Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6510

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
C/16/391356 / HA RK 15-97 MAR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht. Op grond van artikel 25 WAM kan verzoeker daarom geen recht op schadevergoeding tegen het Waarborgfonds geldend maken.

Het verzoek zal worden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019aa
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/121
JA 2015/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

Zaak-/rekestnummer: C/16/391356 / HA RK 15-97 MAR

Beschikking van 2 september 2015

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. C.P. Vos,

tegen

de stichting

WAARBORGFONDS MOTORVERKEER,

gevestigd te Rijswijk,

verweerster,

advocaat mr. R. Gruben.

Partijen worden hierna [verzoeker] en het Waarborgfonds genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift inzake deelgeschil ex artikel 1019w Burgerlijke rechtsvordering, ter griffie ingekomen op 29 april 2015;

  • -

    het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 18 juni 2015;

  • -

    de mondelinge behandeling op 30 juni 2015, waarvan aantekening is gehouden;

  • -

    de pleitnotitie van mr. Vos;

  • -

    het proces-verbaal van behandeling van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv, gehouden op 30 juni 2015;

  • -

    de brief van 6 juli 2015, waarbij namens [verzoeker] een zestal foto’s is overgelegd;

  • -

    de brief van 13 juli 2015 van het Waarborgfonds;

  • -

    de brief van 30 juli 2015 van [verzoeker] .

1.2.

Vervolgens is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 25 mei 2013 met de scooter ten val gekomen op de rotonde Dalweg/Beukenlaan in [woonplaats] . [verzoeker] kwam vanaf de Dalweg en is ter hoogte van de kruising met de afslag van de rotonde naar de Beukenlaan ten val gekomen.

2.2.

[verzoeker] is per ambulance naar het Meander Lichtenberg Ziekenhuis in Amersfoort gebracht, waar een gecompliceerde breuk in de knie is geconstateerd.

2.3.

Een e-mailbericht van 11 juni 2013 van de heer [X] aan de belangenbehartiger van [verzoeker] heeft, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

“Op 25 mei jongstleden reed ik achter de scooter van de heer [verzoeker] wij kwamen op de rotonde aan op de dalweg en wilde rechtdoor rijden op dat moment kwam er een rode auto van links met hoge snelheid

En zag [verzoeker] over het hoofd die moest daardoor hard remmen en uitwijken en is daardoor gevallen met beenletsel tot gevolg.

Volgens mij was het een toyota daar het allemaal snel ging heb ik het kenteken ook niet gezien”

2.4.

[verzoeker] heeft op 24 juni 2013 aangifte gedaan bij de politie.

2.5.

Bij brief van 25 juni 2013 heeft (de belangenbehartiger van) [verzoeker] zich gewend tot het Waarborgfonds.

2.6.

Het Waarborgfonds heeft - na het inwinnen van nadere informatie bij onder meer [verzoeker] , de politie en onderzoeksbureau CED Automotive - bij brief van 17 oktober 2013 afwijzend gereageerd op het verzoek van [verzoeker] zijn schade te vergoeden. De inhoud van deze brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

Wij hebben [X] tot twee maal toe verzocht een officiële Waarborgfonds getuigenverklaring in te vullen en ondertekend te retourneren. Hieraan is geen gehoor gegeven c.q. hierop is niet gereageerd.

Recent ontvingen wij ook een reactie van de politie. Deze treft u hierbij aan. De politie is eerst op 24 juni 2013 in kennis gesteld van het voorval door aangifte via Internet.

Wij vergoeden schade onder wettelijk bepaalde voorwaarden. Eén van de voorwaarden is dat uw relatie zich heeft ingespannen om de identiteit van de schadeveroorzaker te achterhalen.

Het Waarborgfonds Motorverkeer stelt zich hierbij op het standpunt dat het zo snel als mogelijk doen van aangifte bij de politie het minste is dat van een betrokkene mag worden verwacht.

Het doen van aangifte op 24 juni 2013 valt niet onder de noemer zo snel als mogelijk.

