontvangen.

Het bestuur van [verzoekster] is achter het bestaan van dit rapport gekomen doordat het bestuur werd benaderd door werknemers van de afdeling Richtlijnen die vonden dat [verweerder] de bevindingen van het rapport niet opvolgde.

2.8.

In juli 2014 heeft [verweerder] het reglement van de personeelsvertegenwoordiging van [verzoekster] zodanig gewijzigd dat aan die personeelsvertegenwoordiging de bevoegdheden van een ondernemingsraad zijn toebedeeld.

[verweerder] heeft dit niet besproken met of gemeld aan het bestuur.

2.9.

[verweerder] heeft in de zomer 2014 binnen zijn MT en de personeelsvertegenwoordiging getoetst of er sprake was van onvrede op de werkvloer, maar daarvan is hem toen niet gebleken.

Op 25 september 2014 heeft [A] een gesprek gehad met Mw. [C], beleidsmedewerker bij [verzoekster] (hierna: [C]). [C] gaf aan dat er een onveilige sfeer op de werkvloer heerste en dat [verweerder] zich zeer onprettig had opgesteld tegenover een werknemer.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verandering van omstandigheden onder toekenning van een vergoeding van € 97.375,69 bruto (C=0,5).

Zij voert daartoe aan dat [verweerder] disfunctioneert en het vertrouwen in [verweerder] is komen te ontbreken.

[verweerder] volgt stelselmatig instructies van het bestuur niet op, opereert op eigen houtje, informeert het bestuur niet over belangrijke onderwerpen, creëert geen veilige werkomgeving voor de medewerkers van het bureau, overschrijdt voortdurend budgetten en behartigt de belangen van [verzoekster] ten opzichte van derde partijen niet goed.

3.2.

[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd op de inhoud waarvan hierna - voor zover van belang - zal worden ingegaan. [verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toekenning van een vergoeding van € 350.000,00 bruto (C=1,75).

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van enig opzegverbod, hetgeen niet het geval is.

4.2.

Uit de gedingstukken en bij de mondelinge behandeling is voldoende duidelijk naar voren gekomen dat er sprake is van een zodanige onomkeerbare vertrouwensbreuk tussen partijen dat gesproken moet worden van een gewichtige reden die ertoe leidt dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden.

Het verzoek tot ontbinding zal dus worden toegewezen.

4.3.

Met het oog op het bepalen van de hoogte van een eventuele vergoeding zal de kantonrechter de (verdere) gronden onderzoeken die [verzoekster] aan haar verzoek ten grondslag legt.

4.4.

[verzoekster] heeft niet voldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat [verweerder] gedurende zekere tijd niet heeft voldaan aan de eisen die [verzoekster] redelijkerwijs aan de functievervulling door [verweerder] mocht stellen.

Uit hiervoor onder 2.5 en 2.6 weergegeven verslagen van de gevoerde functioneringsgesprekken blijkt niet van disfunctioneren van [verweerder].

Daarover wordt in die verslagen niet gesproken, laat staan dat afspraken zijn gemaakt over eventueel te volgen verbetertrajecten.

Ook uit het verslag van het functioneringsgesprek in 2013 valt die conclusie niet te trekken. [verweerder] heeft naar aanleiding van zijn functioneren een bonus toegekend gekregen en dat verdraagt zich niet met een situatie van een (ernstig) disfunctionerende directeur.

Terecht wijst [verweerder] er ook op dat -voor zover er al sprake zou zijn geweest van onvoldoende functioneren- de procedure omtrent het voeren van functionerings- en beoordelingsgesprekken, zoals vermeld in het handboek arbeidsvoorwaarden had moeten worden gevolgd. [verzoekster] heeft niet weerlegd dat deze procedure niet is nageleefd.

De stelling dat dit in het geval van de directeur niet zou hoeven omdat “hoge bomen nu eenmaal veel wind vangen” kan [verzoekster] niet baten. Er zijn geen dragende argumenten aangevoerd waarom zij deze zorgvuldige procedure niet had kunnen volgen.

4.5.

De kantonrechter zal de overige verwijten langslopen die [verzoekster] [verweerder] in deze procedure heeft gemaakt.

4.6.

[verzoekster] heeft aangevoerd dat [verweerder] stelselmatig de instructies van het bestuur niet heeft opgevolgd, maar [verweerder] heeft dit weersproken.

[verzoekster] heeft zich beroepen op een door haar gemaakt bloemlezing van delen van verslagen van een aantal bestuursvergaderingen.

Nu [verzoekster] niet de gehele verslagen in kwestie heeft overgelegd, kan de kantonrechter niet dan wel onvoldoende beoordelen in welke context de door [verzoekster] overgelegde delen van moeten worden geplaatst. Uit de wel overgelegde delen van de verslagen van de bestuursvergadering valt niet onomstotelijk te destilleren dat [verweerder] stelselmatig instructies niet heeft opgevolgd.

4.7.

Dat [verweerder] op eigen houtje heeft geopereerd en het bestuur niet over belangrijke onderwerpen heeft geïnformeerd kan wel worden afgeleid uit hetgeen hiervoor onder 2.7 en 2.8 is vermeld.

[verzoekster] verwijt [verweerder] terecht dat hij geen overleg heeft gevoerd met het bestuur en het bestuur ook niet heeft geïnformeerd over zoiets belangrijks als het aan de personeelsvertegenwoordiging toekennen van dezelfde bevoegdheden als een ondernemingsraad.

[verweerder] voert wel aan dat het rapport van BMC onderwerp van overleg is geweest binnen het dagelijks bestuur maar hij laat na om aan te geven hoe het ter sprake is gekomen en wanneer dat is geweest. Daarmee is onvoldoende weerlegd dat het rapport al langer bij hem binnen was en ter kennis van het bestuur is gekomen doordat werknemers daarover het bestuur hebben benaderd.

4.8.

Uit hetgeen hiervoor onder 2.9 is weergegeven volgt wel dat er een gevoel van onveiligheid op de werkvloer heerste en dat in elk geval één werknemer dat aan [verweerder] toeschrijft, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat het uitsluitend dan wel in overwegende mate aan [verweerder] te wijten is dat dit het geval is. Een dergelijk verwijt moet, ook in het geval van een verzoekschriftprocedure als deze, met meer feiten worden onderbouwd.

4.9.

Wat betreft het voortdurend overschrijden van budgetten heeft [verzoekster] onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht die dit aannemelijk maken.

Met betrekking tot de aangevoerde budgetoverschrijding is er slechts één overschrijding concreet gemaakt en dit betreft het overschrijden van het opleidingsbudget met maximaal

€ 7.500,00. In een organisatie, die 43 mensen in dienst heeft valt zonder meer niet in te zien dit een grote en zeer verwijtbare overschrijding is.

4.10.

Met betrekking tot de onderhandelingen met derden en de belangenbehartiging van [verzoekster] heeft het volgende te gelden.

Ten aanzien van de onderhandelingen met Achmea heeft [verzoekster] niet weerlegd dat die onderhandelingen goed liepen nadat [verweerder] die had overgenomen van een beleidsmedewerker. Het bestuur heeft zich, aldus [verweerder], vervolgens zelf in de onderhandelingen gemengd waardoor het proces anders liep. Bij die stand van zaken valt niet in te zien wat [verweerder] dan te verwijten valt.

[verweerder] geeft wel toe dat er onrust is ontstaan tussen [verzoekster] en de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie en het College Perinatale Zorg doordat hij de keuzes van [verzoekster] zowel intern als extern in de pers stevig heeft verwoord.

Op grond daarvan is voldoende aannemelijk dat [verweerder], zoals [verzoekster] hem nadraagt, een harde onderhandelingsstrategie had en te veel op winnen was gericht, terwijl dit -gezien de veranderingen in de perinatale zorg en de gezochte samenwerking met de ketenpartners- niet de meest voor de hand liggende wijze van behartiging van de belangen van [verzoekster] was.

4.11.

[verzoekster] heeft een beroep gedaan op de reflexwerking van de Wet Normering Topinkomens (WNT).

Niet in geschil is dat de WNT tussen partijen niet van toepassing is.

Ingevolge artikel 7:685, achtste lid BW kan de kantonrechter -kort gezegd- bij een ontbinding van een arbeidsovereenkomst een met oog op de omstandigheden van het geval billijke vergoeding toekennen.

Gelet daarop, volstaat het om in voorkomende gevallen een beroep te doen op een of meerdere omstandigheden, die overeenkomen met de feiten en omstandigheden die de wetgever hebben gebracht tot het tot stand brengen van de WNT.

Het is dan ook onnodig om aan de WNT reflexwerking toe te kennen.

[verzoekster] heeft in dit verband geen bijzondere omstandigheden aangevoerd.

4.12.

[verzoekster] heeft nog bepleit om bij het toekennen van een vergoeding te laten meewegen dat het hier gaat om een belangenvereniging wier leden het geld voor de te betalen vergoeding dienen op te brengen.

De kantonrechter gaat hier niet in mee. [verzoekster] is niet alleen belangenvereniging maar ook werkgever.

Indien zij niet beschikt over de middelen om een vergoeding te kunnen betalen dan had zij daar een beroep op kunnen en moeten onder overlegging van jaarstukken die zulks onderbouwen. Dat heeft [verzoekster] niet gedaan.

4.13.

Bij het bepalen van een vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt de zogenaamde "kantonrechtersformule" toegepast.

Die formule bevat de factoren A x B x C. Factor A staat voor het aantal dienstjaren (die zwaarder meetellen voor oudere werknemers), factor B voor het bruto maandsalaris en factor C is een "correctiefactor" die met name bepaald wordt door verwijtbaarheid en toerekening van dit einde van de arbeidsovereenkomst.

4.14.

Ten aanzien van de factor A komt de kantonrechter tot een aantal van 11 gewogen dienstjaren.

4.15.

Ten aanzien van de factor B neemt de kantonrechter het vaste salaris vermeerderd met de vakantiebijslag tot uitgangspunt. Daarbij opgeteld wordt de bruto maandtoeslag en de het maandelijkse deel van de eindejaarstoeslag, te weten € 9.987,25 per maand.

4.16.

Ten aanzien van de factor C overweegt de kantonrechter dat de verzochte ontbinding in overwegende mate in de risicosfeer ligt van [verzoekster] maar dat [verweerder] toch ook een aantal steken heeft laten vallen, hetgeen, rekening houdende met alle hiervoor weergegeven omstandigheden van het geval resulteert in een factor van C = 0,8.

Dit resulteert in een vergoeding van afgerond € 144.000,00.

4.17.

De proceskosten zullen gezien de aard van het geschil worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De kantonrechter:

-stelt [verzoekster] in de gelegenheid uiterlijk 20 februari 2015 het verzoek in te trekken;

En voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2015;

- kent aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] een vergoeding toe van € 144.000,00 bruto en veroordeelt [verzoekster] tot betaling van deze vergoeding aan [verweerder];

- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek tijdig wordt ingetrokken:

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2015.