Nog los van eventuele andere aspecten aan deze zaak verbonden is dit reden om geen recht op schadevergoeding te erkennen. ”

2.7.

In de correspondentie die daarna heeft plaatsgevonden tussen [verzoeker] en het Waarborgfonds heeft het Waarborgfonds te kennen gegeven het afwijzende standpunt te handhaven.

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank te bepalen dat de materiële en immateriële schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval lijdt door het Waarborgfonds dient te worden vergoed. [verzoeker] verzoekt de rechtbank ook om het Waarborgfonds te veroordelen tot betaling van de kosten van dit deelgeschil ex artikel 1019aa Rv.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoeker] het volgende ten grondslag.

3.2.1.

Met betrekking tot de toedracht van het ongeval stelt [verzoeker] het volgende. [verzoeker] reed op zijn scooter op de Dalweg te Soest richting de rotonde met de Beukenlaan. Op het moment dat hij de rotonde op reed naderde een rode auto hem van links met hoge snelheid. De automobilist had aan [verzoeker] voorrang moeten verlenen. Om een aanrijding te voorkomen moest [verzoeker] hard remmen, waardoor de voorband van zijn scooter weggeschoten is en hij ten val is gekomen. Daarbij is hij met zijn knie tegen een opstaande betonnen rand terecht gekomen.

3.2.2.

Ten aanzien van de inspanningsverplichting om de identiteit van de aansprakelijke partij te achterhalen stelt [verzoeker] het volgende. De omstandigheid dat de politie niet ter plaatse is geweest kan niet aan [verzoeker] worden toegerekend. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat de politie in een dergelijke situatie na een aangifte geen verdere actie zal ondernemen, omdat een ongeval als het onderhavige geen prioriteit heeft. Daarnaast geldt dat het ook onmogelijk zou zijn geweest om de schadeveroorzaker te traceren: het is niet mogelijk om te zoeken naar een rode, onbeschadigde auto die de plaats van een ongeval zonder te stoppen heeft verlaten.

Verder geeft [verzoeker] aan dat hij zeven dagen in het ziekenhuis heeft gelegen en daarna een zwaar revalidatietraject heeft ondergaan, waardoor het zoeken naar de aansprakelijke partij niet zijn eerste prioriteit was. Hij heeft daartoe wel een poging gedaan door contact op te nemen met de heer [X] . [X] bleek echter geen kenteken gezien te hebben.

[verzoeker] zag geen verdere mogelijkheden om alsnog schadeloosstelling te ontvangen. Hij heeft zich gericht op het revalideren en het voortbestaan van zijn eigen schoonmaakbedrijf.

[verzoeker] vindt dat hij, gezien zijn medische situatie, heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om achter de identiteit van de aansprakelijke partij te komen.

3.3.

Het Waarborgfonds betwist dat [verzoeker] ter zake van de val met de scooter een aanspraak ten opzichte van het Waarborgfonds geldend kan maken. Zij voert daartoe - kort weergegeven - primair aan dat [verzoeker] de door hem gestelde toedracht van het ongeval niet heeft aangetoond en dat dus niet vaststaat dat er sprake zou zijn van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van een onbekend gebleven motorrijtuigbestuurder en subsidiair dat hij onvoldoende moeite heeft gedaan om de identiteit van de aansprakelijke persoon te achterhalen.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, indien en voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [verzoeker] zich voor vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de val met zijn scooter tot het Waarborgfonds kan wenden, een en ander op grond van artikel 25 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: WAM).

4.2.

De rechtbank zal eerst ingaan op het - meest verstrekkende - verweer van het Waarborgfonds dat [verzoeker] zich in de zin van artikel 25 lid 1 sub a WAM niet voldoende heeft ingespannen om tot vaststelling van de identiteit van de aansprakelijke persoon te komen. Daarbij gaat de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit dat sprake is van een burgerrechtelijke aansprakelijkheid in de zin van de WAM. De rechtbank stelt verder het volgende voorop. Het Waarborgfonds waarborgt dat degene die schade heeft geleden die door een motorrijtuig is veroorzaakt, schadevergoeding ontvangt in alle gevallen waarin er wel aansprakelijkheid in de zin van de WAM bestaat maar het motorrijtuig dat de schade heeft veroorzaakt niet verzekerd of geïdentificeerd is. Het Waarborgfonds heeft dus een subsidiair karakter: een benadeelde moet eerst nagaan of hij zijn schade op een WAM-verzekeraar of de aansprakelijke persoon kan verhalen. Dit volgt ook uit artikel 25 lid 1 onder a WAM waarin staat dat een benadeelde geen recht heeft op schadevergoeding als aannemelijk is dat hij niet tot vaststelling van de identiteit van de aansprakelijke persoon heeft gedaan, wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht.

4.3.

De rechtbank acht daarbij bepalend en doorslaggevend datgene dat een benadeelde, in dit geval [verzoeker] , heeft gedaan om de identiteit van de aansprakelijke partij te achterhalen. Geconstateerd moet worden dat [verzoeker] enkel contact heeft opgenomen met getuige [X] . Toen daaruit bleek dat [X] geen nadere gegevens, waaronder een kenteken, kon geven over de rode auto zag [verzoeker] geen verdere mogelijkheden om alsnog schadeloosstelling te ontvangen. [verzoeker] heeft toen geen verdere acties meer ondernomen. Hiermee heeft [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende inspanning verricht ter vaststelling van de identiteit van de aansprakelijke persoon. Weliswaar heeft [verzoeker] op 24 juni 2013 aangifte gedaan bij de politie, maar deze aangifte is naar het oordeel van de rechtbank te laat gedaan. De WAM stelt de eis dat een benadeelde al het nodige doet om de identiteit van de aansprakelijke partij te achterhalen. Het Waarborgfonds mag dan ook van een benadeelde verwachten dat alle mogelijkheden om die identiteit te achterhalen maximaal worden benut, zodat geen mogelijke aanknopingspunten verloren gaan of onbenut blijven die mogelijk leiden tot het vinden van de aansprakelijke persoon. Juist in een situatie waarin die aanknopingspunten op het eerste gezicht gering lijken mag van de benadeelde verwacht worden dat hij met voortvarendheid aangifte doet. Door eerst op 24 juni 2013 aangifte te doen, heeft [verzoeker] niet voortvarend gehandeld. Dat hij vanwege zijn letsel en zorgen voor zijn bedrijf niet in staat was met voortvarendheid aangifte te doen is niet gebleken. Dat betwijfeld kan worden of een eerder aangifte meer kans op het achterhalen van de dader zou hebben gehad, brengt niet met zich dat [verzoeker] niet voortvarend hoefde te handelen en evenmin dat het Waarborgfonds zich er niet op beroepen mag dat het aan die voortvarendheid heeft ontbroken.

4.4.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] niet heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht. Op grond van artikel 25 WAM kan [verzoeker] daarom geen recht op schadevergoeding tegen het Waarborgfonds geldend maken. Omdat hetgeen partijen over en weer verder hebben aangevoerd afstuit op het vooroverwogene, behoeft dat geen bespreking meer. Het verzoek zal worden afgewezen.

4.5.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 3.456,61 (11 uur x 245,00 exclusief btw en kantoorkosten) en een bedrag van € 1.940,32 (6,1 uur x € 248,00 exclusief btw en kantoorkosten).

Het Waarborgfonds voert aan dat de gevorderde kosten moeten worden afgewezen en dat een tijdsbesteding van 10 uren (voor het verzoekschrift) en het gehanteerde uurtarief van € 240,00 bovenmatig is. Zij vindt een tijdsbesteding van 4 uren tegen een tarief van € 200,00 per uur redelijk.

De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uur is daarmee naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming. De met de opstelling van het verzoekschrift én de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank daarom worden begroot overeenkomstig het verzoek, derhalve op € 5.396,93 inclusief BTW en kantoorkosten, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 285,00.

Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten slechts begroten en niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst het verzoek af;

5.2.

begroot de kosten op € 5.396,93 inclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 285,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2015.1

1 type: MAR/4186 coll: HSt